2013/44 gegrond

Samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen het artikel “Het dossier Schulp tekent moreel echec kunstsector” met de onderkop “Klunzende en beunende cultuurpausen, wethouders en ambtenaren”.
Volgens de Raad is duidelijk dat aan het artikel een gedegen onderzoek van verweerders ten grondslag ligt. Vast staat ook dat drie van de vier in het artikel geuite ernstige beschuldigingen nooit aan klager zijn voorgelegd. De beschuldigingen zijn deels afkomstig van bronnen met welke klager zakelijk of anderszins in conflict is (geweest). Doorgaans kan niet worden uitgesloten dat de beschuldigde aantoonbaar kan weerleggen wat uit bronnenonderzoek naar voren komt of lijkt te komen. Het verweer dat in dit geval geen wederhoor kon worden toegepast omdat klager dan mogelijk ongemerkt veranderingen zou aanbrengen in diverse administraties van organisaties en overheidsinstanties – waar hij niet (meer) werkzaam is – acht de Raad niet steekhoudend. Door de beschuldigingen aan klagers adres te publiceren, zonder klager in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, hebben verweerders journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
R.J. Schulp
 
tegen
 
W.F. Mes en de hoofdredacteur van de Roskam
 
Bij brief van 8 mei 2013 met één bijlage heeft R.J. Schulp te Enschede (hierna: klager) een klacht ingediend tegen W.F. Mes en de hoofdredacteur van de Roskam (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord in een brief 6 juni 2013 met bijlagen. Klager heeft daarop gereageerd bij brief van 18 juni 2013 met bijlagen. Verweerders hebben daarop nog geantwoord met een schrijven van 25 juni 2013.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 juni 2013. Klager is daar verschenen, vergezeld door zijn zus. Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde Mes en H. Pape, hoofdredacteur, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 26 april 2013 is in de Roskam een artikel van de hand van Mes verschenen onder de kop “Het dossier Schulp tekent moreel echec kunstsector” met de onderkop “Klunzende en beunende cultuurpausen, wethouders en ambtenaren”. Het artikel zet uiteen dat er in de culturele, gesubsidieerde wereld personen zijn die zich willens en wetens planmatig verrijken, waarbij klager als voorbeeld van zo'n persoon wordt aangeduid. De handel en wandel van klager in de culturele wereld wordt, als rode draad van het artikel, onder de loep genomen. Het artikel wordt als volgt ingeleid:
“Volgens zeer recente jurisprudentie mogen subsidiegevers zoals gemeenten geen maximum stellen aan de salarissen van bijvoorbeeld managers in de kunstwereld. Boeiend, maar nog veel boeiender is het als zo'n manager zichzelf naast zijn salaris extra gaat belonen, zonder toestemming van zijn bestuur. En geen ambtenaar of politicus gaat dat geld terug halen. Het dossier van Ronald Schulp, ex-directeur van het Kunstcentrum AKKUH in Hengelo, is boeiende lectuur. Al is hij zeker niet de enige die in Twente wel erg losjes omgaat met gemeenschapsgeld.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Schulp bestond het om naast zijn, riante, vergoeding als directeur zichzelf ook nog extra te belonen voor overwerk, zo'n slordige veertigduizend euro. Per jaar. Zonder toestemming van zijn bestuur en Raad van Toezicht.”
en
“Maar er is meer aan de hand, Want Schulp verdient er nog altijd een leuk zakcentje bij, bijvoorbeeld als penningmeester van SART. Je kunt je afvragen of de man weleens slaapt, zo druk moet hij zijn geweest. Naar eigen zeggen was Schulp alleen al in 2012 honderden uren kwijt aan SART. 'In de baas zijn tijd', zoals hij zelf zegt.”
en
“Op vrijdag gezellig uit eten met je geliefde, zonder kosten? Vraag er twee extra gasten uit het culturele kringetje of de pers bij en je betaalt met de pinpas van je organisatie. Overleg, netwerken. Als je echt schaamteloos bent, declareer je die urenlange slemppartij nog als overuren ook.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel een persoonlijke, ongefundeerde aanval is op zijn eer, goede naam en persoonlijke integriteit. Volgens klager hebben verweerders hem zwartgemaakt door hem openlijk en zonder mogelijkheid tot wederhoor te beschuldigen van zaken waarvan zij wisten of hadden kunnen weten dat deze onwaar en/of onjuist zijn. Met de publicatie is klagers naam als integere subsidie-aanvrager bij overheid en fondsen, en als sponsorwerver te grabbel gegooid. Zijn privacy is aangetast zonder dat dit in verhouding staat tot het belang van het artikel. Daarnaast ondervindt klager als gevolg van het artikel forse imagoschade, mentale schade en financiële schade. Als 61-jarige werkloze hoeft klager, na deze publicatie, niet meer te rekenen op een bij zijn niveau passende functie in de regio. Tevens heeft klager gemerkt dat mensen door het artikel ten onrechte op hem zijn gaan neerkijken.
Klager licht toe dat voor de in het artikel geuite beschuldigingen geen deugdelijke grondslag bestaat. De door verweerders ten tonele gevoerde 'anonieme' bronnen kunnen aantoonbaar worden herleid naar een voormalige projectleider van de stichting ARTwekkelo (SART) en één of meerdere leden van de Raad van Toezicht van zijn voormalige werkgever Aktuele Kunst Hengelo (AKKuH). Het bestuur van SART heeft na een conflict tussen twee projectleiders maandenlang tevergeefs gepoogd één van de projectleiders te behouden. Daaropvolgend is een sfeer van rancuneus handelen ontstaan. Verder is er sprake van een arbeidsconflict met zijn voormalige werkgever AKKuH. Er was dan ook voldoende reden voor verweerders om bijzondere zorgvuldigheid te betrachten en de deugdelijkheid van de beweringen van de bronnen vast te stellen. Die zorgvuldigheid had op zijn minst moeten leiden tot het toepassen van wederhoor. Klager had in de gelegenheid moeten worden gesteld om te reageren op de aantijgingen. Hoewel hier alle gelegenheid voor was, hebben klagers dit nagelaten. Nadat Mes met een beroep op de Wet openbaarheid bestuur inzage had verkregen in de dossiers van een project van SART, heeft op initiatief van SART op dinsdag 16 april 2013 een gesprek van circa anderhalf uur met Mes, de voorzitter van SART en klager plaatsgevonden over het project. Uitspraken van klager uit dat gesprek zijn in het artikel in een andere context opgenomen dan waarin de uitspraken zijn gedaan. Zo is bijvoorbeeld de uitspraak van klager over het 'werken in de baas zijn tijd' uit zijn verband gerukt. Klager noemt voorts vier beschuldigingen die in het artikel worden genoemd, maar die in het geheel niet met hem zijn besproken. Het gaat om de volgende beschuldigingen: 1) klager zou zich zonder toestemming van het bestuur hebben beloond voor overwerk; 2) klager zou de gemeente Hengelo met allerlei smoezen hebben afgehouden; 3) klager zou de Raad van Toezicht van AKKuH op het verkeerde been hebben gezet; 4) klager zou in de baas zijn tijd honderden vrijwilligersuren voor het SART project hebben gemaakt. Klager stelt dat hij al deze beschuldigingen op basis van argumenten en inzage in documenten had kunnen ontzenuwen. Vanwege een geheimhoudingsclausule in de beëindigingovereenkomst met zijn voormalige werkgever is klager niet volledig vrij te reageren. Dat wil echter niet zeggen dat hij niet het een en ander had kunnen weerleggen, mede aan de hand van overige documenten die in zijn bezit zijn. Het toepassen van wederhoor had een heel ander of helemaal geen artikel opgeleverd. Verweerders hebben geen plausibele reden genoemd waarom is afgezien van wederhoor. De onterechte beschuldigingen zijn niet alleen feitelijk onjuist, maar tevens op een uiterst suggestieve wijze beschreven. De wijze van journalistiek bedrijven – de eenzijdige, rancuneuze verslaglegging en de opruiende toon – duidt volgens klager op een tunnelvisie aan de zijde van verweerders. Dit is in strijd met wat van een goed journalist mag worden verwacht. Klager herkent in het artikel niet de Roskam waaraan hij zelf verschillende bijdragen heeft mogen leveren in het debat over de waarde van cultuur voor de samenleving.
 
Verweerders stellen dat zij gedurende een half jaar zorgvuldig onderzoek hebben gedaan, waarbij meerdere bronnen zijn geraadpleegd, veel gesprekken zijn gevoerd, en meerdere administraties en correspondenties zijn ingezien. Voor alle in het artikel gebruikte informatie, en specifiek de informatie met betrekking tot klager, zijn bronnen beschikbaar. Verweerders willen de interviews niet prijsgeven omdat hun bronnen hebben geuit dat zij bang zijn voor juridische intimidatie en andere voor hen en hun omgeving schadelijke gedragingen van klager. Daarom is aan deze bronnen geheimhouding beloofd. Alle bronnen zijn echter bekend bij de hoofdredacteur. De voor het artikel gebruikte informatie is onder meer geverifieerd door (ex)bestuursleden van stichting AKKUH, ambtenaren van de gemeente Hengelo, en de financiële administratie van stichting AKKUH. De quote over het 'in de baas zijn tijd' uren maken voor SART is een letterlijk door klager uitgesproken quote uit het interview van 16 april 2013 met klager en de voorzitter van SART. Tijdens het interview is klager specifiek gevraagd naar zijn inspanningen voor SART in de tijd dat hij directeur van AKKUH was en is hem tevens gevraagd of hij in die periode declaraties had ingediend bij SART. Volgens verweerders heeft klager daarop gezegd “Ik heb al heel veel uren voor SART gemaakt toen ik nog directeur van AKKUH was, dus in de baas zijn tijd.” Verweerders stellen dat dit bovendien is bevestigd door meerdere bronnen en blijkt uit onder meer de administratie van een SART project bij de DLG. De opmerking over het op vrijdagavond declareren van een diner staat in de context van de regionale, culturele mores en is evident niet specifiek gericht op klager.
Voor publicatie heeft Mes overleg gepleegd met de hoofdredacteur over de vraag of het artikel voorafgaand aan publicatie aan klager ter inzage moest worden gegeven. Gezien de aanzienlijke ervaring die klager heeft met administratieve processen en de mogelijkheid dat er, na inzage en voorafgaand aan publicatie, aanpassingen gedaan zouden worden in de administraties, is hiervan afgezien. Aanpassingen na publicatie zouden immers opvallen, aanpassingen voorafgaand aan de publicatie wellicht niet. Het maatschappelijk belang woog in dit geval zwaarder dan het belang van klager. Gezien ook het belang van het artikel voor de besturen waarin klager in 2013 deelneemt, onder meer als penningmeester, was er aanleiding om terughoudend te zijn met het aan hem vooraf verstrekken van informatie. Daar de belangrijkste feiten worden bevestigd door onverdachte overheidsbronnen en een interview met klager zelf, was de afweging van de hoofdredacteur dat voorinzage niet opportuun was. Verweerders merken hierbij op dat zij niet verplicht waren om vooraf toestemming te vragen aan klager om het artikel te publiceren.
Het gewraakte artikel borduurt voort op een discussie in de Roskam over hoe kunst en cultuur in de regio zowel bestuurlijk als maatschappelijk onder vuur liggen. Van kunstenaars wordt vaak tegen geen of geringe vergoeding een prestatie gevraagd terwijl veel geld voor kunst en cultuur besteed wordt aan gebouwen en managementfees. In dat licht was er een groot maatschappelijk belang om een concreet voorbeeld te behandelen in een analyse, temeer daar er nieuwe subsidierondes op stapel stonden. In het artikel wordt daarom ook naar meerdere partijen verwezen die van belang zijn voor de culturele mores in de regio. Omdat de Roskam een podium is voor debat, had klager na de publicatie zelf een stuk kunnen inzenden respectievelijk een ingezonden brief kunnen sturen (die ook zeker, mits qua omvang passend, geplaatst zou zijn) waarin hij zaken die in zijn ogen niet juist zijn had kunnen weerleggen. Deze mogelijkheid staat nog steeds open. Voor zover het zo zou zijn dat klager na de publicatie moeilijker aan het werk kan komen, moet worden betwist dat dit het gevolg is van de publicatie. Er zijn namelijk diverse andere factoren aan te wijzen die aan die situatie debet kunnen zijn, zoals de economische crisis en de wijze waarop klager in het verleden zijn taak heeft vervuld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat ernstige beschuldigingen aan klagers adres zijn gepubliceerd zonder dat wederhoor is toegepast. Nu hem de mogelijkheid is ontnomen een reactie te geven op de geuite beschuldigingen, zijn die beschuldigingen onweersproken gebleven. Daardoor is het artikel onzorgvuldig, zo meent klager.
 
De Raad ziet aanleiding klagers klacht te honoreren. Daarbij overweegt de Raad dat het artikel uitlatingen bevat waardoor klager in hoge mate wordt gediskwalificeerd. De beschuldigingen zijn deels afkomstig van bronnen met welke klager zakelijk of anderszins in conflict is (geweest). Verweerders hadden bij het publiceren van het artikel bijzondere zorgvuldigheid in acht moeten nemen. Dit houdt in het algemeen in dat wederhoor wordt toegepast.
 
Duidelijk is dat aan het artikel een gedegen onderzoek van verweerders ten grondslag ligt. Vast staat echter ook dat drie van de vier in het artikel geuite ernstige beschuldigingen nooit aan klager zijn voorgelegd. Doorgaans kan niet worden uitgesloten dat de beschuldigde aantoonbaar kan weerleggen wat uit bronnenonderzoek naar voren komt of lijkt te komen. Het verweer dat in dit geval geen wederhoor kon worden toegepast omdat klager dan mogelijk ongemerkt veranderingen zou aanbrengen in diverse administraties van organisaties en overheidsinstanties – waar hij niet (meer) werkzaam is – acht de Raad niet steekhoudend.
 
Door de beschuldigingen aan klagers adres te publiceren, zonder klager in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, hebben verweerders journalistiek onzorgvuldig gehandeld. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Roskam te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 augustus 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. dr. Y.M. de Haan, ir. B.L. Hooghoudt en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N’Daw, plaatsvervangend secretaris.