2013/12 deels-gegrond

Samenvatting

Klager heeft bezwaar gemaakt tegen het artikel “Een klooiende oogarts gestopt”. Het eerste onderdeel van zijn klacht betreft het niet-toepassen van wederhoor. Verweerders hebben erkend dat er vóór de publicatie geen contact is geweest met klager. Zij hebben ter zitting gesteld dat Stoffelen weliswaar heeft geprobeerd contact met klager te krijgen, maar dat het beter was geweest als zij meer moeite hadden gedaan om klager te spreken. Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan. Dit houdt in het algemeen onder meer in dat wederhoor wordt toegepast. Omstandigheden die een afwijking van deze regel rechtvaardigen zijn niet gebleken, zodat de slotsom moet zijn dat verweerders op dit punt journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
Op andere punten hebben verweerders niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het artikel niet alleen hebben gebaseerd op uitlatingen van de ex-patiënt van klager. Zij hebben andere bronnen geraadpleegd, die voldoende ondersteuning bieden voor de uitlatingen van de ex-patiënt. Bovendien hebben zij voldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Daar waar uitlatingen citaten betreffen van door verweerders gehanteerde bronnen, is dit als zodanig weergegeven. Uit het artikel blijkt verder duidelijk dat dit voor een groot deel een weergave betreft van het verhaal van de ex-patiënt van klager. Deze onderdelen van de klacht zijn dan ook ongegrond.
Verder heeft klager bezwaar gemaakt tegen het artikel “’Wat zijn zes klagende patiënten op negenduizend behandelingen?’”. Verweerders hebben een interview met klager gehouden naar aanleiding van zijn klacht over het niet-toepassen van wederhoor in het eerste artikel. Het was duidelijk dat het interview bedoeld was om klagers kant van het verhaal naar voren te brengen. Klagers stelling dat hij onvoldoende van het doel van het interview op de hoogte is gebracht, volgt de Raad niet. Niet is gebleken dat citaten zijn gebruikt in een andere context dan klager mocht verwachten. Evenmin is het journalistiek onzorgvuldig dat aan klager kritische vragen zijn gesteld over de beschuldigingen die jegens hem zijn geuit. Het als een inzet bij het interview geplaatste bericht over de strafrechtelijke vervolging van klager in Portugal, is journalistiek relevant. Klager is nadrukkelijk de gelegenheid geboden zijn standpunten over de concepttekst naar voren te brengen. Er zijn geen stukken voorhanden waaruit kan worden opgemaakt dat klager verweerders heeft verzocht feitelijke onjuistheden in het interview te wijzigen of een voorstel voor aanpassing van de tekst heeft gedaan. Wel heeft hij in algemene bewoordingen zijn ongenoegen over de toon van het interview geuit. Klager heeft in zijn klaagschrift noch ter zitting alsnog concreet duidelijk gemaakt welke feitelijke onjuistheden zijns inziens in het interview zijn weergegeven. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de Raad tot de slotsom dat verweerders ten aanzien van deze publicatie geen journalistieke normen hebben overschreden. De klacht is op dit punt eveneens ongegrond.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
F.F.H. Versteeg 
 
tegen
 
A. Stoffelen en de hoofdredacteur van de Volkskrant
 
Bij brief van 19 augustus 2012 met één bijlage heeft F.F.H. Versteeg te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant en A. Stoffelen (hierna: verweerders).
 
Vervolgens heeft op 5 oktober 2012 tussen partijen een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van bemiddelaar mw. mr. D.C. Koene, secretaris van de Raad voor de Journalistiek, en in aanwezigheid van mw. mr. J. N’Daw, adjunct-secretaris.
 
Klager heeft per e-mail van 21 november 2012 met diverse bijlagen laten weten dat de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid en zijn klacht uitgebreid.
 
Bij brief van 9 januari 2013 hebben C. de Vries, managing director, en A. Stoffelen, redacteur, op de klacht geantwoord. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 12 januari 2013.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 januari 2013. Klager is in persoon verschenen. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde De Vries en Stoffelen aanwezig.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 16 augustus 2012 is in de Volkskrant een artikel van de hand van Stoffelen verschenen onder de kop “Een klooiende oogarts gestopt” met de onderkop “Zijn ogen zijn verprutst na een mislukte laserbehandeling. Acht jaar lang vocht hij om de blunderende oogarts te stoppen. Onlangs haalde Ronald Rietbroek zijn gelijk.” In het artikel wordt het verhaal van een ex-patiënt van klager belicht, waarbij de naam van klager is vermeld. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Acht jaar geleden in een Portugees hotel stroomt ook het water over zijn gezicht. Maar niet van blijdschap. In Lagoa, in de Algarve, heeft de Nederlandse oogarts Frans Versteeg hem voor het stunttarief van 595 euro per oog gelaserd.”
en
“Versteeg biedt hem in zijn EyeQVision-kliniek in Amstelveen een hersteloperatie aan.”
en
“In het consumentenprogramma vertellen veertien patiënten over de oogschade die zij hebben opgelopen, allemaal na een behandeling in Portugal door Frans Versteeg. Het is voor Rietbroek een teken dat hij niet het slachtoffer is van een toevallige medische misser, maar van een slecht functionerende arts. Hij besluit dat Versteeg moet worden gestopt.”
en
“Dit voorjaar komt de zaak van Rietbroek eindelijk voor, op dezelfde dag als de klacht van de inspectie. (…) Acht weken later, op 17 juli, is daar dan eindelijk de verlossende uitspraak: Versteeg wordt door het tuchtcollege uit het BIG-register geschrapt. Hij mag niet meer als arts werken.”
en
“En hij is er nog niet klaar mee: met de uitspraak van het tuchtcollege in de hand, hoopt hij Versteeg in hoger beroep alsnog aansprakelijk te kunnen stellen voor geleden schade.”
 
Op 20 november 2012 is in de Volkskrant van de hand van L. Nicolasen en A. Stoffelen een interview met klager gepubliceerd onder de kop “’Wat zijn zes klagende patiënten op negenduizend behandelingen?’” met de onderkop “De Portugese justitie begint een strafzaak tegen hem, drie patiënten werden aan één oog blind. Toch vindt oogarts Frans V. dat hem niet zoveel aan te rekenen valt.” De intro van het interview luidt:
“Frans V. (64) werd deze zomer door het Regionaal Tuchtcollege uit zijn beroep gezet wegens fouten met laserbehandelingen en lensimplantaten bij zes patiënten. In Portugal, waar hij jarenlang een kliniek runde, loopt een strafzaak tegen hem wegens nalatig handelen bij vier andere patiënten. De oogarts blijft ervan overtuigd dat hem niet zoveel aan te rekenen valt. Hij zoekt rehabilitatie. “Wat zijn zes klagende patiënten op negenduizend behandelingen?””
In een inzet is onder de kop “V. riskeert twee tot acht jaar gevangenisstraf” bericht over de strafvervolging van klager in Portugal.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel van 16 augustus 2012 in strijd is met diverse punten van de Leidraad van de Raad. Het artikel bevat veel onjuistheden en er is geen onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Verder vindt klager dat Stoffelen denigrerende opmerkingen heeft gemaakt en beweringen heeft gedaan die tendentieus en voorbarig zijn. Klager wijst erop dat het hier gaat om het publiceren van beschuldigingen, die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de verstrekking van de informatie met hem in conflict waren. In dergelijke gevallen is bijzondere zorgvuldigheid geboden. Daarom had Stoffelen behoren te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Verder heeft Stoffelen verzuimd wederhoor toe te passen alvorens het artikel van 16 augustus 2012 te publiceren, aldus klager. Ter zitting benadrukt hij dat het niet-toepassen van wederhoor de kern van zijn klacht vormt.
Met betrekking tot het interview van 20 november 2012 stelt klager zich op het standpunt dat dit in strijd is met de punten 2.7., 2.7.2. en 2.8. van de Leidraad. De tekst van het interview is niet wat klager daarvan mocht verwachten op grond van wat hem van te voren is verteld. Het interview ademt op een aantal punten een sfeer, houding of opvatting die door klager als negatief wordt ervaren. Is dit niet van de hand van Stoffelen, dan wel van de koppenmakers. Klager zou nooit akkoord zijn gegaan met het interview als hij op de hoogte zou zijn gesteld van het doel van het interview. Hij meent dat hij ten onrechte niet is geïnformeerd over de wijze waarop eventuele op- en aanmerkingen in het artikel zouden worden verwerkt. Een aantal onderdelen van het interview is gesteld in een andere context dan hij had verwacht. De publicatie is geworden tot een verhaal waarin de mening van Stoffelen wordt verteld en heeft geresulteerd in een versterking van de karaktermoord, die met het artikel van 16 augustus 2012 werd ingezet. Klager heeft de journalisten verzocht onderdelen van de tekst meer in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Hierop zijn zij niet ingegaan. Klager meent dat de door hem gedane voorstellen ter correctie van de tekst van het interview een nauwkeuriger beeld van de werkelijkheid weergeven.
Hij wijst erop dat hij zijn standpunt over het interview in een e-mail heeft verwoord. Op dat moment ervoer hij de tekst als niet in overeenstemming met het uitgangspunt voor bemiddeling en dus niet klaar voor plaatsing. Hij wilde er nog over van gedachten wisselen met de journalisten, maar daar was geen ruimte voor vanwege de vakantie van Stoffelen. Op de ter zitting gestelde vraag welke onjuistheden de publicatie van 20 november 2012 bevat, antwoordt klager dat hij het artikel vooral tendentieus vindt. Zo zet hij vraagtekens bij de uitspraken van het tuchtcollege, terwijl hij geen nuancering in de vragen heeft kunnen aanbrengen. Verder wijst hij op de zinsnede “Wat zijn zes klagende patiënten op negenduizend behandelingen?”. Zou het aantal van zes patiënten in een percentage zijn weergegeven, dan zou dat wetenschappelijk verantwoord zijn geweest, terwijl het nu tendentieus is. Ten slotte vindt klager het belastend dat de journalisten zich in het interview niet hebben beperkt tot de inhoud van het artikel van 16 augustus 2012. Er is sprake van een mengeling met berichtgeving over de vervolging in Portugal. Klager is geïnformeerd over het voornemen van verweerders tot het separaat plaatsen van een artikel over Portugal, maar niet over het feit dat dit stuk zo zou worden verwerkt als verweerders hebben gedaan. De negatieve tendens is hiermee versterkt, aldus klager.
 
Verweerders stellen dat met het op 20 november 2012 gepubliceerde interview tegemoet is gekomen aan de – naar aanleiding van het artikel van 16 augustus 2012 gerezen – wens van klager dat zijn kant van het verhaal wordt gehoord en gepubliceerd. Dit doel is aan klager duidelijk gemaakt. Dat klager niet op de hoogte is gesteld van het doel van het interview, is dan ook onjuist. Voorts is klager herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld te reageren op de concepttekst van het interview, zoals ook blijkt uit de correspondentie die hij aan zijn klacht heeft toegevoegd. Klager heeft echter steeds verzuimd concreet te maken op welke wijze het artikel niet in overeenstemming zou zijn met de feiten. Anders dan zijn klacht suggereert, heeft hij geen concrete voorstellen tot correctie van de tekst van het interview gedaan. Wel heeft klager zijn onvrede geuit over het korte bericht over de strafrechtelijke vervolging in Portugal, een nieuwsfeit waarvan de redactie niet eerder op de hoogte was. Wellicht had klager liever niet gezien dat dit nieuwsfeit in de publiciteit zou komen, maar het staat de redactie vrij om relevante nieuwe informatie te melden in de krant. Bovendien heeft klager ook dit artikel vooraf ter inzage toegezonden gekregen. Verweerders herkennen zich niet in het standpunt van klager dat het interview op een aantal punten een sfeer, houding of opvatting ademt die hij als negatief ervaart. De tekst is een feitelijke weergave van het gesprek dat tussen de journalisten en klager heeft plaatsgevonden. Klager heeft de gelegenheid gehad om eventuele onjuistheden in de tekst recht te zetten, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Ter zitting deelt Stoffelen in dit verband mee dat klager ongeveer 5 tot 6 dagen de tijd heeft gehad om op de concepttekst te reageren. De Vries voegt hieraan toe dat dit al een ruime periode was en dat klager niet in redelijkheid had kunnen verwachten dat de publicatie in verband met de vakantie van Stoffelen zes weken zou worden uitgesteld.
Ten aanzien van het artikel van 16 augustus 2012 licht De Vries nog toe dat na het gesprek met de ex-patiënt van klager is geprobeerd klager te bereiken. Het was beter geweest als meer moeite zou zijn gedaan om klager gelegenheid tot wederhoor te bieden. Daarom bestond ook ruimte klager tegemoet te komen in de vorm van een interview. Stoffelen vult aan dat zij destijds de kliniek van klager heeft gebeld, maar dat daar niet werd opgenomen. Dit had in het artikel vermeld moeten worden. Verder benadrukt Stoffelen dat het artikel van 16 augustus 2012 niet alleen is gebaseerd op het verhaal van de ex-patiënt van klager. Zij heeft ook de uitspraken van het tuchtcollege geraadpleegd. In het artikel van 20 november 2012 is alsnog het weerwoord van klager opgenomen. Desgevraagd deelt Stoffelen mee dat zij daarbij klager fair tegemoet is getreden, op de wijze zoals zij altijd doet. Voor de zorgvuldigheid is bovendien een collega van Stoffelen bij het interview betrokken, aldus verweerders.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
A. Publicatie van 12 augustus 2012
De klacht over dit artikel bestaat uit de volgende onderdelen:
1.         het niet-toepassen van wederhoor;
2.         het publiceren van beschuldigingen die zijn geuit door iemand waarmee klager in conflict was en het onvoldoende onderzoeken of voor die beschuldigingen voldoende grondslag bestaat;
3.         er is sprake van tendentieuze en eenzijdige berichtgeving;
4.         verweerders hebben onvoldoende onderscheid gemaakt tussen feiten en beweringen.      

Ad 1.
De Raad overweegt dat verweerders hebben erkend dat er vóór de publicatie van het artikel van 16 augustus 2012 geen contact is geweest met klager. Verweerders hebben ter zitting gesteld dat Stoffelen weliswaar heeft geprobeerd contact met klager te krijgen – door zijn kliniek te bellen en door op internet naar andere contactgegevens te zoeken – maar dat het beter was geweest als zij meer moeite hadden gedaan om klager te spreken. Naar het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan. Dit houdt in het algemeen onder meer in dat wederhoor wordt toegepast. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad) Omstandigheden die een afwijking van deze regel rechtvaardigen zijn niet gebleken, zodat de slotsom moet zijn dat verweerders op dit punt journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Ad 2., 3. en 4.
Ten aanzien van deze onderdelen van de klacht overweegt de Raad dat de journalist in zijn berichtgeving een duidelijk onderscheid behoort te maken tussen feiten, beweringen en meningen. Verder dient de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving te vermijden. Dit brengt mee dat op de journalist de verantwoordelijkheid rust zoveel mogelijk een genuanceerd beeld te schetsen van de kwestie waarover hij bericht. (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad)
Voorts behoort de journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor die beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad)
Er bestaat naar het oordeel van de Raad geen grond voor de conclusie dat verweerders op deze punten journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het artikel niet alleen hebben gebaseerd op uitlatingen van de ex-patiënt van klager. Zij hebben andere bronnen – zoals een uitspraak van het medisch tuchtcollege van 17 juli 2012 – geraadpleegd, die voldoende ondersteuning bieden voor de uitlatingen van de ex-patiënt. Daarbij komt dat verweerders voldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Daar waar uitlatingen citaten betreffen van door verweerders gehanteerde bronnen, is dit als zodanig weergegeven. Uit het artikel blijkt verder duidelijk dat dit voor een groot deel een weergave betreft van het verhaal van de ex-patiënt van klager. Deze onderdelen van de klacht zijn dan ook ongegrond.
 
B. Publicatie van 20 november 2012
De Raad overweegt dat de journalist die iemand wil interviewen, diegene behoort te laten weten met welk doel hij informatie vergaart. De te interviewen persoon moet voldoende geïnformeerd kunnen beslissen of hij aan een publicatie of uitzending wil meewerken. Van onzorgvuldige journalistiek is sprake wanneer een citaat van de geïnterviewde wordt gebruikt in een andere context dan hij mocht verwachten op grond van wat hem door de interviewer is meegedeeld. Tenzij vooraf anders is afgesproken, biedt inzage vooraf de betrokkene de mogelijkheid te verzoeken om feitelijke onjuistheden te corrigeren en onduidelijkheden weg te nemen. (zie punten 2.7.1. , 2.7.2. en 2.8. van de Leidraad)
De Raad stelt vast dat verweerders een interview met klager hebben gehouden naar aanleiding van zijn klacht over het niet-toepassen van wederhoor in het artikel van 16 augustus 2012. Bij zowel klager als verweerders was duidelijk dat het interview bedoeld was om klagers kant van het verhaal naar voren te brengen. Daarbij is afgesproken dat klager vooraf de mogelijkheid zou krijgen om feitelijke onjuistheden te corrigeren en onduidelijkheden weg te nemen. De Raad volgt klagers stelling dat hij onvoldoende van het doel van het interview op de hoogte is gebracht, dan ook niet. Ook is niet gebleken dat verweerders citaten van klager hebben gebruikt in een andere context dan hij mocht verwachten op grond van wat hem door de interviewers is verteld. Evenmin kan het journalistiek onzorgvuldig worden geacht dat in het interview aan klager kritische vragen zijn gesteld over de beschuldigingen die jegens hem zijn geuit. Het stond verweerders vrij de invalshoek te kiezen zoals die in het interview tot uiting is gebracht. Het als een inzet bij het interview geplaatste bericht over de strafrechtelijke vervolging van klager in Portugal, is journalistiek relevant.
Verder is klager nadrukkelijk de gelegenheid geboden zijn standpunten over de concepttekst van het interview naar voren te brengen. Bovendien is hem de tekst van het bericht over Portugal toegezonden met het verzoek daarop te reageren. Klager heeft gesteld dat hij een concrete reactie heeft gegeven op de tekst van het interview, maar verweerders hebben dat gemotiveerd betwist. Uit de stukken blijkt dat klager concreet heeft gereageerd op de tekst over Portugal, maar niet op de tekst van het interview, zelfs niet nadat Stoffelen hem hier meerdere keren om heeft gevraagd. Er zijn geen stukken voorhanden waaruit kan worden opgemaakt dat klager verweerders heeft verzocht feitelijke onjuistheden in het interview te wijzigen of een voorstel voor aanpassing van de tekst heeft gedaan. Wel heeft hij in algemene bewoordingen zijn ongenoegen over de toon van het interview geuit. Klager heeft in zijn klaagschrift noch ter zitting alsnog concreet duidelijk gemaakt welke feitelijke onjuistheden zijns inziens in het interview zijn weergegeven.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de Raad tot de slotsom dat verweerders ten aanzien van de publicatie van 20 november 2012 geen journalistieke normen hebben overschreden. De klacht is op dit punt ongegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het niet-toepassen van wederhoor voorafgaand aan de publicatie van 12 augustus 2012. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 22 maart 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, H. Blanken, ir. B.L. Hooghoudt en drs. ir. M.C.N. Mokveld, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N’Daw, plaatsvervangend secretaris.