2013/22 ongegrond

Samenvatting

Klaagster heeft in een ingezonden brief gereageerd op het artikel“Dossier Turkije sleept zich voort”. Daarin is een Europarlementariër geciteerd, die stelt dat “de huidige Cyprische president niet veel moed heeft getoond” in de onderhandelingen rond de kwestie van het deels door Turkije bezette Cyprus. De ingezonden brief is niet geplaatst.
Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan plaatsing van de reactie van klaagster was geboden. De passage in het artikel waarop klaagster wilde reageren, is als citaat weergegeven. Voor de lezer is duidelijk dat dit citaat de mening van de desbetreffende Europarlementariër behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten. Weliswaar kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is, maar daarvan is hier geen sprake. De redactie was niet gehouden de ingezonden brief van klaagster te plaatsen en behoefde haar keuze ter zake niet te verantwoorden. Niettemin heeft de chef opiniepagina toegelicht waarom klaagsters verzoek om publicatie van haar brief is afgewezen.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Ambassade van de Republiek Cyprus

tegen

de hoofdredacteur van Trouw

Bij online klachtformulier van 3 januari 2013 met diverse bijlagen heeft L. Topaltzikis, persvoorlichter, namens de Ambassade van de Republiek Cyprus te Den Haag (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Trouw (hierna: verweerder). Bij brief van 30 januari 2013 heeft klaagster nog een bijlage overgelegd. W. Schoonen, hoofdredacteur, heeft bij brief van 27 februari 2013 op de klacht geantwoord. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een e-mail van 14 maart 2013.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 maart 2013. Partijen zijn daar niet verschenen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.

DE FEITEN

Op 9 november 2012 is in Trouw een artikel verschenen onder de kop “Dossier Turkije sleept zich voort”. Daarin is Europarlementariër Ria Oomen-Ruyten geciteerd, die stelt dat “de huidige Cyprische president niet veel moed heeft getoond” in de onderhandelingen rond de kwestie van het deels door Turkije bezette Cyprus.
Naar aanleiding van dit artikel heeft de Ambassadeur van de Republiek Cyprus een ingezonden brief aan de redactie gestuurd met het verzoek deze brief te publiceren. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen. In een e-mail van 21 november 2012 heeft W. Kieskamp, chef opiniepagina Podium, die afwijzing als volgt toegelicht:
“Hoewel wij begrijpen dat de ambassadeur graag het beleid van de regering van Cyprus wil uitleggen, maakt de opinieredactie een andere keuze. Wij hebben die week artikelen over andere onderwerpen afgedrukt. De buitenlandredactie legt bovendien in haar artikelen regelmatig uit wat het beleid van de regering van Cyprus inhoudt. Het principe van hoor en wederhoor waar u zich op beroept, geldt voor een andere categorie stukken. Als de krant zelf kritiek uit of feiten onthult, dan dient wel altijd de bekritiseerde organisatie weerwoord te krijgen. Het spijt me dat de afwijzing u zo ontstemd heeft.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in het artikel van 9 november 2012 een ongefundeerde mening jegens de president van Cyprus is geuit. Zij wil niet ingaan op de politiek van de regering van Cyprus noch betwist zij het recht van de desbetreffende Europarlementariër op haar mening. Klaagster meent dat verweerder zich moreel geroepen had moeten voelen de ingezonden brief van de ambassadeur te publiceren. De brief was kort, fatsoenlijk, zakelijk en bondig en had als doel de lezers kennis te laten nemen van de Cypriotische zijde van het verhaal.
Klaagster heeft herhaaldelijk contact gehad met de chef opiniepagina van Trouw, die echter weigerde de ingezonden brief te plaatsen. Klaagster acht dit onbegrijpelijk. In Cyprus is het gebruikelijk dat wanneer iemand via de krant door een ander (in)direct wordt beschuldigd, vrijwel altijd een verzoek tot plaatsing van een ingezonden brief wordt gehonoreerd. Het is niet meer dan vanzelfsprekend en democratisch dat het object van kritiek de mogelijkheid krijgt zijn kant van het verhaal voor te leggen aan het publiek. Het betreft hier weliswaar geen mening van de krant zelf, maar de krant heeft een podium geboden voor ongefundeerde uitspraken c.q. beschuldigingen en tegelijkertijd de benadeelde partij niet de kans gegeven haar versie van het verhaal kenbaar te maken aan de lezers. Klaagster acht dit oneerlijk en eenzijdig. Zij meent dat de krant zo de indruk heeft gegeven partijdig te zijn. Het lezerspubliek kan op deze wijze uitsluitend kennis nemen van de eenzijdige beschuldigingen, aldus klaagster.

Verweerder stelt dat de ingezonden brief van de Ambassadeur van de Republiek Cyprus een reactie bevatte op de uitlatingen van Europarlementariër Ria Oomen, zoals weergegeven in het artikel van 9 november 2012. De brief is beoordeeld als ingezonden stuk en niet geschikt bevonden voor publicatie. Op navraag van klaagster is die afwijzing toegelicht, hoewel dat formeel geen plicht is. Verweerder vermoedt dat hier sprake is van een misverstand. Klaagster verwijst naar het recht van antwoord dat in sommige landen van kracht is. Dat recht verplicht media reacties van belanghebbenden te publiceren als die zich willen verweren tegen de inhoud van berichtgeving, ook als die inhoud geciteerde uitlatingen betreft waarvoor de bron en niet de krant verantwoordelijk is. Een dergelijk recht van antwoord kent de Nederlandse wetgeving niet. Verweerder rectificeert feitelijke onjuistheden. Hij voelt zich echter niet verplicht om inhoudelijke reacties op citaten in berichtgeving te publiceren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat de ingezonden brief van klaagster ten onrechte niet is geplaatst.

De Raad stelt voorop dat de redactie verantwoordelijk is voor de inhoud van ingezonden brieven. Het verdient daarbij de voorkeur dat de redactie de voorwaarden voor de selectie en plaatsing van reacties publiceert. Het staat de redactie vrij ingezonden brieven niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. (zie punten 5.1. en 5.2. van de Leidraad van de Raad)       

Naast eventueel gepubliceerde voorwaarden kunnen er – gelet op de verantwoordelijkheid van de redactie voor de inhoud – ook andere redenen zijn op basis waarvan zij kan besluiten tot het niet-plaatsen van een reactie. Gelet op de hiervoor bedoelde vrijheid van de redactie om reacties al dan niet te plaatsen, dient de Raad het beleid van een redactie ter zake  marginaal te toetsen.

Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan plaatsing van de reactie van klaagster was geboden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de passage in het artikel van 9 november 2012 waarop klaagster wilde reageren, duidelijk als citaat is weergegeven.

Voor de lezer is duidelijk dat het citaat de mening van de desbetreffende Europarlementariër behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten. Weliswaar kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is, maar daarvan is hier geen sprake. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)

De redactie was niet gehouden de ingezonden brief van klaagster te plaatsen en behoefde haar keuze ter zake niet te verantwoorden. Niettemin heeft de chef opiniepagina toegelicht waarom klaagsters verzoek om publicatie van haar brief is afgewezen.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder niet journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 april 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, A. Mellink MPA en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N’Daw, plaatsvervangend secretaris.