2013/26 ongegrond

Samenvatting

De klacht betreft het artikel “Rechters sturen Nunspeter naar psychiater” dat gaat over een strafzaak tegen klager. Kern van klagers bezwaar is dat het artikel eenzijdig en suggestief is en dat hij al op voorhand is veroordeeld. Het artikel bevat voornamelijk een feitelijke beschrijving van wat op de openbare zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden. Verder is beschreven hoe klager tijdens de zitting op de journalist is overgekomen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat de publicatie relevante feitelijke onjuistheden bevat. Dat hij op sommige punten een andere uitleg geeft aan de gebeurtenissen, komt in het artikel voldoende duidelijk naar voren. De berichtgeving is zowel wat betreft inhoud als wat betreft toonzetting niet journalistiek ontoelaatbaar. Overigens merkt de Raad nog op dat de hoofdredacteur pas na twee weken schriftelijk op de tweede brief van klager heeft gereageerd. Het zou beter zijn geweest als hij direct na ontvangst van die brief contact met klager had opgenomen, vooral omdat klager daarin laat weten dat hij al eerder een brief had gestuurd waarop niet is gereageerd.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van



tegen

de hoofdredacteur van de Stentor

Bij online klachtformulier van 15 januari 2013 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Stentor (hierna: verweerder). Hierop heeft A. Engbers, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 25 januari 2013 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2013. Klager is daar niet verschenen. Aan de zijde van verweerder was voornoemde Engbers aanwezig.
 
DE FEITEN

Op 2 november 2012 is in de Stentor een artikel verschenen onder de kop “Rechters sturen […] naar psychiater” dat gaat over een strafzaak tegen klager. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“De drie rechters willen namelijk weten hoe het zo ver heeft kunnen komen dat hij zijn buurman met een knuppel bedreigde, de ruit in diens voorruit vernielde, een politieagent beledigde en bedreigde en deze man in het gezicht en tegen zijn lichaam schopte. Dat gebeurde allemaal op 25 september vorig jaar in […]. [X] had die dag ruzie met zijn toenmalige vriendin en het ging er hard aan toe. Zo vielen ze met zijn tweeën van de trap af. De buurman vond het geen goed idee om [X]’s kinderen in zo’n agressieve sfeer te laten en nam ze mee. [X] vatte deze goede bedoelingen compleet verkeerd op en ging als een dolle achter zijn buurman aan.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel eenzijdig en suggestief is. Volgens klager is hij ten onrechte beschuldigd door zijn ex-vriendin en de buurman, die valse verklaringen hebben afgelegd. De vermeende mishandeling heeft niet plaatsgevonden en het trappen van de agent was pure zelfverdediging. Klager meent dat hij in de publicatie al op voorhand wordt veroordeeld. De beschuldigingen, getuigenverklaringen en tenlastelegging zijn als feiten gepresenteerd, terwijl hij daarvoor nog niet is veroordeeld. Verder is ten onrechte het ontvoeren van zijn kinderen omschreven als ‘goede bedoeling’ van de buurman, aldus klager. Hij stelt dat hij door het artikel rechtstreeks is geschaad. Verder voert hij aan dat hij verweerder tot twee maal toe – bij brieven van 13 december 2012 en 7 januari 2013 – heeft benaderd, maar geen reactie heeft ontvangen. Daarom heeft hij zich nu tot de Raad gewend.

Verweerder stelt dat is weergegeven wat er in de rechtszaak is gebeurd. Er is alleen geregistreerd wat er op de openbare zitting is gezegd en beweerd. Het is niet aan verweerder om te oordelen, maar aan de rechter. Naar goed gebruik is mede daarom met initialen gewerkt.
Ter zitting heeft Engbers hieraan toegevoegd dat hij pas op de tweede brief van klager heeft gereageerd – op 22 januari 2013 – omdat hij de eerste brief nooit heeft gezien en deze ook niet boven water is gekomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat het artikel eenzijdig en suggestief is en dat klager al op voorhand is veroordeeld.

Voorop staat dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad) Volgens het vaste oordeel van de Raad is het verder – in het kader van verslaggeving over rechtszaken – toelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2012/41)
 
Het artikel bevat voornamelijk een feitelijke beschrijving van hetgeen op de openbare zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden. Verder is beschreven hoe klager tijdens de zitting op de journalist is overgekomen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat de publicatie relevante feitelijke onjuistheden bevat. Dat klager op sommige punten een andere uitleg geeft aan de gebeurtenissen, komt in het artikel voldoende duidelijk naar voren. De Raad is van oordeel dat de berichtgeving – zowel wat betreft inhoud als wat betreft toonzetting – niet journalistiek ontoelaatbaar is.
 
Overigens merkt de Raad nog op dat verweerder pas na twee weken schriftelijk op de tweede brief van klager heeft gereageerd. Het zou beter zijn geweest als verweerder direct na ontvangst van die brief contact met klager had opgenomen, vooral omdat klager daarin laat weten dat hij al op 13 december 2012 een brief had gestuurd waarop niet is gereageerd.
 
BESLISSING

De klacht is ongegrond.  

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2013 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, dr. H.J. Evers, ir. B.L. Hooghoudt, mw. M.J. Rietkerk en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.