2012/63 afgewezen

Samenvatting

Verzoeker heeft een klacht ingediend over het artikel “‘Dat is niet de stad die we willen’” Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/46). Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op de standpunten van verzoeker zoals die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing. Aan de hand van zijn standpunten bestrijdt verzoeker de overwegingen van de Raad. Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

R.Ch. van Waning

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2012 (RvdJ 2012/46) betreffende zijn klacht tegen

H. Godthelp en de hoofdredacteur van het Amstelveens Nieuwsblad

Bij brief van 15 juli 2012 heeft R.Ch. van Waning te Amstelveen (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 21 augustus 2012 inzake zijn klacht tegen H. Godthelp en de hoofdredacteur van het Amstelveens Nieuwsblad (hierna: verweerders). H. Godthelp (chef redactie) en F. Blok (hoofdredacteur) hebben bij brief van 5 oktober 2012 op het verzoek gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 oktober 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.

DE FEITEN

Bij brief van 22 mei 2012 met twee bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen verweerders. De klacht is gericht tegen een op 25 januari 2012 verschenen artikel onder de kop “‘Dat is niet de stad die we willen.’”, dat – kort gezegd – gaat over een klacht die verzoeker bij het College van B&W van Amstelveen heeft ingediend tegen wethouder Raat. Kern van de klacht was dat verweerders zonder toepassing van wederhoor onjuist en eenzijdig hebben bericht over het geschil tussen klager en de gemeente inzake de handhaving van het scooterverbod in het voetgangersgebied, en dat klager negatief is neergezet.

Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard, waarbij hij onder meer het volgende heeft overwogen:
“Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat zij in diverse publicaties aandacht hebben besteed aan het geschil tussen klager en gemeente. In dat kader bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat verweerders bij publicaties daarover aan de visie van beide partijen altijd evenveel aandacht behoren te geven (vlg. RvdJ 2011/66).
De Raad is verder van oordeel dat verweerders in de gewraakte publicatie voldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat het artikel met name de visie van wethouder Raat op de kwestie behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten en berichtgeving van feitelijke aard. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is.
Mede in aanmerking genomen dat verweerders in eerdere publicaties ook de visie van klager hebben weergegeven stond het hen vrij om in het gewraakte artikel de veel beschreven – en bij lezers bekende – kwestie voornamelijk van één kant te belichten, zonder klager om een reactie te vragen. Daarbij is van belang dat naar het oordeel van de Raad niet is gebleken dat verweerders stelselmatig negatief over klager berichten. Dat klager het niet eens is met de in het artikel beschreven mening van de wethouder, kan aan een en ander niet afdoen.
Dit leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door in het vervolgartikel van 25 januari 2012 over klager te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker betoogt in zijn herzieningsverzoek uitvoerig waarom hij het niet eens is met een aantal overwegingen uit de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2012. Hij handhaaft – samengevat – zijn standpunt dat verweerders niet hebben voldaan aan de journalistieke regels van hoor en wederhoor, waarheidsvinding, zorgvuldigheid, integriteit, betrouwbaarheid en onpartijdigheid. Klager somt op welke feitelijke onjuistheden het artikel naar zijn mening bevat. Verder meent hij dat het artikel niet voldoet aan de eis dat lezers zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld moeten kunnen vormen van een nieuwsfeit, omdat het in allerlei opzichten afwijkt van voorgaande publicaties door de uitingen van persoonlijke rancune van de wethouder jegens verzoeker. Verweerders hebben de wethouder ten onrechte in de gelegenheid gesteld om zich in hun krant op smadelijke wijze over verzoeker uit te laten. Verweerders hebben in strijd gehandeld met hun democratische taak, morele plicht en maatschappelijke verantwoordelijkheid door na te laten kritische vragen te stellen naar aanleiding van uitlatingen van de wethouder die op zijn minst twijfelachtig waren. Het is onbehoorlijk en onwenselijk dat een journalist vanuit persoonlijke motieven de balans ten gunste van de politieke macht doet doorslaan. Verzoeker meent dat verweerders door de wijze waarop het onderwerp in het artikel is belicht, de grenzen van waarheidsgetrouwheid, redelijkheid, betrouwbaarheid, moraliteit en fatsoen niet hebben gerespecteerd. Hij stelt verder dat de Raad ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat verweerders de beginselen van hoor en wederhoor in dit geval niet hebben geschonden en dat zij in de gewraakte publicatie voldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Verzoeker vindt de constateringen van de Raad dat verweerders in eerdere publicaties ook aandacht hebben besteed aan de visie van verzoeker en dat niet is gebleken dat verweerders stelselmatig negatief over verzoeker berichten, onjuist. Al met al is het oordeel van de Raad van 21 augustus 2012 gebaseerd op onjuiste constateringen, onrechtvaardig en onbegrijpelijk, aldus verzoeker.

Verweerders stellen in hun reactie op het verzoekschrift dat verzoeker geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd ten opzichte van zijn oorspronkelijke klacht en verwijzen voor het overige naar hun verweerschrift van 21 juni 2012 met zes bijlagen. Daarin hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat zij zorgvuldig en integer hebben gehandeld. Het door verzoeker bestreden artikel maakt deel uit van een reeks van meerdere publicaties over hetzelfde onderwerp (scooteroverlast op het Stadsplein in Amstelveen). Verzoeker en de gemeente Amstelveen hebben een verschil van mening over de aanpak van de scooteroverlast op het Stadsplein. Amstelveens Nieuwsblad heeft bij herhaling verslag gedaan van de feiten uit deze zaak en heeft beide partijen de gelegenheid geboden hun mening toe te lichten. De klacht van verzoeker richt zich slechts op één van de artikelen in de reeks, te weten het artikel waarin de wethouder de gelegenheid heeft gekregen om zijn visie toe te lichten. Om voor dit artikel opnieuw aan verzoeker naar zijn mening over de zaak te vragen was overbodig, omdat verzoeker zijn mening al meermaals in de krant had geuit.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK

In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.      
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”

Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op de standpunten van verzoeker zoals die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing. Aan de hand van zijn standpunten bestrijdt verzoeker de overwegingen van de Raad uit de uitspraak van 21 augustus 2012. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op zijn klacht. Het verzoekschrift bevat voornamelijk (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven.  

Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in dit kader in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 21 augustus 2012 (RvdJ 2012/46) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 december 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, dr. H.J. Evers, M. Ülger en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J. N’Daw, plaatsvervangend secretaris.