2013/45 afgewezen

Samenvatting

Verzoeker heeft een klacht ingediend over de column “Herenleed”. De Raad heeft de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2013/19). Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Verzoeker somt in zijn verzoekschrift slechts een aantal feiten en bezwaren op die ten tijde van de beoordeling van de Raad reeds bekend waren en als zodanig zijn meegewogen bij de beoordeling van de klacht. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

M. Poel
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 22 april 2013 (RvdJ 2013/19) betreffende zijn klacht

tegen

T. van den Berg en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia

Bij brief van 14 mei 2013 heeft M. Poel (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 22 april 2013 inzake zijn klacht tegen T. van den Berg en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerders). Verweerders hebben niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 juni 2013, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

Een van de leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.

DE FEITEN

Bij online klachtformulier van 21 december 2012 met diverse bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen verweerders. De klacht betreft een op 8 november 2012 in De Twentsche Courant Tubantia verschenen column van de hand van Van den Berg met de kop “Herenleed”. De column bevat onder meer de volgende passages:
“Twenterand heeft ze. Twee mannen die je kunt vergelijken met Statler en Waldorf. Voor de jongere lezers onder ons: Statler en Waldorf zijn twee poppen uit de tv-serie De Muppet Show, twee grijsaards die zich vanuit een theaterloge beklagen over het niveau van de show. Het is niet goed of het deugt niet. Over het minste of geringste spuwen zij hun gal. De VVD Twenterand-leden Mannes Poel en Ed Wijnbergen kunnen moeiteloos de act overnemen. Vanaf de publieke tribune volgen de heren steevast de show die door de gemeenteraad wordt opgevoerd.”
en
“Aan die aanwezigheid verbinden de lokale Statler en Waldorf bepaalde gunsten. Ze vinden dat ze in de pauze van de ellenlange bespreking van de programmabegroting recht hebben op soep en een broodje. Het journaille mag in de kantine van het gemeentehuis notabene zo maar aanschuiven bij de vertegenwoordigers van het gemeentebestuur. Voorheen worden Statler en Waldorf, pardon, Poel en Wijnbergen wel van een natje en een droogje voorzien. Ditmaal vinden ze slechts de hond in de pot. Blijkbaar zijn de heren zodanig in de war van deze omissie dat ze boos naar huis rijden en onmiddellijk hun grieven in een brief aan het college van burgemeester en wethouders en alle raadsfracties kenbaar maken. Het herenleed is immers niet te overzien, met een knorrende maag kun je toch de debatten niet volgen. Het is een regelrechte aanfluiting vinden Statl…sorry…Poel en Wijnbergen. Werkelijk wat een leed, maar niet heus. Waar maken Poel en Wijnbergen zich druk over. Alsof het gemeentehuis niets anders te doen heeft dan deze liberale mannetjes in de watten te leggen. Het gemeentehuis is nu eenmaal geen gaarkeuken. Aan de andere kant, Twenterand heeft nu wel Statler en Waldorf look-a-likes.”

Kern van de klacht is dat de column in strijd is met de journalistieke zorgvuldigheid, nu kwetsend over klager is bericht zonder dat wederhoor is toegepast, waarbij verweerders gebruik hebben gemaakt van een niet-openbare e-mail van klager.

Bij uitspraak van 22 april 2013 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard en daarbij onder meer het volgende overwogen:
“De vergelijking met Waldorf en Statler acht klager wellicht onwenselijk, maar het gebruik ervan kan – objectief bezien – in de gebruikte context niet als zodanig kwetsend of beledigend worden aangemerkt dat daarmee de grenzen van het toelaatbare zijn overschreden. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat de column de persoonlijke mening van Van den Berg behelst en dat de column ironisch is bedoeld. Gelet op het voorgaande bestaat evenmin grond voor de conclusie dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten wederhoor toe te passen.
Verder acht de Raad het in dit geval niet ontoelaatbaar dat verweerders gebruik hebben gemaakt van een e-mail die klager aan de fractievoorzitters en wethouders persoonlijk heeft gestuurd. Dat de e-mail niet voor publicatie bestemd was, doet niet ter zake. Klager had bij verzending rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de inhoud, die betrekking heeft op een openbare kwestie, op straat zou komen te liggen. Daarbij komt dat de e-mail geen privé-informatie van klager bevat.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker handhaaft zijn standpunt dat de betrokken journalist ernstig onbehoorlijk heeft gehandeld. Volgens hem zijn verweerders met de plaatsing van de column hun journalistieke boekje te buiten gegaan. Verzoeker meent dat een aantal door hem ingebrachte feiten en argumenten niet of te weinig zijn meegewogen door de Raad. Ten eerste zet verzoeker vraagtekens bij de in het verweerschrift geponeerde stelling dat hij een vaste bezoeker van raads- en/of commissievergaderingen zou zijn en dat dit mede grondslag zou zijn voor de column. Verzoeker betwist dat Van den Berg hem zou kennen of zou weten hoe hij in elkaar steekt op basis van het twee à drie keer per jaar bezoeken van een raadsvergadering. Ten tweede wijst verzoeker erop dat verweerders in een schriftelijke reactie op zijn klaagschrift hebben toegegeven dat de column weinig vleiend is. Ten derde benadrukt verzoeker dat hij destijds bij het college van B&W en de raadsfracties geen bezwaar heeft gemaakt tegen het niet mogen aanschuiven bij het eten an sich maar tegen het moment dat werd medegedeeld dat er niet mocht worden aangeschoven. Als de journalist verzoekers bezwaar tegen de communicatie in zijn column had verwerkt was hij correct geweest. Het is onbetamelijk dat hij dit heeft nagelaten, aldus verzoeker. Ten vierde stelt verzoeker dat het voor de lezer niet duidelijk is dat de column een persoonlijke mening betreft nu de betrokken journalist niet alleen een wekelijkse column schrijft maar ook dagelijkse zaken die berusten op feiten in de krant verwoordt. Ten vijfde is verzoeker van mening dat de wijze waarop een persoonlijke
e-mail van zijn hand onder ogen van de betrokken journalist is gekomen onbehoorlijk is.

Verzoeker stoort zich diep aan de wijze waarop hij te kijk is gezet door een journalist die hij niet kent. Verzoeker kan zich er niet bij neerleggen dat liegen en zaken uit zijn verband rukken blijkbaar is geoorloofd in een column.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.     
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Kern van het herzieningsverzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker in zijn verzoekschrift niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 22 april 2013 (RvdJ 2013/19) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Verzoeker somt in zijn verzoekschrift slechts een aantal feiten en bezwaren op die ten tijde van de beoordeling van de Raad reeds bekend waren en als zodanig zijn meegewogen bij de beoordeling van de klacht. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 16 augustus 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, ir. B.L. Hooghoudt en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N’Daw, plaatsvervangend secretaris.