2012/58 ongegrond

Samenvatting

De klacht betreft een publicatie over Body Dysmorphic Disorder, waarin klaagster met haar voornaam is aangeduid. De stoornis gaat over mensen die geobsedeerd zijn door hun uiterlijk. Het is journalistiek relevant om de uiterlijke kenmerken van klaagster te beschrijven, ook omdat uit het artikel blijkt dat een van die kenmerken de katalysator is geweest voor de stoornis van klaagster. Dat klaagster door haar directe omgeving in de publicatie is herkend, kan aan het oordeel niet afdoen. Van doorslaggevende betekenis is, dat klaagster haar verhaal heeft gedaan tijdens een symposium. De passage over klaagster is niet meer dan een herhaling van door haar zelf in het openbaar gegeven informatie. Niet kan worden geconcludeerd dat klaagsters privacy disproportioneel is geschaad.
Klaagster behoefde niet in de gelegenheid te worden gesteld om te reageren. Overigens heeft een journalist in het algemeen geen toestemming voor of instemming met een publicatie nodig van degene over wie hij publiceert. Weliswaar hebben verweerders duidelijk gemaakt dat zij de gang van zaken achteraf betreuren en dat het beter zou zijn geweest als klaagster vooraf over de publicatie was geïnformeerd, maar dit betekent niet dat zij journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
Voor zover klaagster heeft gesteld dat zij ten onrechte als ‘patiënt’ is aangeduid, overweegt de Raad dat in de uitnodiging voor het symposium is vermeld dat een ‘interview met patiënt’ zou plaatsvinden. Daarnaast volgt uit het artikel dat psychiaters de mening zijn toegedaan dat de stoornis chronisch is. Verder blijkt voldoende duidelijk dat klaagster meent dat zij over haar stoornis is heengegroeid. Dat niet is vermeld dat klaagster op een symposium heeft gesproken, is geen relevante omissie.
Verweerders hebben met de publicatie niet ontoelaatbaar gehandeld. Dat neemt niet weg dat het beter zou zijn geweest als zij sneller hadden gereageerd, nadat klaagster haar bezwaren aan hen had kenbaar gemaakt, en eerder hun spijt over de gang van zaken hadden betuigd. Daarmee zou wellicht de procedure bij de Raad zijn voorkomen.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

J. Mat en de hoofdredacteuren van NRC Handelsblad en NRC.Next

Bij brief van 3 mei 2012 met twee bijlagen heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen J. Mat, journaliste, en de hoofdredacteuren van NRC Handelsblad en NRC.Next (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord bij brief van 30 juli 2012 met bijlagen. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 24 augustus 2012 met twaalf bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 september 2012. Klaagster was daar aanwezig en heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders zijn J. Mat en R. Wijnberg, hoofdredacteur NRC.Next, verschenen.
 
DE FEITEN

Op 7 november 2011 is in NRC Handelsblad, in de rubriek ‘Het Grote Verhaal’, een artikel van de hand van Mat verschenen onder de kop “Ik kijk in de spiegel en zie”. Het artikel gaat over Body Dysmorphic Disorder (BDD), een stoornis waarbij mensen geobsedeerd zijn door een vermeende lelijkheid van een lichaamsdeel. In het artikel wordt bericht dat psychiaters van het Academisch Medisch Centrum in oktober 2011 het eerste Nederlandstalige handboek over BDD hebben gepubliceerd. Ook wordt aandacht besteed aan klaagster, waarbij haar voornaam en leeftijd zijn vermeld en haar uiterlijk is omschreven. Verder wordt over haar het volgende geschreven:
“Ze vertelde haar vrienden niet hoezeer ze tobde over haar uiterlijk. Want: wie maakt zich daar geen zorgen over? Haar vriendinnen hadden ook wel iets waar ze onzeker over waren. Maar bij [X] ging het verder, oordeelden psychiaters. [X] heeft een ernstige stoornis. Ze is behandeld met pillen en gesprekstherapie. Ze vindt zichzelf nog steeds niet mooi, maar ze durft wel weer gewoon naar buiten.”

Op 10 november 2011 verscheen hetzelfde artikel in NRC.Next onder de kop “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet” als coververhaal.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster meent dat zij door de vermelding van persoonlijke gegevens in combinatie met de beschrijving van haar uiterlijk in het artikel kan worden herkend. Zij stelt dat aldus haar privacy is aangetast. Daarbij komt dat een gevoelig deel van haar medische geschiedenis is beschreven. Volgens klaagster is bij het vermelden van medische gegevens bijzondere voorzichtigheid geboden. Die vermelding kan namelijk grote gevolgen hebben voor een betrokkene, zelfs bij identificatie in kleine kring. Dit blijkt wel uit het feit dat zij op de publicatie is aangesproken door vrienden, kennissen, collega’s en haar werkgever.
Ter zitting heeft klaagster benadrukt dat het haar keuze zou moeten zijn wie zij informeert over haar medische achtergrond. Verweerders zouden zich van de omvang van deze gevolgen bewust moeten zijn. Daarbij moet ook worden gerealiseerd dat een patiënt zich in een afhankelijke positie bevindt ten opzichte van zijn zorgverlener. Volgens klaagster zijn de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen zodanig dat met de enkele vermelding van een voornaam geen anonimiteit is gewaarborgd.
Daarnaast stelt klaagster dat in het artikel inhoudelijk onjuiste informatie is opgenomen en ten onrechte de context niet is vermeld. Zo is niet vermeld dat zij tijdens een symposium ten behoeve van de publicatie van het handboek over BDD haar ervaringen heeft gedeeld met een zaal van belangstellenden, professionals en patiënten. Bovendien is zij ten onrechte beschreven als ´patiënt´, terwijl zij sprak als ex-patiënt. Volgens klaagster is geen sprake van een chronische stoornis, waarvan een persoon nooit kan genezen. Ze vindt dat ze niet meer kan worden aangeduid als patiënt en is ook zo niet aangekondigd in de uitnodiging voor het symposium. Zoals ze daar heeft verteld, heeft ze de stoornis overwonnen. Dat wordt echter ten onrechte niet in het artikel vermeld. Ook heeft Mat alleen de donkerste plekjes uit haar medische achtergrond vermeld en niet de positieve dingen.
Klaagster licht verder toe dat het symposium semi-openbaar was, en dat aan het begin is gevraagd om zorgvuldig om te springen met de privacy van betrokkenen. Mensen hebben zich vooraf moeten aanmelden, met vermelding van de naam van de organisatie waarvoor ze werkzaam zijn. Mat heeft dat niet gedaan.
Verder meent klaagster dat zelfs als zij zou hebben gesproken op een openbaar symposium, dat nog niet betekent dat zij van volledige anonimisering heeft afgezien. Volgens haar geven verweerders geen valide argumenten waarom zij niet tot volledige anonimisering zijn overgegaan. Ten onrechte verwijzen verweerders ernaar dat een AMC-psychiater geen bezwaar maakte tegen de vermelding van haar naam. Volgens klaagster hadden verweerders zorgvuldiger moeten omgaan met hun bron. Daarbij komt dat Mat uit haar verhaal kon opmaken dat zij juist niet voor vrienden en kennissen herkenbaar wilde zijn, zodat om die reden volledige anonimisering voor de hand lag. Ook had het voor Mat duidelijk moeten zijn dat, gezien de stoornis, een beschrijving van haar uiterlijk pijnlijk is.
Volgens klaagster hadden verweerders haar voorafgaand aan de publicatie daarover moeten informeren en haar inzage moeten geven in de tekst, waarbij zij de gelegenheid had moeten krijgen op het artikel te reageren.
Ten slotte wijst klaagster erop dat het lang heeft geduurd voordat er een gesprek met verweerders plaatsvond. Dat gebeurde bovendien pas nadat klaagster zelf contact had gezocht en een aantal brieven aan verweerders had gestuurd.

De hoofdredacteuren van NRC Handelsblad en NRC.Next zijn van mening dat er geen feitelijke onjuistheden in het stuk staan. De passage over klaagster is een correcte en samengevatte weergave van wat zij zelf op het openbare symposium heeft verteld. Omdat Mat zich bewust was van de gevoeligheid van het onderwerp, heeft zij ervoor gekozen alleen de voornaam van klaagster te vermelden. Volledige anonimisering was niet nodig, omdat klaagster er zelf voor had gekozen haar verhaal te doen op een publieke bijeenkomst met ongeveer 100 personen, waarvoor ook de pers was uitgenodigd. Het artikel is niet tendentieus en de passage over klaagster is niet uit de context gerukt.
Ter zitting benadrukt Wijnberg dat het belangrijk is om over een dergelijk onderwerp te schrijven om zo het maatschappelijke begrip te vergroten. Het spijt hem wel dat klaagster op of na het symposium niet op de hoogte is gesteld van het artikel en haar rol daarin.
Achteraf bezien was het verstandiger geweest, als dat wel zou zijn gebeurd. Om dat duidelijk te maken heeft er ook een gesprek plaatsgevonden met klaagster. De hoofdredactie heeft hier een les uit getrokken en in volgende soortgelijke gevallen zullen ze het anders doen. Een rectificatie was echter niet aan de orde.
Mat voegt hieraan toe dat zij heeft beseft dat vermelding in een landelijke krant voor klaagster anders zou zijn dan haar optreden op het (kleine) symposium. Daarom heeft zij alleen de voornaam van klaagster gebruikt. Vanwege de aard van het artikel was het nodig een uiterlijk kenmerk te benoemen, ook al was duidelijk dat het een gevoelig punt betrof. Zij dacht echter dat het gebruik van de voornaam en het vermelden van een uiterlijk kenmerk niet bezwaarlijk zouden zijn, ook al zou klaagster daarmee herkenbaar worden voor haar directe omgeving. Mat ging ervan uit dat het verhaal over klaagster geen nieuws zou zijn voor mensen die haar kennen. Daarbij komt dat klaagster ervoor heeft gekozen op een symposium over haar ervaringen te vertellen. Het is niet gebruikelijk bij NRC om gefingeerde namen te gebruiken, zodat ze dat ook niet heeft overwogen. Verder voert Mat aan dat ze gebruik heeft gemaakt van verschillende bronnen die zij op het symposium en daarna heeft gesproken, van haar aantekeningen van het symposium en van het boek. Mat wijst erop dat zij klaagster bewust niet letterlijk heeft geciteerd, maar het verhaal van klaagster heeft samengevat om duidelijk te maken wat een BDD-patiënt kan doormaken. Daarbij heeft zij het verhaal op dezelfde manier in de tijd geplaatst (in verleden- dan wel tegenwoordige tijd) als klaagster op het symposium heeft gedaan. Zij heeft verder niet verwezen naar het symposium, omdat het artikel pas drie weken daarna is gepubliceerd. Verder stelt Mat dat zij zich niet heeft aangemeld, omdat zij pas op het laatste moment besloot om naar het symposium te gaan. Tijdens de pauze heeft zij zich aan de mensen met wie zij sprak voorgesteld als journaliste. Er is haar toen niets verteld over speciale privacybescherming. De AMC-psychiater aan wie het artikel is voorgelegd, plaatste ook geen kanttekening bij het vermelden van de voornaam van klaagster. Achteraf beschouwt zij het wel als een vergissing dat zij klaagster niet vooraf op de hoogte heeft gesteld van de publicatie, mede omdat zij dan kennis had kunnen nemen van eventuele bezwaren daartegen. Gezien de vrije nieuwsgaring is het echter geen verplichting om de precieze inhoud van een publicatie af te stemmen met een betrokkene, aldus Mat.
Ten slotte wijzen verweerders er nog op dat de zinsnede “[X] heeft een ernstige stoornis” in de tegenwoordige tijd staat, omdat psychiaters BDD als een chronische aandoening beschouwen. Bovendien was klaagster op de uitnodiging voor het symposium aangeduid als ‘patiënt’ en niet als ‘ex-patiënt’.
Verweerders betreuren dat een en ander zo is gelopen, maar menen dat zij niet journalistiek verwijtbaar jegens klaagster hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt vast dat het artikel gaat over een stoornis die relatief weinig bekend is. Het is maatschappelijk relevant dat aan een dergelijk onderwerp aandacht wordt besteed, om zo de bekendheid te vergroten. In het artikel wordt beschreven wat de stoornis inhoudt en wat de symptomen zijn, waarbij verschillende experts aan het woord zijn gelaten. Bovendien is de stoornis in de maatschappelijke context van maakbare schoonheid en correcties aan het uiterlijk geplaatst. De kern van de publicatie ligt daarmee bij de stoornis. Klaagster wordt in de context van het artikel alleen aangehaald als een voorbeeld, om te verduidelijken wat een persoon kan doormaken die aan de stoornis lijdt c.q. heeft geleden.

Vaststaat dat klaagster heeft gesproken op een symposium dat ten behoeve van de publicatie van een Nederlandstalig handboek over de stoornis is georganiseerd. Klaagster heeft daar verteld over haar ervaringen. Mat is op dat symposium aanwezig geweest en heeft het verhaal van klaagster in het artikel samengevat weergegeven, waarbij zij alleen de voornaam van klaagster heeft vermeld.

Volgens de Raad bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van klaagster bij de bescherming van haar privacy onvoldoende hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de stoornis gaat over mensen die geobsedeerd zijn door hun uiterlijk. Het is daarom journalistiek relevant om de uiterlijke kenmerken van klaagster te beschrijven, ook omdat uit het artikel blijkt dat een van die kenmerken de katalysator is geweest voor de stoornis van klaagster.
Dat klaagster door de wijze waarop zij is beschreven door haar directe omgeving in de publicatie is herkend, kan aan het oordeel van de Raad niet afdoen. In dit geval acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat klaagster haar verhaal heeft gedaan tijdens een symposium. De gewraakte passage over klaagster is gebaseerd op wat klaagster op het symposium heeft verteld. Dat symposium was openbaar toegankelijk en er was een specifieke ‘persuitnodiging’ verspreid. Dat aan deelnemers is gevraagd zich vooraf aan te melden maakt dat niet anders. Een dergelijk verzoek is gangbaar en brengt niet mee dat daarmee de bijeenkomst als niet-openbaar kan worden aangemerkt. Het opgetekende verhaal van klaagster is dan ook niet meer dan een herhaling van door haar zelf in het openbaar gegeven informatie. Gezien alle omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat klaagsters privacy door de publicatie disproportioneel is geschaad. (zie punt 2.4.1 van de Leidraad van de Raad)

Het voorgaande brengt tevens mee dat, gezien de context waarin het verhaal van klaagster is geplaatst en de wijze waarop de informatie is vergaard, klaagster niet in de gelegenheid behoefde te worden gesteld om te reageren. Een journalist behoeft in het algemeen ook geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Weliswaar hebben verweerders duidelijk gemaakt dat zij de gang van zaken achteraf betreuren en dat het beter zou zijn geweest als klaagster vooraf over de publicatie was geïnformeerd, maar dit betekent niet dat zij journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Voor zover klaagster heeft gesteld dat zij ten onrechte als ‘patiënt’ is aangeduid, overweegt de Raad dat in de uitnodiging voor het symposium is vermeld dat een ‘interview met patiënt’ zou plaatsvinden. Dat is het interview met klaagster geweest. Daarnaast blijkt uit het artikel dat psychiaters de mening zijn toegedaan dat de stoornis chronisch is. Uit de woorden “ze vindt zichzelf nog steeds niet mooi, maar ze durft wel weer gewoon naar buiten” blijkt voldoende duidelijk dat klaagster meent dat zij over haar stoornis is heengegroeid. Dat niet is vermeld dat klaagster op een symposium heeft gesproken, is – gezien de kern van het artikel – geen relevante omissie. (zie punt 1.1 van de Leidraad van de Raad)

Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerders met de publicatie geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat neemt niet weg dat het beter zou zijn geweest als verweerders sneller hadden gereageerd, nadat klaagster haar bezwaren aan hen had kenbaar gemaakt, en eerder hun spijt over de gang van zaken hadden betuigd. Daarmee zou wellicht deze procedure bij de Raad zijn voorkomen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 12 november 2012 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, A. Mellink MPA, mw. drs. J.X. Nabibaks en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.