2012/53 ongegrond

Samenvatting

In NRC Handelsblad is het artikel “’Marijnen beïnvloedde in misbruikzaak RK Kerk’” verschenen. Kern van de klacht is dat het artikel onjuistheden bevat, meer in het bijzonder dat in de kop en het artikel mededelingen aan klager worden toegeschreven die hij niet heeft gedaan.
De Raad overweegt dat er een discrepantie bestond tussen hetgeen klager in een e-mail aan verweerders heeft medegedeeld en hetgeen is vermeld in het eindrapport van de commissie-Deetman. Verweerders hebben naar aanleiding van die discrepantie onderzoek gedaan en zijn tot de conclusie gekomen dat de door klager beschreven ‘daadwerkelijk doorgezette poging’ van Marijnen tot beïnvloeding van de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie in relatie stond tot seksueel misbruik. Of deze conclusie feitelijk juist is, kan de Raad niet beoordelen. De Raad is echter wel van mening dat verweerders, gegeven de feiten en omstandigheden waarop het artikel is gebaseerd, voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen gemaakte conclusie voor de hand lag. Van een journalistiek onzorgvuldige kop is geen sprake. Bij lezing van het artikel is voldoende duidelijk dat het niet gaat om een letterlijk citaat van klager, maar om een beknopte samenvatting van het artikel, dat is gebaseerd op zowel mededelingen van klager als op het eindrapport van de commissie-Deetman.
Verweerders hebben met de publicatie van het artikel en de weigering tot rectificatie niet ontoelaatbaar gehandeld. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat aan klager voldoende gelegenheid tot wederhoor – en dus van preventieve correctie – is geboden.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
dr. H.P.M. Kreemers
 
tegen
 
J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 7 mei 2012 met elf bijlagen heeft de heer dr. H.P.M. Kreemers te Den Haag (hierna: klager) een klacht ingediend tegen J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord bij brief van 18 juni 2012 met zes bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 augustus 2012 waar klager in persoon is verschenen. Aan de zijde van verweerders waren J. Dohmen, redacteur, en J. Oranje, plaatsvervangend hoofdredacteur, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 23 maart 2012 is in NRC Handelsblad een artikel van de hand van Dohmen verschenen onder de kop “’Marijnen beïnvloedde in misbruikzaak RK Kerk’”. Het artikel opent als volgt:
“De rol van de latere minister-president Vic Marijnen (KVP) in het schandaal rond kindermisbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk was groter dan tot nu toe bekend. Dat blijkt uit antwoorden van voormalig secretaris Bert Kreemers van de commissie-Deetman op vragen van deze krant.”
Verder is bericht:
“Afgelopen zaterdag schreef NRC Handelsblad dat gevoelige informatie over Marijnen, waarover de commissie beschikte, niet in het eindrapport van de commissie terechtgekomen was. Marijnen had zich als bestuursvoorzitter van het katholieke jongensinternaat Harreveld in 1958 ingespannen om voor ontucht veroordeelde broeders van hun celstraf af te helpen.
Secretaris Kreemers verklaart nu dat Marijnen in 1958 als bestuursvoorzitter ook ,,daadwerkelijk geprobeerd heeft de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie te beïnvloeden”. Deze informatie ontbreekt in het eindrapport van de commissie die het kindermisbruik onderzocht in opdracht van de Rooms-Katholieke Kerk.
De poging tot beïnvloeding hield verband met een toespraak van een Rotterdamse officier van justitie op een bijeenkomst van kinderrechters. De officier liet zich daar negatief uit over Harreveld, dat kampte met misbruikschandalen. De broeders die op het internaat werkten, waren boos over deze ,,laster” en spraken hun bestuursvoorzitter daarop aan. Volgens Kreemers ondernam Marijnen daarop actie.
Het eindrapport laat in het midden of de broeders Marijnen te hulp riepen. Er staat: ,,De Raad [van de broeders] besloot om ‘deze laster’ zo nodig bij de minister van Justitie ter sprake te brengen via de voorzitter van het bestuur van Harreveld.” De poging tot ,,daadwerkelijke” beïnvloeding door Marijnen blijft onvermeld. Het is onduidelijk waarom dit feit niet in het eindrapport staat en waarom secretaris Kreemers nu hardere bewoordingen gebruikt dan in het rapport. Kreemers wil geen nadere toelichting geven.
Afgelopen zaterdag onthulde deze krant dat de commissie geïnformeerd was over castraties van ten minste één internaatsjongen. Ook dat kwam niet in het eindrapport. Volgens de commissie bevatte de melding ,,onderzoekstechnisch weinig aanknopingspunten voor verder onderzoek”. De Tweede Kamer hoort op 4 april voormalig commissievoorzitter Wim Deetman. Daarna beslist het parlement of er een eigen onderzoek komt naar het misbruik.”
 
Voorafgaand aan de publicatie hebben verweerders andere artikelen aan de kwestie gewijd en hebben partijen via e-mail hierover gecorrespondeerd. In een e-mail van 20 maart 2012 heeft klager onder meer aan Oranje geschreven:
“Van de in het kader van hoor en wederhoor aan Joep Dohmen aangeleverde antwoorden is nauwelijks een spoor terug te vinden in de berichtgeving in NRC Handelsblad. (…) Zo heeft de onderzoekscommissie in haar eindrapport melding gemaakt van een daadwerkelijk doorgezette poging van Marijnen om de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie te beïnvloeden. Stelselmatig wordt dit in NRC Handelsblad genegeerd en wordt hieraan de conclusie verbonden dat de commissie niets kwaads over Marijnen heeft willen berichten. (…)”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij nimmer over de rol van de heer Marijnen bij seksueel misbruik van minderjarigen in de RK Kerk mededelingen heeft gedaan aan verweerders. Volgens klager kan er geen misverstand over bestaan dat hij, in zijn e-mailcorrespondentie met verweerders naar aanleiding van eerdere publicaties, slechts een vermoeden van financiële malversaties heeft geuit. De door verweerders getrokken conclusie dat de daadwerkelijk doorgezette poging tot beïnvloeding zag op seksueel misbruik, kan derhalve niet aan hem worden toegeschreven, aldus klager.
Hij wijst in dit verband op zijn e-mail van 20 maart 2012 aan Oranje. Naar aanleiding daarvan ontving hij diezelfde dag nieuwe vragen van Dohmen. Omdat hij die dag vervroegd en halsoverkop was teruggekeerd van vakantie in verband met een op zeer korte termijn te houden hoorzitting in de Tweede Kamer, heeft hij de hoofdredactie tot twee maal toe verzocht hem tot na het weekeinde de tijd te geven te reageren op de gestelde vragen. In het vertrouwen dat zijn verzoek tot uitstel zou worden gehonoreerd, heeft klager zich niet verdiept in het aan hem gezonden concept van het artikel. De voorgelegde versie was overigens niet voorzien van de kop, waartegen de klacht zich richt.
Klager was dan ook verrast dat het artikel toch was gepubliceerd. Volgens hem is het artikel onjuist doordat er ten onrechte en zonder feitelijke grondslag wordt geconcludeerd dat Marijnen is gevraagd te interveniëren bij het ministerie van Justitie omwille van seksueel misbruik. Die interventie had echter betrekking op een vermoeden van financiële malversaties, aldus klager. Bovendien is in dat verband ten onrechte geschreven dat dit blijkt uit zijn antwoorden, nu hij dit niet heeft geschreven.
Klager wijst in dit verband verder op een e-mail van de hoofdredactie van 3 april 2012, waarin zijn verzoek tot rectificatie is afgewezen. In die e-mail citeert de hoofdredactie uit het eindrapport, waarin de term ‘enormiteiten’ wordt gebruikt, waarbij het volgens de hoofdredactie onduidelijk is of dit om financiële malversaties of misbruikzaken gaat. Volgens klager is die argumentatie vergezocht en wordt daarmee bovendien niets afgedaan aan het feit dat hij uitsluitend heeft gesproken over financiële malversaties. Hem kunnen geen andere beschuldigingen in de mond worden gelegd op basis van een eigen interpretatie van een niet door hem genoemd citaat. In zijn mededelingen aan verweerders heeft hij er geen enkel misverstand over laten bestaan dat met de ‘enormiteiten’ een vermoeden van financiële malversaties is bedoeld, aldus klager.
Verder stelt klager dat de kop boven het artikel tussen aanhalingstekens is geplaatst, waarmee ten onrechte is gesuggereerd dat dit een quote van hem zou zijn. Het betoog van verweerders dat de kop een bondige samenvatting is van de inhoud van het bericht, doet daaraan niet af. De bewoordingen in de kop zijn niet van hem afkomstig en worden ook niet door hem gedeeld, omdat de bewering feitelijk onjuist is.
Om bovenstaande redenen heeft klager verzocht een rectificatie te plaatsen, zodat duidelijk zou worden gemaakt dat hij niet verantwoordelijk is voor de inhoud en strekking van het artikel. De hoofdredactie heeft dit echter geweigerd.
 
Verweerders stellen dat de e-mail van klager van 20 maart 2012 aanleiding gaf voor een nieuwe publicatie, nu de informatie over de ‘daadwerkelijk doorgezette poging’ niet in het eindrapport van de commissie-Deetman is vermeld. Dohmen heeft daarom klager op 20 maart om 20:30 uur per e-mail benaderd en bekend gemaakt dat verweerders voornemens waren een artikel te publiceren over de wijze waarop de commissie-Deetman informatie over Marijnen heeft verwerkt in haar eindrapport. Daarbij heeft hij klager vragen gesteld, met het verzoek daarop te reageren voor 22 maart 10:00 uur.
Volgens verweerders heeft klager op 21 maart in een e-mail aan Oranje geschreven dat hij de vragen van Dohmen ‘laat voor wat ze zijn’ en dat hij de hoorzitting van de Tweede Kamer op 4 april wil afwachten. Klager heeft daarmee te kennen gegeven niet te willen antwoorden, zeker niet vóór de hoorzitting, die ruim na de geplande publicatiedatum zou worden gehouden. Zowel Dohmen als Oranje heeft nadien nog per e-mail bij klager aangedrongen op het beantwoorden van de gestelde vragen. Bovendien is de publicatie 24 uur uitgesteld om klager extra tijd te geven om te reageren, hetgeen Dohmen ook aan klager heeft bericht. De bewering van klager dat hij heeft verzocht te wachten tot na het weekend, is onjuist. Klager heeft weliswaar in een e-mail van 22 maart aan Oranje geschreven dat hij in verband met zijn vakantie had besloten ‘de inhoud van het bericht tot na het weekeinde te laten bezinken’, maar dat bericht ging over de stroeve verhoudingen tussen klager/commissie en Dohmen, niet over de vragen die onbeantwoord bleven. Ten slotte heeft Dohmen op de dag van publicatie het conceptartikel aan klager gestuurd, waarna zowel Dohmen als Oranje nogmaals bij klager erop heeft aangedrongen inhoudelijk te reageren. Verweerders menen dat zij klager aldus afdoende de gelegenheid hebben geboden om te reageren op de inhoud en conclusie van het artikel. Klager heeft er zelf voor gekozen niet te reageren, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat zij op basis van de door klager gedane uitspraken en het eindrapport van de commissie-Deetman hebben kunnen concluderen dat de door klager genoemde ‘daadwerkelijk doorgezette poging’ tot beïnvloeding zag op zaken rondom seksueel misbruik. De stelling van klager dat hij aan verweerders heeft bericht dat de poging zag op financiële malversaties, is onjuist. Klager heeft in een e-mail naar aanleiding van een eerdere publicatie terloops een opmerking gemaakt over financiële malversaties. In het hoor en wederhoor-traject voorafgaand aan de gewraakte publicatie heeft klager nimmer gesteld dat de door hem beschreven ‘daadwerkelijk doorgezette poging’ tot beïnvloeding betrekking had op financiële malversaties. Uit het rapport blijkt dat Marijnen moest optreden tegen ‘laster’ die zou zijn geuit. Deze laster zag op uitspraken van een officier van Justitie, die tijdens een bijeenkomst van kinderrechters sprak over ‘enormiteiten’. Uit de context van het verslag blijkt dat deze ‘enormiteiten’ in relatie staan tot seksueel misbruik. Indien de stelling van klager zou worden gevolgd dat de ‘enormiteiten’ financiële malversaties betreffen, dan ziet dat op de in hetzelfde verslag beschreven vier ton zwijggeld. In dezelfde context kan dan alleen geconcludeerd worden dat dit zwijggeld eveneens te maken heeft met het misbruikschandaal. Volgens verweerders zijn de inhoud en strekking van het artikel hoe dan ook correct.
Verweerders stellen verder dat de kop een kernachtige samenvatting geeft van het artikel. De kop is juist en mag scherp worden aangezet. Bovendien is duidelijk dat de kop geen letterlijk citaat van klager behelst. Dit blijkt ook uit het feit dat de zin niet goed loopt. Door het gebruik van aanhalingstekens wordt de lezer duidelijk dat de bron van de informatie een derde is, niets meer en niets minder. Overigens gebruiken verweerders zelden citaatkoppen van personen, zonder de persoon expliciet te vermelden. Dat is hier juist niet gedaan. Daarbij komt dat klager tijdig en voldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren op de inhoud en strekking van het artikel. Nu klager dat niet heeft gedaan, konden verweerders de kop formuleren conform de strekking van het artikel.
Ten slotte stellen verweerders dat de krant een ruimhartig beleid voert als het gaat om het rechtzetten van onjuistheden in de berichtgeving. In dit geval was er geen aanleiding voor de door klager gevraagde rectificatie, omdat de kop en inhoud van het artikel juist waren.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat het artikel onjuistheden bevat, meer in het bijzonder dat in de kop en het artikel mededelingen aan klager worden toegeschreven die hij niet heeft gedaan.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. In de berichtgeving maakt de journalist een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen en vermijdt een journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving. (zie punten 1.1.,1.2., 1.4. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
 
De Raad overweegt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting dat er een discrepantie bestond tussen hetgeen klager in zijn e-mail van 20 maart 2012 aan verweerders heeft medegedeeld en hetgeen is vermeld in het eindrapport van de commissie-Deetman. Verweerders hebben naar aanleiding van die discrepantie onderzoek gedaan en zijn tot de conclusie gekomen dat de door klager beschreven ‘daadwerkelijk doorgezette poging’ tot beïnvloeding in relatie stond tot seksueel misbruik. Of deze conclusie feitelijk juist is, kan de Raad niet beoordelen. De Raad is echter wel van mening dat verweerders, gegeven de feiten en omstandigheden waarop het artikel is gebaseerd, voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen gemaakte conclusie voor de hand lag.
 
Verder overweegt de Raad dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Wellicht kan echter door het gebruik van aanhalingstekens bij de gemiddelde lezer de onjuiste indruk ontstaan dat daarmee een letterlijk citaat wordt bedoeld. Verweerders dienen daarbij dan ook zorgvuldigheid te betrachten. In dit geval is bij lezing van het artikel voldoende duidelijk dat het niet gaat om een letterlijk citaat van klager, maar om een beknopte samenvatting van het artikel, dat is gebaseerd op zowel mededelingen van klager als op het eindrapport van de commissie-Deetman.
 
De Raad is dan ook van oordeel dat verweerders met de publicatie van het artikel en de weigering tot rectificatie niet journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat verweerders klager voldoende gelegenheid tot wederhoor – en dus van preventieve correctie – hebben geboden.
 

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 28 september 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, M.C. Doolaard,  mw. dr. Y.M. de Haan en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.