2013/43 ongegrond

Samenvatting

Op 5 en 6 april 2013 zijn in de papieren editie en op de website van Trouw artikelen verschenen over vermeende banden tussen klaagster en gewapende groeperingen in Syrië. Kern van de klacht is dat in de publicaties onjuist, eenzijdig en tendentieus over klaagster is bericht en dat klaagster onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden.
Volgens de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat op basis van hun onderzoek aanleiding bestond om te berichten over klaagster zoals zij hebben gedaan. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat enkele beschreven details feitelijk onjuist zijn, is niet gebleken dat verweerders daarmee journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. Verder staat vast dat verweerders contact hebben opgenomen met klaagster. Daarbij is een meningsverschil ontstaan over de voorwaarden waaronder klaagster bereid was mee te werken aan een interview. Gebleken is dat zowel verweerders als klaagster bereid zouden zijn geweest een interview te houden waarvan geluidsopnamen (geen beeldopnamen) werden gemaakt. Ten tijde van de onderhandeling hebben partijen echter niet tot deze afspraak kunnen komen, waarna klaagster heeft afgezien van medewerking. Daarna hebben verweerders gemeld een e-mail te zullen sturen. Klaagster had dan ook kunnen weten dat de mogelijkheid bestond dat haar op korte termijn via deze weg vragen zouden worden voorgelegd. Verweerders hebben een weliswaar korte, maar niet onredelijk korte, deadline gesteld. Klaagster had op de e-mail kunnen reageren met een verzoek om enig uitstel voor beantwoording daarvan. Niet kan worden geoordeeld dat verweerders de journalistieke norm van hoor en wederhoor hebben geschonden. Daarbij weegt de Raad mee dat Mulder op 5 april tevergeefs heeft gebeld met de voorzitter van klaagster met het verzoek alsnog zijn weerwoord te geven, opdat dit kon worden meegenomen in een publicatie van 6 april 2013.  De Raad ziet ook verder in door klaagster aangevoerde argumenten geen grond voor de conclusie dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Stichting S.O.S.
 
tegen
 
G. Dahhan, E. Mulder, P. Ramesar en de hoofdredacteur van Trouw
 
Bij brief van 1 mei 2013 met diverse bijlagen heeft mr. M.J.J.E. Stassen te Tilburg namens Stichting S.O.S. (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen G. Dahhan, E. Mulder, P. Ramesar en de hoofdredacteur van Trouw (hierna: verweerders). Bij brief van 14 mei 2013 heeft klaagster enkele stukken nagezonden. Verweerders hebben op de klacht geantwoord in een brief van 24 juni 2013 met diverse bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 juni 2013. Klaagster was daar vertegenwoordigd door mr. Stassen en A. Salam, voorzitter van klaagster. Aan de zijde van verweerders zijn Dahhan, Mulder, Ramesar en W. Schoonen, hoofdredacteur, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 5 en 6 april 2013 zijn in de papieren editie en op de website van Trouw artikelen verschenen over vermeende banden tussen klaagster en gewapende groeperingen in Syrië.
Op 5 april 2013 is in Trouw een artikel van de hand van Dahhan, Ramesar en Mulder gepubliceerd onder de kop “Steun uit Tilburg voor radicalen” en de onderkop “Islamitische liefdadigheidsorganisatie SOS-Stichting heeft banden met djihadistische strijdgroepen Syrië”. Verder is op dezelfde datum een achtergrondartikel gepubliceerd met de kop “Directe lijn naar gewelddadige groepen” en de onderkop “Tilburgs geld ‘voor humanitaire doelen’ kan eindigen in wapens voor Britse en Belgische djihadisten” en een achtergrondartikel met de kop “AIVD volgt familie achter SOS-Stichting al jaren”. Daarnaast zijn op deze datum op de website van Trouw twee artikelen verschenen onder de koppen “Radicalen in Syrië vinden steun in Limburg” en “Geen steun Syrische radicalen” met de onderkop “De islamitische liefdadigheidsorganisatie SOS-Stichting ontkent dat ze banden heeft met twee radicale strijdgroepen in Syrië”.
Vervolgens is op 6 april 2013 in de papieren editie van Trouw een artikel verschenen onder de kop “Sta eindelijk op tegen salafistische predikers” en de onderkop “Kamervragen over banden liefdadigheidsclub met radicalen”.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat verweerders de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek op essentiële onderdelen hebben geschonden. De gewraakte artikelen zijn op een eenzijdige manier tot stand  gekomen, zonder dat daar gedegen onderzoek aan ten grondslag ligt en zonder klaagster daar (volledig) in te betrekken. Klaagster is met betrekking tot de artikelen die gepubliceerd zijn op 5 april 2013 benaderd door verweerders. Verweerders wilden een artikel wijden aan het goede doelen werk van de stichting. Zij wilden met name weten hoe klaagster geld inzamelde voor goede doelen en vroegen een reactie op het feit dat de televisieactie voor Syrië zo weinig had opgeleverd. Verweerders zijn op de hoogte gesteld dat het aanspreekpunt van klaagster op dat moment in het buitenland was. Vanwege eerdere slechte ervaringen met journalisten heeft klaagster daarop nadere voorwaarden gesteld voor de medewerking aan een interview, maar die voorwaarden zijn niet geaccepteerd. Hierop heeft klaagster verzocht om opname van het interview. Volgens klaagster wilden verweerders ook aan deze voorwaarde niet tegemoetkomen. Op dat moment heeft klaagster te kennen gegeven niet te willen meewerken aan een interview met verweerders. Groot was de verbazing van de voorzitter van klaagster toen hij na terugkomst uit het buitenland – een omstandigheid waarvan verweerders op de hoogte waren – op 4 april 2013 's avonds een e-mail met vragen van verweerders in zijn mailbox aantrof. Pas toen bleek de ware reden voor het interview, te weten de vermeende banden met radicalen in Syrië. In de e-mail stond bovendien een voor klaagster onmogelijke deadline van slechts enkele uren. Op het moment dat klaagster de e-mail zag, was de deadline al verstreken en stond het artikel volgens klaagster al op internet. Klaagster is dus niet op een deugdelijke wijze de gelegenheid geboden te reageren op de stellingen van de krant, wat een schending is van punt 2.3.1. van de Leidraad. In de artikelen staan immers beschuldigingen waarop klaagster niet zonder onredelijke tijdsdruk heeft kunnen reageren. Ook is punt 2.7.1. van de Leidraad geschonden nu verweerders in eerste instantie niet kenbaar hebben gemaakt met welk doel de krant een interview wilde. In de contacten van verweerders met klaagster ging het enkel over het inzamelen van geld voor de goede doelen van stichting S.O.S., en zijn de onderwerpen die in de vragen uit de e-mail aan de orde kwamen nooit aan bod geweest.
Voorts staan er ongefundeerde stellingen, beweringen en onwaarheden in de artikelen die niet controleerbaar zijn. Zo wordt stellig verkondigd dat klaagster banden heeft met zeer radicale strijdgroepen in het noorden van Syrië. Dit is als waarheid gepubliceerd, terwijl het onwaar is. Er is geen enkel voorbehoud gemaakt en geen enkele motivering gegeven. De volgende stelling is dat de Arabische naam van klaagster dezelfde is als de naam van één van de bewuste strijdgroepen. Wederom wordt hier geen voorbehoud gemaakt en geen motivering gegeven. De bewering is niet waar. De namen lijken weliswaar op elkaar, maar ze zijn absoluut verschillend, zeker als het gaat om de betekenissen van de naam. Vervolgens beweert de krant dat 'uit goed ingevoerde bronnen' blijkt dat de geestelijke vader van de Syrische strijdgroep, sjeik Adnan al-Aroer, warme relaties onderhoudt met de in Tilburg werkzame imam Ahmad Salam. Ook deze bewering is onwaar. De beweerdelijke banden zijn er niet. Er is hooguit sprake van gebruikelijke contacten tussen imams over het uitwisselen van kennis. Dat is iets anders dan warme relaties. Bovendien heeft de Tilburgse imam niets met klaagster van doen. Het adres van de moskee is daarnaast een andere dan het adres van klaagster. De krant stelt verder dat er in een benefietuitzending van klaagster flink werd gescholden op sjiieten. Ook dat is niet waar. Er is door de krant een verkeerde vertaling gehanteerd en mitsdien zijn er verkeerde conclusies aan de uitzending verbonden. Klaagster heeft juist opgeroepen om niet te gaan strijden in Syrië. Door verweerders is verder gewezen op een filmpje van klaagster, waarin volgens de krant in de eerste helft menselijk leed werd vertoond, en in de tweede helft zogenaamde heldhaftige strijders. Het filmpje doet volgens verweerders denken aan rekruteringsfilmpjes van extremisten in Afghanistan of Tsjetsjenië. Het filmpje is echter niet door klaagster gebruikt en heeft bovendien een andere invulling dan door de krant beschreven. De gevolgtrekkingen die verweerders maken zijn helemaal bizar: strijders zijn ook op het journaal te zien, op geen enkele wijze is uitgelegd waarom dit filmpje doet denken aan de genoemde rekruteringsfilmpjes. Met betrekking tot het artikel met de kop “Geen steun Syrische radicalen”, en de onderkop “De islamitische liefdadigheidsorganisatie SOS-Stichting ontkent dat ze banden heeft met twee radicale strijdgroepen in Syrië” dat op 5 april 2013 op de website van Trouw verscheen stelt klaagster het volgende. Op het moment van publicatie van dit artikel was het kwaad al geschied en kon klaagster enkel nog in de verdedigende rol gaan. Maar zelfs daarvoor kreeg klaagster geen ruimte. De krant citeert het weerwoord van klaagster, zoals door haar gegeven aan de NOS, maar gaat vervolgens weer in op het reeds aangehaalde filmpje. Weer is het filmpje verkeerd uitgelegd en weer is er een verkeerde interpretatie van gegeven. Daarop volgt een onjuiste uiteenzetting over een broer van de heer Salam, en een uiteenzetting over een Turkse politicus en Belgische radicalen. Met deze uiteenzetting is kennelijk getracht klaagster nog verder in een kwaad daglicht te stellen, terwijl er op geen enkele manier banden met klaagster zijn aangetoond. De berichtgeving is tendentieus, en op geen enkele manier is geprobeerd een voorbehoud te maken. Vervolgens worden de stellingen dat klaagster banden heeft met radicale groeperingen in Syrië weer aangehaald, terwijl verweerders al via de NOS en Omroep Brabant hadden kennisgenomen van het standpunt van klaagster. Voorts is het voorval erbij gehaald dat de Tilburgse imam Ahmad Salam de hand van toenmalig minister Verdonk weigerde te schudden. Zoals eerder aangegeven heeft deze imam geen enkele band met klaagster en is ook deze berichtgeving weer tendentieus en suggestief. Ten slotte wordt beweerd dat de radicale Belg Belkacem een bezoeker is van Salam. Los van het feit dat deze berichtgeving uitdrukkelijk onjuist is, is ook niet aangeduid welke Salam is bedoeld: de imam A. Salam, de oprichter en voorzitter van klaagster A. Salam of één van de broers Salam? Ook de stelling dat Salam (welke?) invloed had op deze radicale Belg is volstrekt onjuist. De denkwijze van radicale moslims is absoluut niet de denkwijze van klaagster. Dit artikel berust dus wederom louter op onwaarheden en onterechte suggesties. Verweerders hadden ten tijde van de totstandkoming van dit artikel het standpunt van klaagster al vernomen via de NOS en Omroep Brabant maar hebben haar desondanks weer geen mogelijkheid gegeven om te reageren.
Klaagster heeft enkel als doel het wereldwijd, dus niet enkel in Syrië, verlenen van hulp na natuurrampen, tijdens oorlog en andere humanitaire rampen. Alle geldstromen lopen gewoon via de bank, er is een boekhouding en een boekhouder, en middels live-streams wordt het publiek op de hoogte gehouden van de acties van klaagster. De gevolgen van de handelwijze van verweerders zijn groot. Niet alleen is klaagsters naam zwart gemaakt, ook de inzameling voor de te geven humanitaire hulp stagneert. Instanties en natuurlijke personen die al hadden toegezegd geld voor humanitaire doelen te geven, zijn na bovenstaande berichtgeving afgehaakt. Voorts zijn er Kamervragen gesteld, waarbij het gestelde in het hiervoor genoemde artikel voor waar is aangenomen. De minister heeft gelukkig wel in alle objectiviteit geantwoord, en de stellingen van de krant niet overgenomen. Klaagster verzoekt de Raad om de klacht ontvankelijk en gegrond te verklaren, zo mogelijk met het opleggen van de verplichting aan de krant om over te gaan tot een rectificatie.
 
Verweerders stellen dat zij met open vizier zijn opgetreden en dat zij voldoende ruimte hebben geboden voor weerwoord. Klaagster betreft een stichting die behalve een Nederlandse ook een Arabische naam heeft, die tevens de naam is van een Syrische strijdgroep. Op 2 maart 2013 mocht 'de vader van de Syrische jihad', sjeik Adnan Aroer, optreden in een benefietuitzending van klaagster, die uitgezonden is op de website van klaagster. Op het moment dat verweerders contact opnamen met klaagster kon zij daarom redelijkerwijs aannemen dat het over deze en andere aanverwante onderwerpen zou gaan. Op 3 april 2013 hebben de redacteuren Ramesar en Dahhan drie korte en verwarde telefoongesprekken gevoerd met de voorzitter van stichting S.O.S., de heer A. Salam, meermaals onderbroken door woedeaanvallen van laatstgenoemde. Onder die omstandigheden was het moeilijk om expliciet duidelijk te maken waarover zij het met hem wilden hebben. De heer Salam stelde voorwaarden waarmee verweerders niet akkoord konden gaan. Zo eiste hij dat hij de complete tekst zou mogen inzien, wilde hij dat alleen gepubliceerd zou worden na zijn goedkeuring en wilde hij alleen akkoord gaan met een interview als daar beeldopnamen van zouden worden gemaakt. De heer Salam bevond zich ten tijde van de telefoongesprekken in Turkije en zei dat hij de volgende dag, op 4 april 2013, om 12.00 uur 's middags in Tilburg zou arriveren zodat het gesprek wat hem betrof, om 16.00 uur in Tilburg zou kunnen plaatsvinden onder de door hem gestelde voorwaarden. Verweerders konden en hoefden met de gestelde voorwaarden niet akkoord gaan. De heer Salam wilde vervolgens geen contact meer met verweerders, wat zij hebben opgevat als een weigering om commentaar te geven. Desondanks hebben verweerders gezegd dat hij de volgende dag een e-mail met vragen kon verwachten. De heer Salam antwoordde daarop dat hij geen e-mail wilde. Niettemin hebben verweerders op 4 april 2013 om 14.22 uur een e-mail met vragen aan de heer Salam verzonden. De heer Salam had dan ook geen reden om verbaasd te zijn toen hij de e-mail aantrof. Ook de inhoud kan hem onmogelijk hebben verrast. Verweerders betwisten dat zij een onredelijke deadline hebben gesteld. Nu de heer Salam zich eerder in staat achtte om onder zijn voorwaarden een gesprek met verweerders te hebben om 16.00 uur in Tilburg mocht hij ook in staat worden geacht een e-mail voor 18.00 uur te beantwoorden. Daarbij komt dat de heer Salam in de telefoongesprekken nooit heeft aangevoerd dat hij meer tijd nodig zou hebben om adequaat te reageren. Op de dag van de publicatie, 5 april 2013, heeft redacteur Mulder nogmaals telefonisch geprobeerd een reactie te krijgen van de heer Salam zodat zijn weerwoord kon worden gepubliceerd in de krant van 6 april 2013. De heer Salam meldde toen alleen nog via zijn advocaat te willen reageren. De reactie van de heer Salam op de artikelen is overigens wel degelijk gepubliceerd, zij het op basis van wat andere bronnen (NOS, Omroep Brabant) daarover berichtten. Verweerders menen dan ook ruimschoots te hebben voldaan aan de artikelen 2.3.1. en 2.7.1. van de Leidraad.
Verweerders stellen voorts dat zij met deugdelijk onderbouwde artikelen correct, waarheidsgetrouw en niet tendentieus hebben bericht over een onderwerp dat van groot maatschappelijk belang is. Zowel klaagster als een Syrische strijdgroep noemt zich Ansar al-Shaam. Ook in Arabisch schrift is er geen verschil, wat door twee van de drie betrokken redacteuren kan worden bevestigd, omdat zij Arabisch spreken en lezen. Verweerders citeerden op de voorpagina van Trouw van 5 april 2013 zeer vijandige uitspraken die in de benefietuitzending van klaagster van 29 maart 2013 zijn gedaan over sjiitische moslims. Volgens klaagster zou daarbij een verkeerde vertaling zijn gebruikt en zijn er geen lelijke dingen gezegd over sjiieten. Er is echter helemaal geen vertaling gebruikt want de buitengewoon ophitsende uitspraken zijn in het Nederlands gedaan. Ook voor Nederland is het religieuze conflict tussen sjiieten en alawieten relevant omdat hier zowel sjiieten als alawieten wonen. Daarom zijn de uitspraken van (sprekers die zijn uitgenodigd door) klaagster relevant voor Nederland en was er een maatschappelijk belang mee gemoeid ze te publiceren. Verweerders hebben in de publicaties verder gewag gemaakt van een filmpje, dat te zien was op het YouTubekanaal van Bilal Salam, de jongere broer van de heer Salam. Het eerste deel van dit filmpje bevat beelden van menselijke nood in Syrië, maar de tweede helft bracht onder meer 'helden' in beeld die bermbommen plaatsten. Dit deed verweerders denken aan rekruteringsfilmpjes van extremistische strijdgroepen elders in de moslimwereld. In het tweede deel van het filmpje verschijnt het rekeningnummer van klaagster in beeld, alleen daarom al valt het filmpje niet te vergelijken met beelden uit een neutraal nieuwsjournaal. Verweerders hebben nergens beweerd dat dit filmpje op de website van klaagster is vertoond. Verweerders verwerpen de stelling van klaagster dat zij niet kunnen bewijzen dat de radicale Syrische prediker Adnan Aroer warme relaties onderhoudt met Ahmad Salam, de vader van de heer Salam. Ook zonder hulp van anonieme bronnen kan worden nagegaan dat Adnan Aroer heeft meegedaan aan een benefietuitzending van klaagster. Informatie over de rol van Adnan Aroer binnen de wereld van de Syrische radicaal islamitische strijdgroepen en zijn radicale uitspraken en oproepen om te gaan vechten in Syrië zijn op talloze Arabische en niet-Arabische websites en in bijvoorbeeld een rapport van de Jamestown Foundation, een denktank in Washington, te vinden. Wanneer je als organisatie een dergelijk persoon laat optreden als je fondsenwerver dan is dat een politiek statement van belang en lever je het bewijs dat je inderdaad banden onderhoudt met Syrische jihadistische strijdgroepen, en wel via de geestelijk vader ervan. In dit licht achten verweerders de stelling van klaagster dat zij tegen elke vorm van geweld is en mensen juist wil tegenhouden om naar oorlogsgebieden te gaan niet geloofwaardig. Verweerders melden verder dat klaagster groepen moslims oproept geld in te zamelen. De meest succesvolle groep mag een naam verbinden aan haar donatie. De namen die klaagster geeft als suggestie (Aboe Bakr en Omar Ibn Khattab) zijn namen van kaliefen uit de oudste islamitische overlevering, maar het zijn ook namen van brigades in de strijdgroep Ansar al-Shaam, de naamgenoot van klaagster dus. Verweerders hebben verder in de artikelen vermeld dat klaagster heeft opgeroepen niet naar Syrië te gaan, maar hebben daarbij tevens gewezen op de dubbele boodschap hiervan. Enerzijds is er de expliciete boodschap om niet naar Syrië te gaan, anderzijds is er de impliciete boodschap met veel retoriek, die een toehoorder gemakkelijk zou kunnen opvatten als een oproep om juist wel in Syrië te gaan strijden. Verweerders hebben voor het overige in hun ogen gerelateerde informatie verkregen van diverse websites, facebook-  pagina's en YouTubekanalen van personen die gelieerd zijn aan de heer Salam en van de Vlaamse krant De Morgen. Verweerders gaan niet over tot volledige bronnenvermelding, gezien de gevoelige materie, en zijn daartoe ook niet verplicht. Verweerders menen dat de klacht op alle punten ongegrond is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat hij naar aanleiding van een klacht beoordeelt of al dan niet journalistiek zorgvuldig is gehandeld. De Raad doet in dat verband geen zelfstandig feitenonderzoek, zoals in een gerechtelijke procedure het geval is.          
 
Kern van de klacht is dat in de gewraakte artikelen onjuist, eenzijdig en tendentieus over klaagster is bericht en dat klaagster onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden.
 
De Raad overweegt dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Het stond verweerders derhalve vrij om op kritische wijze de verschillende activiteiten van klaagster te belichten en daarmee de kern van hun verhaal te ondersteunen, te weten dat klaagster in verband kan worden gebracht met bepaalde Syrische strijdgroepen. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad) 
 
Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving dient te vermijden en zo waarheidsgetrouw en volledig mogelijk moet berichten. (zie punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad)        

Bij het publiceren van beschuldigingen onderzoekt de journalist of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Bijzondere zorgvuldigheid is geboden in het geval van publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn. Uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving dient voorts bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking te komen dat met betrekking tot negatieve kwalificaties die de belanghebbende raken, wederhoor is toegepast. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)         
 
De Raad is van oordeel dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat op basis van hun onderzoek aanleiding bestond om te berichten over klaagster zoals zij hebben gedaan. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat enkele beschreven details feitelijk onjuist zijn, is niet gebleken dat sprake is van zodanige omissies dat verweerders daarmee journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. Uit de artikelen en het daarin gebezigde taalgebruik blijkt dat de betrokken journalisten aan de hand van uitgebreid bronnenonderzoek tot uiting hebben willen brengen dat er vermoedelijk verbanden (hebben) bestaan tussen klaagster en bepaalde strijdgroepen in Syrië. Partijen verschillen van mening over hoe de communicatie voorafgaand aan de publicatie van de artikelen is verlopen. Vast staat dat verweerders contact hebben opgenomen met klaagster waarbij een meningsverschil is ontstaan met betrekking tot de voorwaarden waaronder klaagster bereid was mee te werken aan een interview. Ter zitting is gebleken dat zowel verweerders als klaagster bereid zouden zijn geweest een interview te houden waarvan geluidsopnamen (geen beeldopnamen) werden gemaakt, echter geconcludeerd moet worden dat partijen ten tijde van de onderhandeling niet tot deze afspraak hebben kunnen komen, waarna klaagster heeft afgezien van medewerking. Verweerders hebben, nadat klaagster te kennen had gegeven niet meer te willen meewerken, gemeld een e-mail te zullen sturen. Klaagster had dan ook kunnen weten dat de mogelijkheid bestond dat haar op korte termijn via deze weg vragen zouden worden voorgelegd. Nu verweerders wisten dat de heer Salam op 4 april 12.00 uur 's middags zou terugkeren in Tilburg hebben zij een weliswaar korte, maar niet onredelijk korte, deadline gesteld tot 18.00 uur. Daarbij verdient nog opmerking dat het klaagster vrij had gestaan, zoals verweerders stellen en de Raad aannemelijk acht, om op de gestuurde e-mail met vragen te reageren met een verzoek om enig uitstel voor beantwoording daarvan. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet worden geoordeeld dat verweerders in strijd met de journalistieke norm van hoor en wederhoor hebben gehandeld. De Raad weegt in zijn oordeel ook mee dat redacteur Mulder nog tevergeefs op 5 april 2013 heeft gebeld met de heer Salam met het verzoek alsnog zijn weerwoord te geven op de publicaties van 5 april 2013, opdat dit kon worden meegenomen in een publicatie van 6 april 2013.
 
De Raad ziet ook verder in door klaagster aangevoerde argumenten geen grond voor de conclusie dat verweerders artikel 2.7.1. van de Leidraad hebben geschonden.
 
De slotsom luidt dat verweerders niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 augustus 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. dr. Y.M. de Haan, ir. B.L. Hooghoudt en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N’Daw, plaatsvervangend secretaris.