2012/54 afgewezen

Samenvatting

Verzoeker heeft een klacht ingediend over een uitzending van Undercover in Nederland van 24 oktober 2011. Bij uitspraak van 22 juni 2012 (RvdJ 2012/33) heeft de Raad zich gedeeltelijk onthouden van een oordeel en verder de klacht ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
In het verzoekschrift geeft verzoeker te kennen dat hij zich niet kan vinden in de gewraakte uitzending, de journalistieke handelwijze en de uitspraak van de Raad. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoeker al in zijn klacht heeft geformuleerd. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger. De Raad heeft zich juist uitdrukkelijk onthouden van een oordeel waar het gaat om de feitelijke (on)juistheden met betrekking tot het syndroom van Asperger. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de uitspraak van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
De herzieningskamer benadrukt dat indien de Raad zich in een uitspraak over (een onderdeel van) een klacht uitdrukkelijk heeft onthouden van een oordeel, niet middels een herzieningsverzoek kan worden bewerkstelligd dat de Raad alsnog een oordeel uitspreekt. Dit kan anders zijn indien het herzieningsverzoek berust op relevante nieuwe feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, maar bij de klager niet bekend waren of bij hem redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Daarvan is hier geen sprake.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 22 juni 2012 (RvdJ 2012/33) betreffende zijn klacht tegen
 
A. Stegeman en de hoofdredacteur van Undercover in Nederland (Noordkaap TV Producties en SBS6)
 
Bij brief van 24 juni 2012 met één bijlage heeft X (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 22 juni 2012 inzake zijn klacht tegen A. Stegeman en de hoofdredacteur van Undercover in Nederland (Noordkaap TV Producties en SBS6) (hierna: verweerders). Namens verweerders heeft mw. mr. J.A.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam, bij brief van 16 augustus 2012 op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 september 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 25 januari 2012 met negentien bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen verweerders. De klacht gaat over een uitzending van het televisieprogramma Undercover in Nederland van 24 oktober 2011, waarin aandacht is besteed aan verzoeker en het syndroom van Asperger.
 
Bij uitspraak van 22 juni 2012 heeft de Raad zich onthouden van een oordeel, voor zover verzoeker heeft betoogd dat de uitzending feitelijke onjuistheden over het syndroom van Asperger bevat. Ten aanzien hiervan heeft de Raad in zijn uitspraak het volgende overwogen:
“In de uitzending is aan de orde gesteld dat klager zich aanbiedt als spermadonor en daarbij niet meldt dat hij een erfelijke aandoening – te weten het syndroom van Asperger – heeft. De Raad benadrukt dat hij niet kan vaststellen of het syndroom van Asperger al dan niet erfelijk is. Uit de standpunten van partijen en de door hen overgelegde stukken blijkt in ieder geval genoegzaam dat daarover in de wetenschap (nog) geen consensus bestaat. Voor zover klager heeft betoogd dat de uitzending feitelijke onjuistheden over het syndroom van Asperger bevat, zal de Raad zich derhalve van een oordeel onthouden.”
 
De Raad heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Ten aanzien van dit oordeel heeft de Raad in zijn uitspraak onder meer het volgende overwogen:
“Voorts maakt de Raad uit het beschikbare materiaal op dat het syndroom van Asperger door sommigen als een ziekte wordt beschouwd en dat dit syndroom (ook) negatieve aspecten kent.
In dit licht bezien acht de Raad het maatschappelijk en journalistiek relevant om de handelwijze van klager aan de kaak te stellen en daarbij een kritische benadering te kiezen, op de wijze zoals verweerders hebben gedaan.”
en
Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitzending is gebaseerd op eigen onderzoek, dat zij naar aanleiding van diverse tips hebben verricht. (...) In dat verband is relevant dat verweerders niet alleen direct betrokkenen (wensmoeders) aan het woord hebben gelaten, maar ook personen die objectief bezien als deskundigen beschouwd mogen worden. Dat klager zich in de zienswijze van deze deskundigen niet kan vinden, doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de Raad hadden verweerders voldoende aanleiding om in de uitzending over klager te berichten.”
en
De Raad is van oordeel dat het uitgezonden materiaal dat verweerders met de aldus gevolgde werkwijze hebben vergaard, concretiseringen en bijzonderheden ten aanzien van de handelwijze van klager bevatten, die aan de uitzending authenticiteit en daarmee een relevante meerwaarde gaven. De Raad acht het niet aannemelijk dat verweerders dit ook op andere wijze hadden kunnen realiseren. De maatschappelijke relevantie van het onderwerp mede in aanmerking genomen, acht de Raad onder deze omstandigheden de handelwijze van verweerders niet ontoelaatbaar.”
Daarbij komt dat klagers naam niet is vermeld, dat zijn gezicht onherkenbaar is gemaakt en dat zijn stem is vervormd. Van een ontoelaatbare schending van klagers privacy is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Dat klager wellicht in kleine kring is herkend, kan daaraan niet afdoen.
Bovendien hebben verweerders voorafgaand aan de uitzending wederhoor toegepast.”
en
Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk geworden dat een zodanig vertekend beeld van klager is geschetst, dat daarmee jegens hem journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat Stegeman klager zou hebben bedreigd en/of geïntimideerd, zoals klager heeft gesteld.”
en
“(…), klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerders journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld door van deze bronnen gebruik te maken.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker vindt vooral opmerkelijk dat de Raad zich heeft onthouden van een uitspraak over de door hem gestelde feitelijke onjuistheden ten aanzien van het syndroom van Asperger. Dit is nou juist de kern van zijn klacht, aldus verzoeker. Hij wordt immers in de uitzending beschuldigd van het hebben van een erfelijke ziekte, terwijl verweerders niet aantonen dat dit juist is. Verzoeker handhaaft zijn standpunt dat uit diverse wetenschappelijke publicaties blijkt dat hij geen ziekte heeft, noch erfelijk belast is. Volgens verzoeker bestaat er wel degelijk wetenschappelijke consensus op dit punt, te weten dat het syndroom van Asperger niet erfelijk is en niet erfelijk kan zijn. Hij benadrukt dat geen van de door verweerders ingebrachte deskundigen voldoet aan de eisen die volgens jurisprudentie van de Hoge Raad aan deskundigen moeten worden gesteld. Volgens verzoeker heeft de Raad geblunderd door te overwegen dat: “….het syndroom van Asperger door sommigen als een ziekte wordt beschouwd en dat dit syndroom (ook) negatieve aspecten kent.” Het syndroom van Asperger is – net als homoseksualiteit – geen ziekte maar een sociale norm die wel of niet geaccepteerd wordt in een bepaalde cultuur, in een bepaald tijdvak, aldus verzoeker.
Verder stelt verzoeker dat de Raad ten onrechte heeft aangenomen dat er een ‘gewichtig maatschappelijk belang’ zou zijn geweest bij de uitzending. Hij is het oneens met de overweging van de Raad “Dat de handelswijze van klager door het grote publiek waarschijnlijk als moreel verwerpelijk zal worden opgevat, blijkt genoegzaam uit hetgeen de geïnterviewden in de uitzending hebben verteld. (….)” en meent dat de Raad deze overweging ten onrechte niet nader heeft onderbouwd.
Verzoeker meent voorts dat de Raad de pseudodeskundigen van verweerders wel heeft geaccepteerd, maar de door hem aangedragen deskundigen heeft genegeerd.  Daarnaast is de Raad ten onrechte aan het door hem aangedragen voorbeeld van wensmoeder ‘X’ voorbij gegaan. Uit dat geval blijkt dat hij bona fide heeft gehandeld, aldus verzoeker.
Hij betoogt verder dat het gebruik van de verborgen camera – in tegenstelling tot hetgeen de Raad heeft overwogen – geen enkele meerwaarde had die dat gebruik rechtvaardigt.
Verzoeker vraagt zich verder af of het recht op wederhoor wel een serieus recht is, nu de Raad niet heeft gemotiveerd waarom een journalist obstakels in de weg mag leggen in het kader van het recht op wederhoor.
Tot slot stelt verzoeker dat schending van privacy in kleine kring óók een schending van privacy is, die in strijd is met de wet. De Raad heeft ten onrechte nagelaten te motiveren waarom herkenning in kleine kring in dit geval acceptabel zou zijn.
Samenvattend meent verzoeker dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte – en soms zelfs te kwader trouw – is uitgegaan van ‘vaststaande’ en ‘aannemelijk’ geoordeelde feiten. De Raad dient zijn uitspraak dan ook volledig te herzien, waarbij alle door hem aangedragen wetenschappelijke feiten moeten worden betrokken, aldus verzoeker.
 
Verweerders stellen dat het herzieningsverzoek slechts klachten bevat over feiten die betrekking hebben op de kwalificatie van het syndroom van Asperger, de erfelijkheid daarvan en ervaringen met dat syndroom. Nu de Raad zich expliciet van een oordeel daarover heeft onthouden, kunnen de bezwaren van verzoeker niet leiden tot herziening van het oordeel. Voor zover de bezwaren gericht zijn tegen bepaalde overwegingen (die niet hebben geleid tot een oordeel over de feiten), geldt dat die zonder meer gedragen worden door de documenten die door partijen in de procedure zijn gebracht, zo menen verweerders.
Zij stellen verder dat – anders dan verzoeker meent – de Raad het oordeel kon geven zoals hij heeft gedaan, zonder in te gaan op feitelijke aspecten van het syndroom van Asperger. Om te kunnen beoordelen of verweerders in overeenstemming met journalistieke verplichtingen hebben gehandeld voor zover het de weergave van feiten en de inhoud van beschuldigingen betreft, behoeft de Raad immers slechts te beoordelen of er voldoende steun is in het door verweerders gebruikte (en deels overgelegde) feitenmateriaal voor de door verweerders verkondigde opvattingen.
Voor het overige geldt dat het herzieningsverzoek geen klachten bevat over ten onrechte door de Raad als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten, maar dat het verzoek in feite slechts berust op de omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gewraakte uitzending, de journalistieke handelwijze en het oordeel van de Raad. Verzoeker lijkt te vragen om een geheel nieuwe, inhoudelijke beoordeling van zijn klaagschrift. Daarvoor is de herzieningsprocedure echter niet bedoeld. Het verzoek tot herziening dient dan ook te worden afgewezen, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.      
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in dit kader in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 22 juni 2012 (RvdJ 2012/33) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
In het verzoekschrift geeft verzoeker te kennen dat hij zich niet kan vinden in de gewraakte uitzending, de journalistieke handelwijze en de uitspraak van de Raad van 22 juni 2012. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoeker al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven dan wel ter zake waarvan de Raad zich expliciet van een oordeel heeft onthouden.
 
Volgens de uitspraak van de Raad hebben verweerders niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld door over verzoeker te publiceren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger. De Raad heeft zich juist uitdrukkelijk onthouden van een oordeel waar het gaat om de feitelijke (on)juistheden met betrekking tot het syndroom van Asperger. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de uitspraak van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
De herzieningskamer benadrukt dat indien de Raad zich in een uitspraak over (een onderdeel van) een klacht uitdrukkelijk heeft onthouden van een oordeel, niet middels een herzieningsverzoek kan worden bewerkstelligd dat de Raad alsnog een oordeel uitspreekt. Dit kan anders zijn indien het herzieningsverzoek berust op relevante nieuwe feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, maar bij de klager niet bekend waren of bij hem redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Daarvan is hier geen sprake.
 
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 oktober 2012 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. M.E.L. Kogeldans, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. H.M.M. Nietsch, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.