2013/32 deels-gegrond

Samenvatting

Klager klaagt, mede namens zijn zoon, over het artikel “Leerling (16) wilde leraar vergiftigen in […]”. Zijn voornaamste bezwaar is dat de kop te stellig en daarmee onjuist is.
Volgens de Raad blijkt op geen enkele wijze uit de kop dat op het moment van publicatie slechts sprake was van een verdenking en dat de gebeurtenis geen vaststaand feit betrof. Aangezien de kop ook niet tussen aanhalingstekens is geplaatst, is aannemelijk dat bij de gemiddelde lezer de indruk is gewekt dat in het artikel over vaststaande feiten wordt bericht. Daarom is de kop in dit geval te stellig verwoord en is op dit punt journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Daarbij merkt de Raad op dat de kop van een artikel mede bepalend is voor de wijze waarop andere media het nieuws oppakken.
Ten aanzien van de inhoud van het artikel heeft verweerder geen journalistieke normen overschreden. Hij heeft het artikel opgesteld aan de hand van de destijds voorhanden feiten en omstandigheden en heeft deze gecheckt voordat hij tot publicatie overging. 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Bij online klachtformulier van 13 december 2012 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager), mede namens zijn zoon Y, een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerder). Klager heeft zijn klacht aangevuld per e-mail van 19 december met een bijlage.
Op 28 januari 2013 heeft tussen partijen een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van de secretaris van de Raad.
Klager heeft per e-mail van 17 februari 2013 laten weten dat de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Bij brief van 12 maart 2013 heeft H. Brinkman, adjunct-hoofdredacteur, op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 april 2013 in aanwezigheid van klager. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 19 november 2011 is in Dagblad de Limburger een artikel verschenen onder de kop “Leerling (16) wilde leraar vergiftigen in […]”. Het artikel luidt als volgt:
“Een zestienjarige jongen uit […] wordt ervan verdacht dat hij een leraar van zijn school heeft willen vergiftigen. Het incident heeft zich afgespeeld in het […] in […]. Het Openbaar Ministerie heeft bevestigd dat de leerling acht dagen in de cel heeft gezeten op verdenking van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De schoolleiding wil alleen kwijt dat de jongen heeft geknoeid met materiaal uit het scheikundelokaal. De […]naar is gisteren voorlopig vrijgelaten. De school heeft hem vanaf maandag geschorst. De gedupeerde leraar is onder doktersbehandeling geweest. Hij is weer gewoon aan het werk bij het […].”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat zijn zoon – voor wiens belangen hij mede opkomt – inderdaad in november 2011 werd verdacht van betrokkenheid bij een incident op zijn school waarbij een leerkracht vergiftigingsverschijnselen opliep. Daarom werd klagers zoon in voorarrest gezet en zat hij ruim zes maanden thuis onder strikte beperking van zijn vrijheid. Uiteindelijk werd klagers zoon van alle blaam gezuiverd. Hij kreeg op 14 november 2012 van de kinderrechter een schadevergoeding toegekend vanwege het ondergane leed. Toch is daarmee voor de zoon van klager de nachtmerrie niet voorbij. Door de publicatie en de brede aandacht die dit bericht genereerde in de landelijke media, heeft klagers zoon een stigma opgelopen. Voor de medeleerlingen was duidelijk om wie het ging in het artikel. Klagers zoon was sinds de aanhouding niet meer op school geweest. Op school hadden dagenlang politieagenten rondgelopen en de school was het middelpunt geweest van journalistieke belangstelling. Volgens klager had verweerder zich bij het maken van het artikel op grond van de informatie die toen beschikbaar was, moeten realiseren dat de kans bestond dat een onwaarheid met grote persoonlijke gevolgen wereldkundig werd gemaakt. Toch heeft de redactie ervoor gekozen om met stelligheid te melden dat het incident zich had voorgedaan op het […] in […]. Klager maakt met name bezwaar tegen de kop. Daarmee is veronachtzaamd dat klagers zoon op het moment van de publicatie slechts verdachte was en de feiten rondom het incident nog allerminst vaststonden. Achteraf is gebleken dat het artikel op onwaarheden is gebaseerd. Er is nooit een leerling geweest die een leraar wilde vergiftigen; het incident heeft zich niet voorgedaan. Het foutieve bericht is vervolgens niet rechtgezet. Er is nooit meer over het incident bericht, ook niet nadat bekend was geworden dat klagers zoon niet zou worden vervolgd. Het artikel van 19 november 2011 is echter nog steeds online terug te vinden.
Ten aanzien van zijn ontvankelijkheid voert klager aan dat hij met het indienen van de klacht bij Dagblad De Limburger heeft gewacht tot na de afwikkeling van de strafzaak met de daar bij horende schadevergoedingsprocedure. Klager wilde verweerders met een rechterlijke uitspraak in de hand doordringen van de onjuistheid van de berichtgeving en de impact die deze heeft gehad op zijn zoon. Ter zitting heeft klager hieraan toegevoegd dat hij zich daarnaast door persoonlijke omstandigheden, betreffende de gemoedstoestand van zijn zoon, genoodzaakt voelde om te wachten met het indienen van een klacht bij verweerder. Klagers zoon is enige tijd totaal van slag geweest. Klager vreesde dat de indiening van de klacht bij de Raad het traumatiserend effect van de gebeurtenissen nog eens zou versterken. Hij vond dat zijn zoon eerst tot bedaren moest zijn gekomen. Pas toen er wat rust in de tent was, heeft hij de klacht bij verweerder aan de orde gesteld. De eerste reactie daarop van verweerder heeft klager als teleurstellend ervaren. Door de uitspraak van de rechter van 14 november 2012 inzake de schadevergoeding voelde klager zich gesterkt in zijn grieven tegen de publicatie en besloot hij alsnog een klacht bij de Raad in te dienen.
 
Verweerder verzoekt de Raad allereerst om klager niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens verweerder heeft klager bij herhaling bewust ervoor gekozen te wachten met het indienen van zijn klacht, terwijl die ruimte er wel was. Klager heeft in een brief te kennen gegeven dat hij wilde wachten totdat de uitkomst van de juridische procedure bekend was. Verweerder meent dat klagers kritiek op de kop van het artikel los staat van de afloop van het onderzoek van het Openbaar Ministerie, zodat klager de uitkomst hiervan niet had hoeven afwachten. Op grond van de feitelijkheden had klager al in een vroeg stadium, in elk geval zeker binnen een half jaar, aan verweerder kunnen laten weten dat hij het niet eens was met de kop. De aarzeling van klager om zich in een vroeg stadium bij verweerder te melden, kan er mee te maken hebben dat hij aanvankelijk ook niet zeker wist of de beschuldiging aan het adres van zijn zoon terecht was of niet. Om zeker te zijn van zijn gelijk, koos hij ervoor het strafrechtelijk onderzoek af te wachten. Deze redenering volgend had verweerder op zijn minst verwacht dat klager zich tot hem had gewend onmiddellijk nadat klager de gewenste zekerheid over de onschuld van zijn zoon zou hebben gekregen. Die zekerheid ontstond op 18 juni 2012, toen justitie klager schriftelijk berichtte dat men afzag van verdere vervolging. Juist nu klager zelf betoogt dat het voor zijn zoon van groot belang was om kenbaar te kunnen maken dat er onvoldoende bewijs was voor de beschuldigingen aan diens adres, was er geen reden om te wachten. Verweerder had op dat moment een publicatie daaraan kunnen wijden, waardoor de lezer kennis had kunnen nemen van het verdere verloop c.q. de afloop van het strafrechtelijk onderzoek. In plaats daarvan koos klager er opnieuw voor te wachten, ditmaal tot de beschikking van de rechtbank over de toekenning van onder meer schadevergoeding er was. Daarmee staat voor verweerder vast dat klager onnodig lang heeft gewacht met het indienen van zijn klacht.
Overigens heeft verweerder de handreiking om tot een (uitgebreide) publicatie te komen, niet alleen in het beginstadium maar ook later in de bemiddelingspoging via de Raad vergeefs gedaan.
Verder merkt verweerder op dat er voor klager geen enkele drempel bestond om zich bij hem te melden. Als docent en politiek actief persoon beschikte klager over directe contacten met meerdere redacteuren, inclusief de redactiechef te […]. In de afgelopen jaren zijn er ook diverse bijdragen van klager geplaatst, onder meer op de opinie- en ingezonden brievenpagina.
Voor het geval de Raad de redenering over de niet-ontvankelijkheid niet ten volle volgt, verzoekt verweerder de Raad in ieder geval klager niet-ontvankelijk te verklaren in het deel van de klacht dat betrekking heeft op de kop. Klager stelt dat de kop onjuist is, en hij betoogt dit ongeacht het verdere verloop van deze kwestie. Door het indienen van zijn klacht herhaaldelijk uit te stellen, handelde klager volledig in tegenspraak met de redenering die aan zijn klacht ten grondslag ligt. Het is immers klip en klaar dat hij op dit punt de juridische afwikkeling van de zaak niet had hoeven afwachten en terstond bij de hoofdredactie had kunnen aandringen op bijvoorbeeld een rectificatie, zo meent verweerder. Hij had dus over de kop binnen de termijn van zes maanden zijn beklag bij de Raad kunnen en moeten doen. Mocht de Raad ervoor kiezen klager toch (geheel of gedeeltelijk) ontvankelijk te verklaren, dan stelt verweerder ten aanzien van de inhoud van de klacht het volgende. De klacht komt erop neer dat verweerder heeft bericht over een poging tot vergiftiging door een scholier, terwijl achteraf is gebleken dat die poging zich niet heeft voorgedaan. De beoordeling of het artikel feitelijk juist was, dient plaats te vinden op basis van de gegevens die op het moment van de publicatie bekend of voorhanden waren. Feit was dat een scholier uit […] op dat moment verdacht was van een poging tot vergiftiging van een leerkracht en dat hij daarvoor een aantal dagen heeft vastgezeten. Die feiten zijn door verweerder gecheckt vóór publicatie en worden door klager ook niet ontkend of weerlegd. De vraag of de publicatie in november 2011, gelet op de toen bekend zijnde gegevens, zorgvuldig was dient dan ook bevestigend te worden beantwoord. Verweerder wijst erop dat de identiteit van de verdachte scholier in de publicatie niet te achterhalen valt. Hij is met initialen genoemd en er is niet vermeld in welke klas hij zat. Dat kon ook niet omdat verweerder de identiteit van de scholier niet kende, totdat klager zich eind 2012 voor het eerst met zijn klacht tot hem wendde. Dat een bepaalde kring rond de scholier diens langdurige afwezigheid (die is immers niet beperkt gebleven tot acht dagen voorarrest) opmerkte, zou naar de stellige overtuiging van verweerder ook zijn gebeurd zonder de publicatie. Het blijft dan ook onduidelijk in welke mate de impact op klagers gezinsleven toe te schrijven valt aan de aanhouding en de langdurige schorsing van school, en in welke mate de publicatie daaraan mogelijk heeft bijgedragen. Verweerder twijfelt er niet aan dat de (onterechte) verdenking van vergiftiging een grote impact heeft gehad op de familie van klager en zijn zoon in het bijzonder. Maar het justitiële verloop van zaken laat onverlet dat verweerder toentertijd zeer terughoudend en genuanceerd heeft gepubliceerd. Ook in journalistieke zin betreurt verweerder het daarom dat klager niet eerder contact met hem heeft opgenomen.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:

  1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
  2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.   
  3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
  4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.           

 
Vast staat dat de klacht tegen het artikel van 19 november 2011 niet binnen zes maanden na de publicatie bij de Raad is binnengekomen.        
 
Klager heeft aangevoerd dat de zaak eerst met de beschikking van de kinderrechter van 14 november 2012 voor hem en zijn zoon definitief werd afgehandeld. Pas op dat moment werden de feiten rondom de kwestie ondersteund door de overwegingen van de kinderrechter, zoals opgenomen in de beschikking. Voor klager was dit het moment om met deze munitie in de hand stappen te ondernemen tegen verweerder.          

De Raad is van oordeel dat alle door klager aangevoerde omstandigheden in samenhang bezien zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding in dit geval verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat klager nadat de beschikking van de rechter van 14 november 2012 bekend werd contact heeft gezocht met verweerder en kort daarna met de Raad. Klager kan daarom in zijn klacht worden ontvangen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Het voornaamste bezwaar van klager is dat de kop van het artikel te stellig en daarmee onjuist is. De Raad overweegt in dit verband dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. De kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten.
In dit geval blijkt op geen enkele wijze uit de kop dat met betrekking tot de betreffende leerling op het moment van publicatie slechts sprake was van een verdenking en dat de gebeurtenis geen vaststaand feit betrof. Aangezien de kop ook niet tussen aanhalingstekens is geplaatst, is aannemelijk dat bij de gemiddelde lezer de indruk is gewekt dat in het artikel over vaststaande feiten wordt bericht. Daarom is de Raad van oordeel dat de kop in dit geval te stellig is verwoord en verweerder op dit punt journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. De Raad merkt hierbij op dat de kop van een artikel mede bepalend is voor de wijze waarop andere media het nieuws oppakken.
 
Ten aanzien van de inhoud van het artikel heeft verweerder geen journalistieke normen overschreden. Hij heeft het artikel opgesteld aan de hand van de destijds voorhanden feiten en omstandigheden en heeft deze gecheckt voordat hij tot publicatie overging.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de kop van het artikel, voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Dagblad De Limburger te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 juli 2013 door mr. Th. Groeneveld, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. drs. J.X. Nabibaks, drs. P. Olsthoorn en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N'Daw, plaatsvervangend secretaris.