2012/6 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia
 
Bij brief van 24 november 2011 met een bijlage heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerder), waarbij zij heeft verzocht om een versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek afgewezen. A. Vis, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 19 december 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 januari 2012. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door Y. Verweerder was daar niet aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 21 oktober 2011 is in De Twentsche Courant Tubantia een artikel verschenen met de kop “In beroep na vonnis”. Het artikel, dat gaat over een strafzaak tegen (onder anderen) klaagster, vermeldt het volgende:
“De Twentse kozijnenzwendelaar [Y] en zijn vriendin [X] gaan in hoger beroep tegen hun veroordeling in Almelo. De termijn liep gisteren af. [Y].’s eerdere zakenpartner René de V. (51) heeft geen hoger beroep ingesteld. Het trio lichtte tientallen mensen op door betaalde kozijnen niet te leveren.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat verweerder wederom onvoldoende onderscheid maakt tussen de verschillende verdachten in de strafzaak en ten onrechte heeft gesteld dat sprake is van een ‘trio’ dat tientallen mensen heeft opgelicht. Zij wijst in dat verband op haar eerdere klacht bij de Raad betreffende berichtgeving van verweerder (RvdJ 2011/49).
Het artikel waar zij nu over klaagt bericht over het ingestelde beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo. De rechtbank heeft klaagster op verschillende punten vrijgesproken, hetgeen niet in het artikel is vermeld. Van het oplichten van tientallen mensen door klaagster is geen sprake. Aan de hand van die uitspraak kan en mag dus niet worden gesteld dat het een ‘trio’ betreft dat tientallen mensen heeft opgelicht, aldus klaagster.
Zij merkt op dat de journalist van De Twentsche Courant Tubantia alleen aanwezig was tijdens de door de officier van Justitie uitgesproken eis. Hij was afwezig bij de pleidooien en heeft zo bewust gekozen voor eenzijdige berichtgeving.
Klaagster betoogt dat haar door de eenzijdige berichtgeving persoonlijk schade is berokkend en dat wederom geen wederhoor is toegepast.
Klaagster voegt hieraan ter zitting toe dat ze verwacht in hoger beroep verder te worden vrijgesproken. Verder meent ze dat verweerder in het gewraakte bericht of had moeten verwijzen naar zijn berichtgeving van 7 oktober 2011, waarin hij wél onderscheid heeft gemaakt tussen de drie verdachten, dan wel in een extra regel dat onderscheid kenbaar had moeten maken.
Verweerder stelt voorop dat de rechtszaak en het vonnis van de rechtbank Almelo uitgebreid in De Twentsche Courant Tubantia zijn beschreven. In de editie van 7 oktober 2011, de publicatie van het vonnis, staat ook dat klaagster is vrijgesproken van een aantal beschuldigingen. In die publicatie is verder vermeld dat de heren L. en De V. een aanmerkelijk zwaardere straf hebben gekregen. Met die publicatie is het onderscheid tussen de verdachten expliciet gemaakt, aldus verweerder.
Hij wijst erop dat het gewraakte artikel slechts de mededeling betreft dat twee van de drie verdachten in hoger beroep zijn gegaan. Het is juist dat de rechtbank klaagster op bepaalde punten van de tenlastelegging heeft vrijgesproken dan wel tot niet-bewezenverklaring heeft geoordeeld. Klaagster is echter op relevante punten schuldig bevonden, waaronder: het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. De rechtszaak betrof drie verdachten en de drie zaken zijn opeenvolgend van elkaar behandeld. Een en ander rechtvaardigt de wijze van berichtgeving in het gewraakte artikel, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad overweegt dat de strekking van de gewraakte publicatie is dat klaagster en haar partner hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo. Die strekking is ook voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk.
In dat kader is kort geschetst waarover de strafzaak ging, te weten: het oplichten van tientallen mensen, waarbij drie verdachten zijn betrokken.
 
Niet valt in te zien dat verweerder niet over de kwestie had mogen berichten, zoals hij heeft gedaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat klaagster door de rechtbank Almelo schuldig is bevonden aan het ‘medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’. Dat in klaagsters geval wellicht geen sprake is geweest van ‘tientallen’ – zoals zij heeft gesteld – is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door de strafzaak te parafraseren met de zinsnede ‘het trio lichtte tientallen mensen op’.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 februari 2012 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. H.M.M. Nietsch, drs. P. Olsthoornen mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.