2012/59 ongegrond

Samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen berichtgeving over omstreden vastgoedtransacties bij woningcorporatie Laurentius. Kern van de klacht is dat verweerders journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld door het vermelden van de namen van klager en diens onderneming, (voormalige) functies van klager en zijn woon- en werklocaties.
De Raad is van oordeel dat de publicaties een maatschappelijk belang dienen. In de artikelen wordt aandacht besteed aan een strafzaak, waarbij een woningcorporatie is betrokken die mede met publieke gelden wordt gefinancierd. Het genoemde bedrijf van klager speelt kennelijk een relevante rol in die strafzaak, nu het bedrijf ervan verdacht wordt betrokken te zijn bij de strafbare feiten. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerders hebben gedaan. Verder is voldoende aannemelijk dat klager, gezien zijn (voormalige) functies, in de regio algemene bekendheid geniet. Er is geen sprake van een journalistiek onzorgvuldige aantasting van klagers privéleven.
Met betrekking tot de column overweegt de Raad dat columnisten een grote mate van vrijheid toekomt om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer (passages in) columns in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in het onderhavige geval sprake is.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

A. van Dongen, G. Nijland, H. Schenk, P. Verlinden en de hoofdredacteur van BN DeStem

Bij brief van 18 juli 2012 met vijf bijlagen heeft mw. mr. J.M. Sitsen, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen A. van Dongen, G. Nijland, H. Schenk, P. Verlinden en de hoofdredacteur van BN DeStem (hierna: verweerders), waarbij hij heeft verzocht om een versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek afgewezen. Vervolgens heeft H. van Ingen, adjunct-hoofdredacteur a.i., namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 31 juli 2012. Mr. Sitsen heeft daarop gereageerd in een schrijven van 21 augustus 2012. Op die repliek heeft Van Ingen bij brief van 27 augustus 2012 geantwoord. Ten slotte heeft mr. Sitsen bij brieven van 29 augustus en 4 september 2012 nog twee bijlagen overgelegd en de klacht uitgebreid.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 september 2012. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN

Vanaf 23 mei 2012 is in een reeks artikelen in BN DeStem en op de website van de krant aandacht besteed aan omstreden vastgoedtransacties bij woningcorporatie Laurentius. De intro van de publicatie van 23 mei 2012 met de kop “Directeur Laurentius aangehouden” luidt:
“De directeur-bestuurder van de Bredase woningcorporatie Laurentius is afgelopen maandag aangehouden. Volgens betrokkenen heeft het onderzoek te maken met omstreden vastgoedtransacties waar de directeur zelf van zou hebben geprofiteerd.”

Vervolgens is op 24 mei 2012 een artikel van de hand van Schenk gepubliceerd onder de kop “Fraude-onderzoek Laurentius: ook voormalig ROC-baas aangehouden”. Het artikel bevat de volgende passage:
“In het fraudeonderzoek dat loopt tegen directeur [A] van de Bredase woningcorporatie Laurentius blijkt ook de voormalig directeur van het Regionaal Opleidings Centrum West-Brabant, [X] aangehouden te zijn. Ook zijn compagnon, architect [B], zit vast.
[X] is tegenwoordig mededirecteur van […] in […]. Volgens welingelichte bronnen trokken [A] en [X] al jaren samen op in diverse projecten.”

Diezelfde dag verscheen ook een artikel van de hand van Nijland en Schenk onder de kop “Vastgoedfraude Brabant: oud-baas ROC vast, Laurentius voor miljoenen benadeeld.” Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Na directeur-bestuurder [A] van de Bredase woningcorporatie Laurentius zijn ook zijn zakenpartners van projectontwikkelaar […] uit […] maandag aangehouden. (…) Het gaat om vastgoedondernemer [X], voorheen directeur van het Regionaal Opleidingencentrum (ROC) West-Brabant, en architect [B]. [X]en [B] vormen samen de directie van […].”
en
“Volgens meerdere bronnen trokken [A] en [X] al jaren samen op in diverse projecten. Er zijn van […] en Laurentius formeel maar twee gezamenlijke projecten bekend: één in Terneuzen en één in de Bredase spoorzone. Financieel directeur Joop Peijen van Laurentius zei gisteren echter dat de woningcorporatie in meer projecten heeft samengewerkt met […].
Justitie heeft voor 2,3 miljoen euro beslag laten leggen op de bezittingen van [X]. Het gaat om zijn woning in […], het kantoor van […] in […] en deels om een kantoorgebouw op de hoek van […] en […] in […].”

Op 25 mei 2012 is een column van de hand van Verlinden geplaatst, waarin Verlinden uitlegt waarom degenen die in de kwestie betrokken zijn, in dit geval niet met initialen worden aangeduid.

Verder is op 23 augustus 2012 een artikel van de hand van Nijland en Van Dongen gepubliceerd onder de kop “Situatie bij Laurentius ‘zeer ernstig’”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Twee zakenpartners van [A] zijn in het fraudeonderzoek medeverdachte. Het gaat om de directie van vastgoedbedrijf […] uit […]. Eén van de directeuren betreft voormalig directeur [X] van het ROC West-Brabant.”

Op 31 augustus 2012 is nog een artikel verschenen onder de kop “Tientallen tips over fraude corporaties”. In het artikel staat onder meer:
“Bij het Meldpunt Integriteit Woningcorporaties zijn sinds april 2009 462 meldingen binnengekomen. Daarvan zijn er 25 zo serieus dat ze zijn overgedragen aan de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Dat melde het Financieele Dagblad. (…)
Ook het onderzoek naar de toenmalig directeur [A] van Laurentius is vorig jaar gestart naar aanleiding van signalen die bij het meldpunt binnenkwamen. De Eindhovenaar wordt er samen met vastgoedhandelaren [X} en [B] van verdacht Laurentius bij minstens acht vastgoedtransacties voor miljoenen euro’s te hebben benadeeld.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in strijd met de privacybepalingen uit de Leidraad van de Raad combinaties van persoonsnamen, functies, bedrijfsnamen en woon- en werklocaties zijn gepubliceerd. Door de publicatie van deze gegevens kan hij buiten de kring van personen bij wie hij al bekend is, als verdachte worden geïdentificeerd en getraceerd. Volgens klager had de publicatie van deze gegevens achterwege moeten blijven. Zijn naam vormt geen wezenlijk bestanddeel voor de berichtgeving. Dat blijkt mede uit het feit dat niet in alle artikelen namen en andere gegevens van hem worden vermeld. Er is ook geen sprake van algemene bekendheid van klager. Wellicht dat hij wegens zijn voormalige functie en ter zake van zijn werkzaamheden in het vastgoed in de lokale gemeenschap als min of meer publieke figuur zou kunnen worden aangemerkt, maar de vermelding van zijn naam was in dit geval niet journalistiek noodzakelijk. In het verspreidingsgebied van BN DeStem zou door het achterwege laten van zijn naam geen verwarring hebben kunnen ontstaan, omdat in diverse artikelen gebruik is gemaakt van functie-aanduidingen. Ook zonder vermelding van namen zou daarom sprake zijn van voldoende duidelijke berichtgeving voor de lezers. Nu is hij echter ook buiten het verspreidingsgebied aan ongewilde publiciteit blootgesteld. Het niet-vermelden van zijn gegevens dient een doel, te weten dat hij niet landelijk bekend raakt als verdachte in een fraudezaak. Verder is geen sprake van opsporingsberichtgeving en heeft klager niet zelf de openbaarheid gezocht.
Volgens klager hadden verweerders hem eenvoudig kunnen aanduiden met een bepaalde omschrijving en is de publicatie van zijn gegevens niet te rechtvaardigen. Ondanks het feit dat hij door de publicaties in zijn eigen woon- en leefgemeenschap wellicht door sommigen kan worden geïdentificeerd, rechtvaardigt dit niet dat er geen rekening wordt gehouden met zijn privacy en belangen buiten deze regio. Daarbij komt dat de publicatie van de gegevens ertoe leidt dat er een publieke opinie ontstaat die een nadelige invloed kan hebben op het procesverloop in zijn zaak.
Het verbaast klager dat ook na indiening van de onderhavige klacht verweerders hun handelwijze hebben voortgezet en niet eerst de uitspraak van de Raad hebben afgewacht.

Verweerders stellen dat klager ervan wordt verdacht dat hij zich – samen met de directeur-bestuurder van Laurentius – via diverse onroerendgoedtransacties heeft verrijkt ten koste van de woningcorporatie. Omdat het hier gaat om publieke gelden dienen de publicaties een maatschappelijk belang. Om een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld te schetsen is het noodzakelijk de naam van het bedrijf van klager te vermelden waarmee de frauduleuze handelingen zijn verricht. Dat argument geldt ook voor het vermelden wat precies in beslag is genomen bij de verdachten. Verweerders wijzen er in dat verband op dat de exacte adresgegevens niet zijn vermeld.
Verder achten verweerders het van belang de vorige functie van klager te vermelden, omdat hij en de directeur-bestuurder van Laurentius ook in die periode al zakelijke contacten onderhielden.
Verweerders stellen voorts dat klager algemene bekendheid geniet in het verspreidingsgebied van BN DeStem en in de rest van de provincie Noord-Brabant. Dat komt onder meer omdat klager directeur is geweest van de grootste onderwijsinstelling in dat gebied en daarna ook regelmatig in de publiciteit is gekomen vanwege allerlei bouwprojecten. Volgens verweerders dient het weglaten van de naam van klager dan ook geen doel.
Met betrekking tot de column voeren verweerders aan dat columnisten een grotere vrijheid hebben hun mening te geven over personen en gebeurtenissen. Klager heeft niet aangevoerd dat de column beledigend of kwetsend is.
Verweerders ontkennen ten slotte dat zij beschuldigingen hebben geuit aan het adres van klager. Op basis van eigen onderzoek hebben zij weergegeven waarvan klager door justitie wordt verdacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat verweerders journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld door het vermelden van de namen van klager en diens onderneming, (voormalige) functies van klager en zijn woon- en werklocaties.

De Raad stelt voorop dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daar staat tegenover dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad)
Voorts is ten aanzien van het publiceren van persoonlijke gegevens van verdachten en veroordeelden terughoudendheid geboden. Een journalist dient te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punt 2.4.6. van de Leidraad)

Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie echter op zichzelf niet journalistiek onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds.

In lijn met eerdere uitspraken overweegt de Raad verder dat het niet zonder meer journalistiek onzorgvuldig is indien in een publicatie over een strafzaak de naam van een onderneming wordt vermeld. Indien de desbetreffende onderneming een essentiële rol speelt in de strafzaak, kan het van zodanig maatschappelijk belang zijn om de gegevens van die onderneming in de berichtgeving te vermelden, dat het privacybelang van de daardoor eenvoudig te identificeren ondernemer daarvoor moet wijken. (vgl. onder meer RvdJ 2007/65)
 
De Raad is van oordeel dat de onderhavige publicaties een maatschappelijk belang dienen. In de artikelen wordt aandacht besteed aan een strafzaak, waarbij een woningcorporatie is betrokken die mede met publieke gelden wordt gefinancierd. Het in de artikelen genoemde bedrijf van klager speelt kennelijk een relevante rol in die strafzaak, nu het bedrijf ervan verdacht wordt betrokken te zijn bij de strafbare feiten. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerders hebben gedaan. Verder acht de Raad voldoende aannemelijk dat klager, gezien zijn (voormalige) functies, in de regio algemene bekendheid geniet.

Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerders op verantwoorde wijze de belangen van klager bij de bescherming van diens privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicaties is gediend. Er is geen sprake van een journalistiek onzorgvuldige aantasting van klagers privéleven. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat ten aanzien van de woon- en werklocaties geen exacte adressen zijn vermeld.

Met betrekking tot de column overweegt de Raad ten slotte dat columnisten een grote mate van vrijheid toekomt om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer (passages in) columns in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. (zie punt 3.1. van de Leidraad)

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 november 2012 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, A. Mellink MPA, mw. drs. J.X. Nabibaks en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.