2013/5 deels-gegrond

Samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen de uitzending “Commotie op Curaçao” Kern van de klacht is dat onvoldoende wederhoor is toegepast en dat eenzijdig en tendentieus is bericht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat.
In de uitzending zijn de politieke situatie in Curaçao, het uitgelekte memo van de Veiligheidsdienst en de (mogelijke) rol van klager daarbij aan de orde gesteld. Het kan maatschappelijk relevant en journalistiek geboden zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij onoorbare praktijken. Verweerders hebben aannemelijk gemaakt dat zij deugdelijk onderzoek hebben verricht en dat er voldoende aanleiding bestond over de kwestie te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. De uitzending laat de kijker voldoende ruimte om zich een eigen oordeel te vormen over de handelwijze van klager. Verweerders hebben in zoverre niet ontoelaatbaar gehandeld.
Dit neemt niet weg dat een journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor dient toe te passen bij de betrokkene die door een publicatie wordt gediskwalificeerd. In de uitzending worden aantijgingen aan klagers adres geuit die hem (ook) persoonlijk betreffen. Het vragen van een reactie aan de communicatieafdeling van klager kan in zo een geval niet worden gezien als een deugdelijke toepassing van het beginsel van wederhoor. Klager had zelf in de gelegenheid moeten worden gesteld op de beschuldigingen te reageren. Verweerders hadden klager daarvoor tijdig behoren te benaderen en daarbij rekening dienen te houden met de omstandigheid dat klager – gezien zijn functie – mogelijk beperkt beschikbaar zou zijn. Zij hebben echter pas kort vóór de uitzending getracht klager te benaderen en toen bleek dat klager op het door verweerders gewenste moment niet in het land was, hebben zij hem uiteindelijk niet meer de mogelijkheid gegeven zelf te reageren. Op 13 april 2012 heeft de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken van Curaçao er bij verweerders nog op aangedrongen dat alsnog te doen. Dat verzoek hadden verweerders in dit geval niet naast zich neer mogen leggen. Verweerders hebben onder deze omstandigheden het beginsel van wederhoor niet deugdelijk toegepast. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G.F. Schotte

tegen

F. de Koe, D. Schouten, S. Kockelmann en de hoofdredacteur van Brandpunt (KRO)

Bij brief van 14 juni 2012 met twaalf bijlagen heeft mr. S.M. Kingma, advocaat te Den Haag, namens G.F. Schotte te Willemstad, Curaçao (hierna: klager) een klacht ingediend tegen F. de Koe, D. Schouten, S. Kockelmann en de hoofdredacteur van Brandpunt (KRO) (hierna: verweerders). Hierop heeft B. van der Ham, eindredacteur Brandpunt, geantwoord in een brief van 4 juli 2012 en aan de Raad verzocht om bemiddeling. In een e-mail van 26 juli 2012 heeft mr. Kingma laten weten dat klager geen prijs stelt op bemiddeling. Vervolgens heeft mr. A.A.J. van Dijk, KRO Juridische Zaken, bij brief van 12 september 2012 met tien bijlagen namens verweerders op de klacht geantwoord en ter aanvulling daarop bij e-mail van 25 september 2012 nog een bijlage overgelegd. Hierop heeft mr. Kingma gereageerd in een e-mail van 22 oktober 2012 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 december 2012. Namens klager is daar voornoemde mr. Kingma verschenen, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde mr. Van Dijk en De Koe aanwezig.

Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de gewraakte uitzending bekeken.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Op 15 april 2012 is in het televisieprogramma Brandpunt een reportage van de hand van De Koe en Schouten uitgezonden met de titel “Commotie op Curaçao”. Hierin is aandacht besteed aan klager die de eerste minister-president en minister van Algemene Zaken was van het land Curaçao, dat op 10 oktober 2010 zelfstandig is geworden. Aanleiding voor het programma zijn onder meer de screening van klager en een aantal andere leden van het kabinet van Curaçao door de Veiligheidsdienst van Curaçao (hierna: Veiligheidsdienst), een uitgelekt memo daarover van de Veiligheidsdienst, verklaringen van een medewerker van de Veiligheidsdienst over de kwestie en de reactie vanuit de Nederlandse politiek op de situatie in Curaçao.

Kockelmann introduceert de reportage als volgt:
“Vanavond in KRO Brandpunt: glijdt Curaçao af richting de dictatuur? Hoe een zelfstandig land binnen ons Koninkrijk kampt met een geheime dienst die zo lek zou zijn als een mandje. En een man aan het hoofd heeft, de premier, die wordt beschuldigd van fraude en corruptie.”

Verderop in de uitzending bericht de voice-over onder meer:
“Wat is er aan de hand op Curaçao? Waarom zou de minister-president van het eiland hebben laten inbreken in z’n eigen Geheime Dienst? Wat heeft hij te verbergen? Om dat te begrijpen duiken we in de geschiedenis van het jonge land. Op 10 oktober 2010 wordt Curaçao een onafhankelijk land binnen ons Koninkrijk. Nederland scheldt zo’n 1,5 miljard euro kwijt aan schuld en draagt het bestuur over aan premier Gerrit Schotte. (…)
Maar nog voor Schotte en z’n kabinetsleden goed en wel zijn begonnen, gaat het al mis. Een vertrouwelijk memo van de Veiligheidsdienst lekt uit. Het is een screening van de premier en een aantal kabinetsleden. Die zouden zich hebben schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, het aannemen van steekpenningen en ze zouden dubieuze contacten onderhouden met de Italiaanse maffia. In het memo worden de bevindingen rond de premier een veiligheidsrisico genoemd. Verderop vermeldt de dienst dat premier Schotte niet positief uit de screening komt. In totaal worden vijf van de zeven Kabinetsleden niet ministeriabel geacht. Het nieuws slaat in als een bom.”

In de reportage komen onder anderen aan het woord: mevrouw mr. drs. J.W.E. Spies (de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), dr. A.A.G.M. van Raak (Nederlands Tweede Kamerlid), mevrouw O.V.E. Leeflang (oud-minister van Onderwijs en Volkgezondheid van Curaçao) en de heer D. Dick (oud-minister van Justitie van Curaçao).

Van Raak laat weten dat de regering van klager nauwe banden heeft met de maffia. Verder zegt hij dat klager medewerkers van de Geheime Dienst heeft geïntimideerd, agressief bejegend en gedwongen om de wet te overtreden door informatie te verstrekken aan buitenlanders. Volgens Dick gaat het daarbij om politieke informatie, staatsveiligheid, criminele informatie en samenwerking met andere landen.
Leeflang en Van Raak menen dat klager bezig is met een coup, omdat hij kritische mensen de mond snoert en overal stromannen op invloedrijke posities neerzet. Volgens Leeflang is het fundament gelegd voor een dictatuur.

Kockelmann vertelt verder dat het verleden van de premier is bekeken. Hij vermeldt dat de redactie op diverse gerechtelijke veroordelingen is gestuit, waarbij klager onder meer schuldig is verklaard aan fraude.

Dick zegt vervolgens dat klager op school heeft gefraudeerd bij zijn eindexamen, dat er diverse vonnissen tegen klager zijn voor oplichting of poging daartoe en dat er verhalen de ronde doen over verzekeringsfraude en ongedekte cheques. Volgens Dick geeft klager de indruk van een oplichter.

Daarnaast zijn in de reportage beschuldigingen van de medewerker van de Veiligheidsdienst aan het adres van klager weergegeven. Zo is vermeld dat deze medewerker tegen de Ombudsman van Curaçao heeft gezegd dat hij – kort weergegeven – door zijn leidinggevende bij de Veiligheidsdienst is gedwongen aan medewerkers van een Colombiaanse Veiligheidsdienst vertrouwelijke gegevens te verstrekken van de Veiligheidsdienst van Curaçao. Dit zou volgens de medewerker in opdracht van klager zijn gebeurd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de uitzending ernstige beschuldigingen aan zijn adres bevat, zonder dat hij behoorlijk in de gelegenheid is gesteld op de aantijgingen te reageren. Pas op 11 april 2012 – drie dagen voor de uitzending – heeft De Koe voor het eerst contact opgenomen met de pr-medewerker van klager, die laat weten dat klager niet in het land is, maar op 13 april 2012 terug zou zijn en dan een interview zou kunnen geven. Ter voorbereiding daarop heeft de medewerker aan De Koe gevraagd om nadere informatie over de reportage. De Koe zou daarover weer contact opnemen, maar heeft dat niet gedaan. De pr-medewerker heeft vervolgens het telefoonnummer van De Koe achterhaald en deze op 12 april gebeld. Deze bleek alweer terug te zijn in Nederland, zodat een interview niet meer mogelijk was. Daarom heeft de medewerker per e-mail een aantal documenten aan De Koe toegestuurd. Op vrijdagochtend 13 april heeft De Koe per e-mail een aantal vragen gesteld die vanwege de deadline dezelfde dag moesten worden beantwoord. Inmiddels was al een aankondiging van het programma op de website van Brandpunt verschenen. Daarop heeft de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken van Curaçao een brief geschreven aan verweerders, waarin zij haar bezwaren tegen de gang van zaken heeft geuit en heeft laten weten dat verweerders de kwestie onvoldoende hebben uitgezocht. Verder heeft zij in die brief verweerders verzocht op correcte wijze een gesprek aan te vragen met klager en zich te verdiepen in de documentatie en feitelijke gegevens voordat zij tot uitzending overgaan. Op deze brief is geen reactie ontvangen en de brief is evenmin op de website van verweerders geplaatst.
Klager meent dat hij aldus geen gelegenheid heeft gekregen, in elk geval niet zonder onredelijke tijdsdruk, om te reageren op de aantijgingen. De tijdsdruk is temeer onredelijk te noemen, omdat verweerders al enige tijd bezig waren met de voorbereiding van de reportage en alle tijd hebben genomen om afspraken te maken met Leeflang en Dick. Klager wijst erop dat de kwestie van het uitgelekte memo en overige stukken al maanden bekend waren. Daar komt bij dat sommige aantijgingen, zoals door Van Raak en Dick zijn gedaan, helemaal niet aan klager zijn voorgelegd. Dit klemt temeer nu de aantijgingen zijn gedaan door politieke tegenstanders van klager. De vragen over de aantijgingen van de medewerker van de Veiligheidsdienst zijn pas op de dag van de deadline voorgelegd. Volgens klager hadden verweerders van tevoren moeten informeren of hij in het land was en niet zonder voorafgaand contact kunnen verwachten dat een minister-president zonder meer tijd voor hen heeft. Het plaatsen van de door de pr-medewerker toegestuurde documenten op de website van verweerders kan niet als voldoende toepassing van wederhoor worden aangemerkt, aldus klager.
Hij voert verder aan dat verweerders onvoldoende zorgvuldigheid hebben betracht ten aanzien van de deugdelijkheid van de beschuldigingen, gelet op de relatie van de bronnen tot klager. Voorts meent hij dat de reportage eenzijdig, tendentieus en bewust onvolledig is. Klager licht toe dat Leeflang en Dick lid zijn van een andere politieke partij en politieke meningsverschillen met hem hebben, en dat zij persoonlijke aanvallen niet schuwen. Van Raak staat bekend als zeer kritisch ten opzichte van de regering van klager. Volgens klager blijkt uit de reportage niet dat enig onderzoek naar de deugdelijkheid van de beschuldigingen is gedaan. Bovendien is (bijna) niets gedaan met de informatie die is aangeleverd door de pr-medewerker van klager. De stukken op de website van verweerders ondersteunen de beschuldigingen niet. Als voorbeeld noemt klager dat de door verweerders gepubliceerde vonnissen gaan over handelsgeschillen, waarin niet is vastgesteld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan fraude of oplichting. Verder hebben verweerders geen enkel onderzoek gedaan naar de inhoud van de beschuldigingen van de medewerker van de Veiligheidsdienst. Er is ook geen poging gedaan om hemzelf te benaderen en evenmin om met de door de medewerker genoemde functionarissen of de manager van de Veiligheidsdienst te spreken.
Tot slot voert klager aan dat de vormgeving van de reportage weinig ruimte laat voor een andere conclusie dan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan allerlei illegale en anderszins verwerpelijke praktijken.

Verweerders stellen dat voldoende wederhoor is toegepast. Zowel tijdens zijn verblijf als in de aanloop naar de montage heeft De Koe op diverse manieren getracht tijdig een interview te krijgen met klager. Ter zitting benadrukt De Koe dat hij vijf dagen voor de uitzending op Curaçao aanwezig was (twee dagen eerder dan de cameraploeg) om afspraken te maken. Tijdens het contact op 11 april 2012 met de pr-medewerker van klager heeft De Koe duidelijk gemaakt dat hij het liefst een interview zou willen met klager. In een later contact diezelfde dag bleek dat klager niet in het land was. De pr-medewerker liet toen weten dat ze wel wilden meewerken, maar dat ze daarvoor eerst meer informatie nodig hadden. Volgens de pr-medewerker zou er niets beter zijn dan dat de vragen per e-mail werden gestuurd, zodat die ook per e-mail konden worden beantwoord. Op de vraag van De Koe of er niet op camera gereageerd kon worden, antwoordde de pr-medewerker ‘dat niemand hierover iets zou kunnen zeggen voor de camera’. Volgens verweerders was duidelijk dat er geen interview met klager zou komen en vervolgens is met wederzijdse instemming afgesproken de vragen per e-mail af te handelen. De vragen die De Koe vervolgens in zijn e-mail van 13 april 9.00 uur Nederlandse tijd heeft gesteld, werden echter niet beantwoord. De pr-medewerker stuurde wel een e-mail met diverse documenten en daarnaast ontvingen verweerders nog een brief van de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken van Curaçao. Verweerders hebben de ontvangen documenten op hun website openbaar gemaakt. Bovendien zijn in de uitzending twee korte fragmenten uit de documenten geciteerd. Voorts is aan het einde van de uitzending verwezen naar de documenten en achterliggende stukken op de website.
Volgens verweerders mocht De Koe ervan uitgaan dat een professionele woordvoerder van een premier een adequate snelle reactie kon geven. De Koe is echter ‘on hold’ gezet en dat kan hem achteraf niet worden verweten. Overigens zijn verweerders van mening dat er feitelijk gewoon sprake is van een weergave van hetgeen heeft plaatsgevonden, waarbij wederhoor niet altijd noodzakelijk is. Verder voeren verweerders aan dat de meningen van de personen in de uitzending op persoonlijke titel zijn geuit. Verweerders hebben deze meningen niet tot de hunne gemaakt c.q. voldoende afstand betracht en ook dan is wederhoor niet altijd nodig.
Verweerders stellen verder dat zij wel degelijk uitgebreid onderzoek hebben gedaan naar alle aspecten rond de Veiligheidsdienst van Curaçao en de rol die klager daarin speelt. Zij verwijzen daarbij naar de door hen ingediende stukken. Volgens verweerders gaat het te ver om alle personen met wie is gesproken in de uitzending aan het woord te laten.
Ten slotte menen verweerders dat de kritische benadering in de uitzending noodzakelijk is in een democratische samenleving, vooral als het gaat om een premier van een land waarmee Nederland nauw betrokken is. De wijze van berichtgeving is een redactionele keuze, waarbij de journalistieke normen in acht zijn genomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat onvoldoende wederhoor is toegepast en dat eenzijdig en tendentieus is bericht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat.

De Raad overweegt dat in de uitzending de politieke situatie in Curaçao, het uitgelekte memo van de Veiligheidsdienst en de (mogelijke) rol van klager daarbij aan de orde zijn gesteld. Het kan maatschappelijk relevant en journalistiek geboden zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij onoorbare praktijken. 
Verweerders hebben aannemelijk gemaakt dat zij ter zake deugdelijk onderzoek hebben verricht en dat er voldoende aanleiding bestond over de kwestie te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. Daarbij is relevant dat het gaat om een premier van een land waarmee Nederland nauwe betrekkingen heeft. Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van de uitzending – de wijze van presenteren van feiten en meningen – de kijker voldoende ruimte om zich een eigen oordeel te vormen over de handelwijze van klager. Verweerders hebben in zoverre niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat een journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor dient toe te passen bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
De Raad stelt vast dat in de uitzending aantijgingen aan klagers adres worden geuit die hem (ook) persoonlijk betreffen. Het vragen van een reactie aan de communicatieafdeling van klager kan in zo een geval – ongeacht hoe dat is verlopen – niet worden gezien als een deugdelijke toepassing van het beginsel van wederhoor. Klager had zelf in de gelegenheid moeten worden gesteld om op die beschuldigingen te reageren. Het had daarbij op de weg van verweerders gelegen om klager daarvoor tijdig te benaderen. Zij hadden daarbij rekening dienen te houden met de omstandigheid dat klager – gezien zijn functie – mogelijk beperkt beschikbaar zou zijn. Verweerders hebben echter pas kort vóór de uitzending getracht klager te benaderen voor een reactie. Toen bleek dat klager op het door verweerders gewenste moment niet in het land was, hebben zij hem uiteindelijk niet meer de mogelijkheid gegeven zelf te reageren. In haar brief van 13 april 2012 heeft de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken van Curaçao er bij verweerders nog op aangedrongen dat alsnog te doen. Dat verzoek hadden verweerders in dit geval niet naast zich neer mogen leggen. De Raad is dan ook van oordeel dat verweerders onder deze omstandigheden het beginsel van wederhoor niet deugdelijk hebben toegepast en dat ze op dit punt journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

BESLISSING

Voor zover de klacht betrekking heeft op onvoldoende toepassing van wederhoor is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Brandpunt en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 12 maart 2013 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, dr. H.J. Evers, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.