2013/17 gegrond

Samenvatting

De klacht is gericht tegen het artikel “Stammenstrijd verdeelt Somaliërs” met de onderkoppen “Opgestapte voorzitter beschuldigt penningmeester van fraude” en “Gemeente Groningen houdt zich afzijdig”.
De Raad overweegt dat verweerders het artikel vooral hebben gebaseerd op informatie van en beschuldigingen geuit door één bron, die ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict was met klager. Verweerders hadden bijzondere zorgvuldigheid moeten betrachten, maar zij hebben daarvan geen blijk gegeven. Het had op de weg van Van Schilt gelegen meer onderzoek te doen naar de deugdelijkheid van de beschuldigingen. Dat heeft hij onvoldoende gedaan.
Ook is onvoldoende wederhoor toegepast. Nu klager wordt beschuldigd van strafbare feiten hadden verweerders meer moeten ondernemen om de reactie van klager op die beschuldigingen te krijgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerders niet langer konden wachten met de publicatie. Door het artikel te plaatsen zonder de reactie van klager, hebben verweerders ten onrechte het belang dat met de publicatie is gediend laten prevaleren boven de belangen van klager. Dit klemt te meer nu de naam van klager is genoemd en de berichtgeving voor klager zeer beschadigend is.
De handelwijze van verweerders getuigt van journalistieke onzorgvuldigheid en vooringenomenheid. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat Van Schilt in reactie op een ingezonden brief van de raad van Somalische ouderen een e-mail aan klager heeft gestuurd waarin hij klager onheus heeft bejegend. 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
J. van Schilt en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij online klachtformulier van 18 december 2012 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen J. van Schilt en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerders). Hierop heeft J. van Schilt geantwoord in een ongedateerde brief, die door de Raad is ontvangen op 24 januari 2013. Klager heeft daarop nog gereageerd in een e-mail van 29 januari 2013 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 februari 2013 in aanwezigheid van klager en voornoemde Van Schilt.
 
DE FEITEN
 
Op 20 september 2012 is in Dagblad van het Noorden een artikel van de hand van Van Schilt verschenen onder de kop “Stammenstrijd verdeelt Somaliërs” met de onderkoppen “Opgestapte voorzitter beschuldigt penningmeester van fraude” en “Gemeente Groningen houdt zich afzijdig”. Het artikel bevat verder de volgende passages:
“Volgens […], die naar eigen zeggen uit frustratie over de gang van zaken opstapte als voorzitter van de Stichting Somaliërs Groningen (SSG), heeft penningmeester [X] alle macht naar zich toegetrokken en wordt er gefraudeerd.”
en
“Volgens […] bleek tijdens zijn voorzitterschap dat er werd gefraudeerd. “Omdat [X] als penningmeester als enige in het bezit was van de pinpas van de stichting, heb ik hem ermee geconfronteerd en de gelegenheid geboden zijn fouten goed te maken. Maar er gebeurde niets. Vorige maand had ik er meer dan genoeg van en ben ik opgestapt. De ouderen, die in de Somalische cultuur de rol van adviseur vervullen, riepen mij ter verantwoording. Ik heb ze de situatie uitgelegd. Zij beloofden met [X] te praten, maar hebben hem niet aangepakt. Integendeel, hij heeft hen ingepalmd en allerlei bestuursfuncties gegeven. Opvallend is dat deze mensen allemaal van zijn stam zijn.””
en
“[…] zegt aangifte te hebben gedaan, maar de politie kan dit niet bevestigen.”
Het slot van het artikel luidt:
“[X] was niet bereikbaar voor een reactie.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij bij naam is genoemd en beschuldigd van fraude en stammenpolitiek in een eenzijdig, rancuneus en onjuist artikel dat niet op feiten is gebaseerd. Volgens klager is hij niet van fraude beschuldigd, is er geen aangifte tegen hem gedaan en zijn de Somalische ouderen in de raad niet allemaal van zijn stam. Klager voert aan dat verweerders weinig moeite hebben gedaan om de grondslag van de beschuldigingen en geruchten te controleren, terwijl de beschuldigingen zijn geuit door een bron met wie hij in conflict was.
Verder stelt klager dat geen wederhoor is toegepast. Hij heeft geen voicemailfunctie op zijn privé-telefoon ingeschakeld en heeft dus nooit een voicemailbericht van Van Schilt ontvangen. Zijn zakelijke mobiele telefoon gebruikt hij alleen in perioden dat hij voor zijn werk stand-by moet staan.
Klager meent voorts dat een brief van de raad van Somalische ouderen, waarin wordt gereageerd op het bericht en onjuistheden worden aangekaart, ten onrechte niet is geplaatst. Daar komt bij dat de journalist hém in plaats van de ouderen heeft bericht over de redenen voor het niet plaatsen van de ingezonden brief en hem daarbij ook nog zonder enige reden heeft beschuldigd van het in onschuld proberen te wassen van zijn handen en het schoonvegen van zijn straatje. Deze gang van zaken heeft klager bevestigd in het vermoeden van eenzijdige berichtgeving en gebrek aan neutraliteit aan de zijde van verweerders.
Volgens klager hebben verweerders de belangen die met de publicatie zijn gediend onvoldoende afgewogen tegen de belangen die door de publicatie worden geschaad, zoals zijn privacy en de schade voor zijn persoon en gezin.
Ter zitting licht klager nog toe dat zijn klacht mede moet worden geplaatst tegen de politieke Somalische achtergrond, waardoor de gevolgen van de publicatie in de Groningse gemeenschap nogal ingrijpend zijn.
 
Verweerders menen dat zij journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld. Van Schilt kwam via een bron ter ore dat er problemen waren binnen de SSG. Hij heeft vervolgens gesproken met de heer […] die de problemen bevestigde en beschuldigingen uitte aan het adres van het zittende bestuur. Verweerders stellen dat zij voldoende moeite hebben gedaan om wederhoor toe te passen. Van Schilt heeft een aantal keer gebeld naar klager en ingesproken op zijn voicemail, maar klager niet aan de telefoon gekregen. Verder heeft hij een paar keer gebeld naar de SSG en is hij langs geweest bij het onderkomen van SSG, maar ook daar heeft hij niemand te spreken kunnen krijgen. Daarna heeft hij getracht om klager op een ander mobiel telefoonnummer te bereiken, maar ook dat lukte niet. Uiteindelijk hebben verweerders besloten om het artikel zonder wederhoor te publiceren, maar daarin wel te vermelden dat klager niet bereikbaar was voor commentaar. Pas een week daarna kwam een e-mail met een ingezonden brief van de raad van Somalische ouderen. Omdat de identiteit van de inzender volgens verweerders onvoldoende vaststond, hebben zij de brief niet geplaatst. Van Schilt stelt dat hij in een opwelling klager ervan verdacht achter de brief te zitten en daarom klager een e-mail heeft gestuurd om een reactie te ontlokken. Volgens verweerders heeft klager er zelf voor gekozen niet meer te reageren.
Ten slotte voert Van Schilt aan dat hij de politie en de gemeente heeft benaderd en de reacties van deze instanties heeft opgenomen in het artikel.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat in het artikel onjuist, eenzijdig en tendentieus over klager is bericht. Daarbij is – volgens klager – gebruik gemaakt van een bron die in conflict is met hem en is onvoldoende gelegenheid tot wederhoor geboden. Bovendien zijn verweerders onzorgvuldig omgegaan met een ingezonden brief van de raad van Somalische ouderen, aldus klager.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving dient te vermijden. Bij het publiceren van beschuldigingen behoort de journalist te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Bijzondere zorgvuldigheid is geboden in het geval van publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn. (zie punten 1.5. en 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
Uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving dient voorts bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking te komen dat met betrekking tot negatieve kwalificaties die de belanghebbende raken, wederhoor is toegepast. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
De Raad overweegt dat verweerders het artikel vooral hebben gebaseerd op informatie van en beschuldigingen geuit door één bron. De beschuldigingen van deze bron zijn gericht tegen klager, terwijl die bron – zoals ook uit het artikel blijkt – ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict was met klager. Gezien de hiervoor geformuleerde uitgangspunten hadden verweerders bijzondere zorgvuldigheid moeten betrachten, maar zij hebben daarvan geen blijk gegeven. Gelet op de aard van de beschuldigingen had het op de weg van Van Schilt gelegen meer onderzoek te doen naar de deugdelijkheid van de beschuldigingen. Dat heeft hij onvoldoende gedaan.
 
Ook is onvoldoende wederhoor toegepast. Nu klager wordt beschuldigd van strafbare feiten hadden verweerders meer moeten ondernemen om de reactie van klager op die beschuldigingen te krijgen, voordat zij tot publicatie waren overgegaan. Verweerders hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij niet langer konden wachten met het publiceren van het artikel. Door het artikel te publiceren zonder de reactie van klager, hebben verweerders ten onrechte het belang dat met de publicatie is gediend laten prevaleren boven de belangen van klager. Dit klemt te meer nu de naam van klager is genoemd en de berichtgeving voor klager zeer beschadigend is.
 
De Raad is van oordeel dat de handelwijze van verweerders getuigt van journalistieke onzorgvuldigheid en vooringenomenheid. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat Van Schilt in reactie op een ingezonden brief van de raad van Somalische ouderen een e-mail aan klager heeft gestuurd waarin hij klager onheus heeft bejegend.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 18 april 2013 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, drs. P. Olsthoorn, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.