2013/21 afgewezen

Samenvatting

Verzoekers hebben een klacht ingediend over de artikelen “BOOR-verdachte ook privé dik met aannemer” en “Meldpunt Lansingerland BOOR-fraude”. De Raad heeft de klacht deels gegrond verklaard (RvdJ 2012/62). Verzoekers hebben verzocht om herziening van deze uitspraak.
Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. In het verzoekschrift geven verzoekers te kennen dat zij zich niet kunnen vinden in het oordeel van de Raad dat verweerders hen afdoende in de gelegenheid hebben gesteld om commentaar te geven. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat de Raad de in het eerste artikel beschreven feitelijke onjuistheden onvoldoende heeft laten meewegen in zijn oordeel en deze ten onrechte in de uitspraak niet heeft hersteld. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op hun klacht. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoekers al in hun klacht hebben geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste feiten heeft gedaan. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de wijze waarop de Raad deze stellingen van verzoekers heeft gewogen in zijn oordeel, is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

M.J.H. Moonen en Moonen Prymaplan B.V.

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 11 december 2012 (RvdJ 2012/62) betreffende hun klacht tegen

A. Liukku en de hoofdredacteur van AD

Bij brief van 7 januari 2013 heeft M.J.H. Moonen te Nieuwerkerk aan den IJssel in persoon en in zijn hoedanigheid als bestuurder van Moonen Prymaplan B.V. (hierna: verzoekers) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 11 december 2012 inzake hun klacht tegen A. Liukku en de hoofdredacteur van AD (hierna: verweerders). Drs. P.F.G. van den Bosch, adjunct-hoofdredacteur AD, heeft bij brief van 29 januari 2013 op het verzoek geantwoord. Verzoekers hebben daarop nog gereageerd bij brief van 20 februari 2013 met diverse bijlagen.  

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 maart april 2013, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN  

Bij brief van 16 september 2012 met diverse bijlagen hebben verzoekers een klacht ingediend tegen verweerders. De klacht is gericht tegen een artikel van 17 maart 2012 met de kop “Mark M. liet villa bouwen” en de onderkop “BOOR-verdachte ook privé dik met aannemer” en een artikel van 6 april 2012 met de kop “Meldpunt Lansingerland BOOR-fraude”. Kern van de klacht was dat sprake was van onjuiste, tendentieuze berichtgeving, waarbij onvoldoende wederhoor is toegepast en de privacy van klagers in het artikel van 17 maart 2012 ongerechtvaardigd was aangetast.
 
Bij uitspraak van 11 december 2012 heeft de Raad de klacht van verzoekers gegrond verklaard voor zover deze betrekking heeft op de in het artikel van 6 april 2012 voorkomende feitelijke onjuistheden. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard, waarbij de Raad het volgende heeft overwogen:
“Ten aanzien van het toepassen van wederhoor overweegt de Raad dat verweerders onweersproken hebben gesteld dat zij herhaaldelijk hebben getracht klagers te bereiken en meerdere keren de voicemail van de heer Moonen hebben ingesproken. Uiteindelijk heeft voorafgaand aan de publicatie van 17 maart 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen de verslaggever en de heer Moonen. Zoals door klagers is erkend, heeft de heer Moonen – om hem moverende redenen – ervoor gekozen in dat gesprek slechts summier te reageren.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders klagers afdoende in de gelegenheid gesteld om commentaar te geven. Dat klagers thans menen van die mogelijkheid te weinig gebruik te hebben kunnen maken, kan verweerders niet worden toegerekend. Voor zover de klacht betrekking heeft op onvoldoende toepassing van wederhoor, is deze dan ook ongegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Verder is de Raad van oordeel dat verweerders bij de berichtgeving van 17 maart 2012 op verantwoorde wijze de belangen van klagers bij de bescherming van hun privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend. Gelet op de context van de berichtgeving was het journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar om te berichten over het sponsorcontract met de turnvereniging van de dochter van de heer Moonen. Daarbij is van belang dat de naam van de dochter niet is vermeld. De Raad acht niet aannemelijk gemaakt dat klagers door het plaatsen van een foto van de woning van de heer Moonen voor het grote lezerspubliek, buiten de woonkern van de heer Moonen, in het artikel van 17 maart 2012 identificeerbaar zijn. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad dan ook van oordeel dat de privacy van klagers niet disproportioneel is geschaad. Op dit punt is de klacht eveneens ongegrond. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers betogen dat tijdens de mondelinge behandeling van hun klacht duidelijk is komen vast te staan dat verweerders geen hoor en wederhoor hebben toegepast na een eerdere publicatie van 10 maart 2012. Er is weliswaar daags voor de publicatie van 17 maart 2012 contact geweest tussen de heer Moonen en de verslaggever, maar in dat gesprek is geen gelegenheid geboden tot hoor en wederhoor op de werkelijke inhoud van het artikel. Evenmin is in dat gesprek de gelegenheid geboden om de publicatie uit te stellen indien verzoekers bereid waren een uitgebreidere reactie te geven. Volgens verzoekers is de Raad dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat verweerders de beginselen van hoor en wederhoor in dit geval niet hebben geschonden.
Daarnaast stellen verzoekers dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte de feitelijke onjuistheden in het artikel van 17 maart 2012 niet heeft hersteld. Zo is in het artikel ten onrechte gesuggereerd dat het nieuw gebouwde huis cadeau is gedaan omdat een hypotheek op het huis ontbreekt en worden er speculaties gedaan over budgetoverschrijdingen. Deze punten zijn volgens verzoekers door hen genoegzaam weerlegd. Door deze onjuistheden niet recht te zetten blijft het artikel een onjuist en onterecht beschuldigend karakter houden, en dat heeft schade en inbreuk van de privacy tot gevolg, aldus verzoekers.

Verweerders menen dat verzoekers ten onrechte concluderen dat ter zitting is komen vast te staan dat onvoldoende wederhoor is toegepast. Dat staat ook niet in de uitspraak de Raad. De verslaggever heeft meerdere malen contact gezocht met de heer Moonen en diens voicemail ingesproken. Tijdens de zitting heeft de heer Moonen juist erkend dat hij die boodschappen heeft afgeluisterd, maar het niet opportuun vond te reageren. Op 16 maart 2012 heeft de heer Moonen wel opgenomen, waardoor de verslaggever eindelijk de gelegenheid kreeg om hem om wederhoor te vragen. De heer Moonen heeft dit gesprek zelf abrupt beëindigd, waardoor het voor de verslaggever niet mogelijk was om aan te bieden de publicatie uit te stellen. Volgens verweerders was er geen tijdsdruk voor publicatie en had de plaatsing van het artikel uitgesteld kunnen worden. Een goede reactie van verzoekers was de publicatie juist ten goede gekomen. Verzoekers hebben zichzelf – door de opstelling van de heer Moonen – deze mogelijkheid ontnomen.
Voor wat betreft de door klagers aangedragen feitelijke onjuistheden in verband met de schending van de privacy menen verweerders dat deze kwesties in de procedure afdoende aan de orde zijn gekomen en ook door de Raad meegenomen in zijn oordeel.            
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers met hetgeen zij in dit kader in hun verzoekschrift hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 11 december 2012 (RvdJ 2012/62) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

In het verzoekschrift geven verzoekers te kennen dat zij zich niet kunnen vinden in het oordeel van de Raad dat verweerders hen afdoende in de gelegenheid hebben gesteld om commentaar te geven. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat de Raad de in het artikel van 17 maart 2012 beschreven feitelijke onjuistheden onvoldoende heeft laten meewegen in zijn oordeel en deze ten onrechte in de uitspraak niet heeft hersteld.

Verzoekers hebben in hun verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op hun klacht. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoekers al in hun klacht hebben geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste feiten heeft gedaan. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de wijze waarop de Raad deze stellingen van verzoekers heeft gewogen in zijn oordeel, is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 22 april 2013 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter,  M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.