2013/11 afgewezen

Samenvatting

Verzoekster heeft een klacht ingediend over een artikel dat gaat Body Dysmorphic Disorder (BDD), waarin zij met haar voornaam is aangeduid en haar uiterlijke kenmerken zijn beschreven. De Raad heeft de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/58). Verzoekster heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. In haar verzoekschrift geeft zij een nadere toelichting op haar standpunten, zoals die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing. Aan de hand van haar standpunten bestrijdt verzoekster de overwegingen van de Raad. Er zijn geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op de klacht. Niet aannemelijk is geworden dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoekster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om haar herzieningsverzoek gegrond te verklaren.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van  
 
X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 12 november 2012 (RvdJ 2012/58) betreffende haar klacht
 
tegen
 
J. Mat en de hoofdredacteuren van NRC Handelsblad en NRC.Next
 
Bij brief van 9 december 2012 heeft X (hierna: verzoekster) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 12 november 2012 inzake haar klacht tegen J. Mat en de hoofdredacteuren van NRC Handelsblad en NRC.Next (hierna: verweerders). Verweerders hebben bij brief van 15 januari 2013 op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 januari 2013, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 3 mei 2012 met twee bijlagen heeft verzoekster een klacht ingediend tegen verweerders. De klacht betreft een artikel van de hand van Mat dat op 7 november 2011 in NRC Handelsblad is verschenen onder de kop “Ik kijk in de spiegel en zie” en op 10 november 2011 in NRC.Next onder de kop “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet”. In het artikel, dat gaat over Body Dysmorphic Disorder (BDD), is verzoekster met haar voornaam aangeduid en zijn haar uiterlijke kenmerken beschreven.
 
Bij uitspraak van 12 november 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard, waarbij hij onder meer het volgende heeft overwogen:
“De Raad stelt vast dat het artikel gaat over een stoornis die relatief weinig bekend is. Het is maatschappelijk relevant dat aan een dergelijk onderwerp aandacht wordt besteed, om zo de bekendheid te vergroten. (…) De kern van de publicatie ligt daarmee bij de stoornis. Klaagster wordt in de context van het artikel alleen aangehaald als een voorbeeld, om te verduidelijken wat een persoon kan doormaken die aan de stoornis lijdt c.q. heeft geleden. (…)
Volgens de Raad bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van klaagster bij de bescherming van haar privacy onvoldoende hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de stoornis gaat over mensen die geobsedeerd zijn door hun uiterlijk. Het is daarom journalistiek relevant om de uiterlijke kenmerken van klaagster te beschrijven, ook omdat uit het artikel blijkt dat een van die kenmerken de katalysator is geweest voor de stoornis van klaagster.
Dat klaagster door de wijze waarop zij is beschreven door haar directe omgeving in de publicatie is herkend, kan aan het oordeel van de Raad niet afdoen. In dit geval acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat klaagster haar verhaal heeft gedaan tijdens een symposium. De gewraakte passage over klaagster is gebaseerd op wat klaagster op het symposium heeft verteld. Dat symposium was openbaar toegankelijk en er was een specifieke ‘persuitnodiging’ verspreid. Dat aan deelnemers is gevraagd zich vooraf aan te melden maakt dat niet anders. Een dergelijk verzoek is gangbaar en brengt niet mee dat daarmee de bijeenkomst als niet-openbaar kan worden aangemerkt. Het opgetekende verhaal van klaagster is dan ook niet meer dan een herhaling van door haar zelf in het openbaar gegeven informatie. Gezien alle omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat klaagsters privacy door de publicatie disproportioneel is geschaad. (zie punt 2.4.1 van de Leidraad van de Raad)
Het voorgaande brengt tevens mee dat, gezien de context waarin het verhaal van klaagster is geplaatst en de wijze waarop de informatie is vergaard, klaagster niet in de gelegenheid behoefde te worden gesteld om te reageren. (…)
Voor zover klaagster heeft gesteld dat zij ten onrechte als ‘patiënt’ is aangeduid, overweegt de Raad dat in de uitnodiging voor het symposium is vermeld dat een ‘interview met patiënt’ zou plaatsvinden. Dat is het interview met klaagster geweest. Daarnaast blijkt uit het artikel dat psychiaters de mening zijn toegedaan dat de stoornis chronisch is. Uit de woorden “ze vindt zichzelf nog steeds niet mooi, maar ze durft wel weer gewoon naar buiten” blijkt voldoende duidelijk dat klaagster meent dat zij over haar stoornis is heengegroeid. Dat niet is vermeld dat klaagster op een symposium heeft gesproken, is – gezien de kern van het artikel – geen relevante omissie. (zie punt 1.1 van de Leidraad van de Raad)”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoekster zet in haar herzieningsverzoek uitvoerig uiteen waarom zij het niet eens is met de verschillende overwegingen uit de uitspraak van de Raad van 12 november 2012. Zij meent dat de Raad een groot aantal feiten ten onrechte niet bij de beoordeling van haar klacht heeft betrokken. Volgens verzoekerster heeft de Raad verzuimd om op basis van de feiten vast te stellen dat Mat in strijd met de waarheid verzoekster heeft aangeduid als ‘patiënt’, terwijl verzoekster op het symposium is gepresenteerd als ‘ex-patiënt’. De Raad heeft kunnen zien dat sprake is van een discrepantie tussen verzoeksters verschijning op de zittingsdag en de beschrijving van verzoekster in het bewuste artikel. Bovendien is de Raad in het bezit van de live aankondiging (videoregistratie) van het symposium waarin verzoekster door een AMC-psychiater, tevens BDD deskundige, wordt aangekondigd als een persoon die de ziekte heeft overwonnen. De aankondiging op de flyer van het symposium dat er een interview zou plaatsvinden met een ‘patiënt’ kan dus nooit verzoekster betreffen. Op de zittingsdag zijn door Mat geen gegevens gepresenteerd van psychiaters die beweren dat verzoekster een ernstige stoornis heeft. Het was voor de Raad vrij eenvoudig om op basis van deze feiten vast te stellen c.q. te oordelen dat Mat een onwaarheid heeft geschreven, aldus verzoekster.
Verder stelt zij dat de Raad een groot aantal feiten heeft genegeerd bij zijn oordeelsvorming over de privacyschending. Door het vermelden van de voornaam en leeftijd van verzoekster in combinatie met een opsomming van meerdere uiterlijke kenmerken heeft Mat verzoekster als persoon herkenbaar gemaakt. Daarbij heeft Mat medische informatie prijsgegeven. Deze handelwijze dient geen enkel ‘hoger’ of publiekelijk doel. De Raad heeft zich in zijn uitspraak geconcentreerd op het gegeven dat de krant werd uitgenodigd voor het symposium waaruit Mat putte. Kern is echter dat de organisatie van het symposium heeft benadrukt dat sprake was van privacygevoelige informatie en belangstellenden heeft opgeroepen om zorgvuldig om te gaan met de uitgewisselde informatie. De Raad heeft nagelaten Mat te vragen waarom zij meende dat die oproep haar niet betrof. Uit de samenhangende reeks formuleringen in het artikel is voor bekenden, onder wie verzoeksters werkgever, duidelijk op te maken dat het gaat over verzoekster. Bij bekenden kan naar aanleiding van het artikel ten onrechte twijfel zijn gerezen over de stabiliteit van verzoekster. Mat had een gefingeerde naam kunnen gebruiken of een ander uiterlijk kenmerk. De beweegredenen van Mat om dat niet te doen zijn ter zitting niet aan bod gekomen. De Raad heeft verzuimd aan Mat te vragen waarom zij verzoekster in haar artikel zodanig heeft beschreven dat zij herkenbaar is voor bekenden en waarom zij het artikel, alvorens het te publiceren, slechts heeft voorgelegd aan de AMC-psychiater en niet aan verzoekster zelf. Verzoekster meent dat de overwegingen uit de uitspraak van de Raad slecht zijn beargumenteerd en geen steun vinden in de feiten. Uit de uitspraak kan worden opgemaakt dat sprake is van een zekere journalistieke grensoverschrijding, waarvan de schade als ‘proportioneel’ te duiden is. De Raad heeft echter niet duidelijk gemaakt op basis van welke feiten hij tot dit oordeel is gekomen.
Verzoekster kan zich om de hiervoor beschreven redenen niet neerleggen bij het oordeel dat de Raad in zijn uitspraak van 12 november 2012 heeft gegeven.
 
Verweerders stellen dat verzoekster geen nieuwe feiten naar voren heeft gebracht en verwijzen naar hun verweer zoals dat eerder, naar aanleiding van de klacht, is ingebracht.
Ter onderbouwing van de stelling dat BDD een chronische aandoening is, verwijzen zij naar het wetenschappelijke handboek Body Dysmorphic Disorder (2011) waarin op pagina 6 staat: “De stoornis is tijdrovend en chronisch van aard.” Omdat het gaat om een chronische aandoening heeft Mat gemeend te moeten spreken over ‘patiënt’ in plaats van ‘ex-patiënt’. Dit sluit niet uit dat mensen de symptomen van BDD kunnen overwinnen, zoals ook tot uiting komt in het artikel. Verweerders begrijpen de onaangename lading van de term ‘patiënt’ voor de mensen die het betreft. Niettemin lijkt het gebruik van die term hen feitelijk juist. Ten slotte benadrukken verweerders dat het nooit de bedoeling is geweest klaagster te benadelen en zij betreuren ten zeerste dat dit toch is gebeurd. Zij streven ernaar voortaan nog zorgvuldiger te zijn bij het vermelden van (voor)namen in de krant.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.      
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Kern van het verzoek is dat verzoekster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op verzoeksters standpunten zoals die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing. Verzoekster bestrijdt aan de hand van haar standpunten de overwegingen van de Raad uit de uitspraak van 12 november 2012. Zij heeft in haar verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op haar klacht. Het verzoekschrift bevat voornamelijk (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster al in haar klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven.  

Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoekster met hetgeen zij in dit kader in haar verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 12 november 2012 (RvdJ 2012/58) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoekster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 maart 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, H. Blanken, ir. B.L. Hooghoudt, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N'Daw, plaatsvervangend secretaris.