2012/55 afgewezen

Samenvatting

Verzoeker heeft een klacht ingediend over het artikel “Weer diplomafraude” met de bovenkop “Docenten HvA klappen uit de school”. Bij uitspraak van 27 juli 2012 (RvdJ 2012/34) heeft de Raad zich onthouden van een oordeel. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Zoals ook blijkt uit het herzieningsverzoek is de kern van de klacht dat in het gewraakte artikel ten onrechte bepaalde uitspraken aan klager zijn toegeschreven. De Raad heeft zich van een oordeel onthouden, waarbij van doorslaggevende betekenis is geweest dat hij niet heeft kunnen vaststellen wat klager in zijn telefoongesprek met de Telegraaf-journalist heeft besproken. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker niet beargumenteerd dat en waarom de Raad bij zijn overwegingen ter zake zou zijn uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op feiten en omstandigheden die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing en op gebeurtenissen die na de behandeling ter zitting hebben plaatsgevonden. Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat in de uitspraak van de Raad ten onrechte gelezen kan worden dat verzoeker zich tijdens het bedoelde telefoongesprek in een rommelige ruimte bevond, is dit onvoldoende om het verzoek tot herziening te honoreren. Deze omissie betreft geen feit waarop de beslissing van de Raad is gebaseerd. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

P.J. Fonkert

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 3 juli 2012 (RvdJ 2012/34) betreffende zijn klacht tegen

H. Nijen Twilhaar en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 27 juli 2012 met 10 bijlagen heeft P.J. Fonkert te Amsterdam (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 3 juli 2012 inzake zijn klacht tegen H. Nijen Twilhaar en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Verweerders hebben niet op het verzoek tot herziening gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 september 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.

DE FEITEN

Bij brief van 31 maart 2012 met vier bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen verweerders. De klacht gaat over een op 19 december 2011 in De Telegraaf verschenen artikel van de hand van Nijen Twilhaar met de kop “Weer diplomafraude” en de bovenkop “Docenten HvA klappen uit de school.”

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 mei 2012 in aanwezigheid van verzoeker. Verweerders zijn daar niet verschenen. Bij uitspraak van 3 juli 2012 heeft de Raad zich onthouden van een oordeel, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“Bij zijn beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van de klacht niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. Verweerders hebben ervoor gekozen geen verweer te voeren en hebben derhalve de Raad geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelswijze van verweerders ernstig wordt bemoeilijkt.
In het bijzonder in de onderhavige zaak is voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis nodig ten aanzien van hetgeen klager op 18 december 2011 telefonisch met Nijen Twilhaar heeft besproken ten aanzien van de inhoud van de gemaakte afspraken, dan waarover de Raad beschikt.
De Raad is van mening dat hij louter op basis van hetgeen klager heeft aangevoerd en de door klager overgelegde stukken onvoldoende kan beoordelen of de standpunten van klager al dan niet juist zijn. Op grond van artikel 9, lid 4 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad onthoudt de Raad zich daarom van een oordeel over de klacht.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt allereerst dat op de zitting van 11 mei 2012 verwarring is ontstaan over de delen die al dan niet terecht in het artikel van 19 december 2011 zijn vermeld. Die verwarring zet verzoeker recht in zijn herzieningsverzoek. Hij voegt hieraan toe dat de negatieve uitwerking van het Telegraaf-artikel is versterkt, doordat het artikel is verspreid via Mediawatch, een gratis service van het ANP. Verzoeker merkt op dat Mediawatch niet checkt of de gepubliceerde en geciteerde berichten juist zijn. Omdat deze service destijds nieuw was, werd het artikel door menig redactie geciteerd, waarbij onvoldoende werd herkend dat het om een niet-geverifieerd bericht ging.
Verder wijst hij erop dat op 14 mei 2012 – kort na de zitting van de Raad – het verslag is verschenen van de Onderwijsinspectie over de gang van zaken bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA) in het algemeen en de International Business School (IBS) van het Domein Economie & Management in het bijzonder. In dat verslag wordt gesuggereerd dat hij contact heeft gezocht met De Telegraaf en de bron is van het verstrekken van onjuiste informatie aan De Telegraaf. Hoewel verzoeker onmiddellijk na het verschijnen van het artikel op 19 december 2011 in veel media in alle toonaarden heeft ontkend dat volgens hem sprake was van diplomafraude en heeft betwist dat hij stukken heeft gelekt naar de pers, hebben noch de Onderwijsinspectie noch de HvA de moeite genomen hem hierover persoonlijk te raadplegen. Verzoeker heeft een e-mail aan collega’s opgesteld, waarin antwoord is gegeven op hun terechte vragen. Het College van Bestuur van de HvA heeft echter geweigerd de e-mail door te sturen naar zijn collega’s.
Tot slot betwist verzoeker dat hij zich ten tijde van het telefoongesprek van 18 december 2011 met de Telegraaf-journalist ‘in een rommelige omgeving bevond’, zoals in de uitspraak van de Raad is vermeld onder ‘Het standpunt van klager’. Het was juist de Telegraaf-journalist die werd omringd door lawaai van kinderen, aldus verzoeker.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:           
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.     
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in dit kader in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 13 juli 2012 (RvdJ 2012/34) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Zoals ook blijkt uit het herzieningsverzoek is de kern van de klacht dat in het gewraakte artikel ten onrechte bepaalde uitspraken aan klager zijn toegeschreven. De Raad heeft zich van een oordeel onthouden, waarbij van doorslaggevende betekenis is geweest dat hij niet heeft kunnen vaststellen wat klager in zijn telefoongesprek met de Telegraaf-journalist heeft besproken. De Raad heeft in zijn beslissing ter zake onder meer overwogen:
 “In het bijzonder in de onderhavige zaak is voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis nodig ten aanzien van hetgeen klager op 18 december 2011 telefonisch met Nijen Twilhaar heeft besproken ten aanzien van de inhoud van de gemaakte afspraken, dan waarover de Raad beschikt.”

In zijn verzoekschrift heeft verzoeker niet beargumenteerd dat en waarom de Raad zijns inziens bij de hiervoor geciteerde overweging zou zijn uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op feiten en omstandigheden die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing en op gebeurtenissen die na de behandeling ter zitting hebben plaatsgevonden.

Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat in de uitspraak van de Raad in de zinsnede “Tijdens het telefoongesprek, dat plaatsvond terwijl hij zich in een ‘rommelige omgeving’ bevond, is klager met Nijen Twilhaar overeengekomen …….”, ten onrechte gelezen kan worden dat verzoeker zich tijdens het bedoelde telefoongesprek in een rommelige ruimte bevond, is dit onvoldoende om het verzoek tot herziening te honoreren. Deze omissie betreft immers geen feit waarop de beslissing van de Raad is gebaseerd.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 12 oktober 2012 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. M.E.L. Kogeldans, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. H.M.M. Nietsch, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.