2012/5 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
S. Azaaj
 
tegen
 
de hoofdredacteur van EénVandaag (TROS/AVRO)
 
Bij brief van 14 juli 2011 heeft S. Azaaj te Rotterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van EénVandaag (hierna: verweerder). J. Kriek, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 5 januari 2012 met drie bijlagen. Klager heeft daarop nog gereageerd in een e-mailbericht van 11 januari 2012 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 januari 2012. Klager is daar verschenen, vergezeld door mr. J.P. de Man. Van de zijde van verweerder was voornoemde J. Kriek aanwezig.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 27 mei 2011 is een aflevering van het televisieprogramma EénVandaag uitgezonden waarin aandacht is besteed aan misstanden in de thuiszorg, in het bijzonder bij de thuiszorgorganisatie H+B Thuiszorg B.V. (hierna: de uitzending). Aan de orde wordt gesteld dat de misstanden bij H+B Thuiszorg bestaan uit het declareren van hulp die niet of in zeer mindere mate is gegeven, het onderbetalen van thuiszorgmedewerkers en het werken met niet-gekwalificeerde werknemers. In de uitzending wordt de directeur van de H+B Groep, R. de Haan, aan het woord gelaten. Daarbij wordt ingegaan op de zakelijke contacten die H+B Thuiszorg had gelegd met een aantal dochterondernemingen en andere contractpartijen. In dat verband wordt ook het voormalige en inmiddels gefailleerde thuiszorgbedrijf UenZo genoemd, waarvan klager bestuurder en aandeelhouder was. Door de voice-over wordt het volgende bericht:
“Helemaal nieuw is de manier van werken bij H+B niet. Vrijwel dezelfde methode werd gehanteerd bij de thuiszorgorganisatie UenZo. Prisma en Ado waren toen dochterondernemingen. Inmiddels is Prisma een dochteronderneming van H+B. De man die in 2007 betrokken was bij de fraude van UenZo duikt ook nu weer op. Voor het aanbrengen van de dochterondernemingen bij H+B heeft hij geld ontvangen.”
Tegelijkertijd wordt een contract in beeld gebracht, waarop de naam en adresgegevens van klager zijn te zien.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij als bemiddelaar betrokken is geweest bij de totstandkoming van enkele overeenkomsten tussen H+B Thuiszorg en enkele andere partijen, maar voor het overige geen relatie heeft met H+B Thuiszorg. Klager heeft niets van doen met de gestelde fraude en onderbetaling van zorgpersoneel bij H+B Thuiszorg. Niettemin werden tijdens de uitzending de persoonlijke gegevens van klager duidelijk zichtbaar in beeld gebracht, waarbij tevens werd gesteld dat klager als directeur betrokken zou zijn geweest bij een omvangrijke fraude door de thuiszorgorganisatie UenZo. Weliswaar werd klager in 2008 naar aanleiding van een inval bij UenZo door het Openbaar Ministerie verdacht van het plegen van een strafbaar feit, maar tot op heden is hij nooit veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Klager betoogt dat hij door de uizending onevenredig in zijn privacy en goede naam is geschaad. Door het tonen van zijn persoonlijke gegevens gekoppeld aan een uitzending over een eventuele miljoenenfraude bij H+B is hij ten onrechte in verband gebracht met die miljoenenfraude althans met strafbare feiten. En voor zover klager als verdachte diende te worden aangemerkt in de UenZo-kwestie heeft verweerder artikel 2.4.6. van de Leidraad van de Raad geschonden. Door het tonen van de persoonlijke gegevens kon klager immers eenvoudig door het publiek worden geïdentificeerd. Verweerder heeft weliswaar direct na een telefoontje van de zijde van klager de uitzending van de website verwijderd, maar klager heeft nooit excuses ontvangen.
Verder stelt klager dat verweerder ten onrechte geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen hem en H+B Thuiszorg, alsmede naar het verband tussen de gestelde miljoenenfraude aan de zijde van H+B Thuiszorg en UenZo. Volgens klager hebben die niets met elkaar van doen. Hij is in verband gebracht met onoorbare praktijken, terwijl niet is gebleken dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat, aldus klager. Hij benadrukt dat hij geen verantwoordelijkheid droeg voor en geen zeggenschap had in de betrokken dochtervennootschappen van de H+B Groep, hij bracht slechts partijen bij elkaar.
Klager stelt ten slotte dat hij niet door de redactie is gehoord, terwijl ernstige beschuldigingen aan zijn adres zijn geuit. Hierdoor is derhalve zijn recht op wederhoor geschonden.
 
Verweerder stelt dat de misstanden bij de H+B Groep ertoe hebben geleid dat zorgverzekeraars hun overeenkomsten met de H+B Groep en diens dochterondernemingen hebben opgezegd en dat de vergunning van de H+B Groep is ingetrokken. Tevens is gebleken dat het Openbaar Ministerie enige tijd geleden een onderzoek is gestart naar de werkwijze van UenZo en haar bestuurders. Het onderzoek is nog niet afgerond en klager is nog steeds verdachte in deze zaak. In dat kader verwijst verweerder naar het rapport “Fraude in de thuiszorg” van 8 december 2008 en de vragen van Tweede Kamerlid Leijten hierover. Aanleiding van het rapport was het strafrechtelijk onderzoek naar UenZo. Juist het feit dat UenZo op dezelfde wijze opereerde en onderwerp van onderzoek is, maakte de samenwerking tussen de H+B Groep en klager precair, aldus verweerder. De in het rapport opgenomen bevindingen komen opvallend overeen met de bevindingen van verweerder naar aanleiding van klachten die hij ontving over de zorgverlening. De stelling dat klager niets van doen had met de H+B Groep kan verweerder dan ook niet volgen.
Verder stelt verweerder dat klager in de uitzending slechts zijdelings is genoemd, zodat wederhoor niet was geboden. De redactie had van het Openbaar Ministerie vernomen dat klager onderwerp was van het strafrechtelijk onderzoek tegen UenZo. Bovendien had de redactie de beschikking gekregen over overeenkomsten waaruit bleek welke afspraken klager had gemaakt met de H+B Groep over het aanbrengen van zorgverlenende organisaties. Ter zitting benadrukt Kriek dat wederhoor is toegepast bij de directeur van de H+B Groep. De focus van de uitzending was immers dat het opmerkelijk was dat de H+B Groep in zee is gegaan met een persoon c.q. organisatie die in het verleden verdacht is geweest. Met de kennis van nu was het wellicht beter geweest om ook bij klager wederhoor toe te passen, aldus Kriek.
Verder erkent Kriek ter zitting dat het onzorgvuldig is geweest dat de persoonlijke gegevens van klager in de uitzending zijn vermeld c.q. in beeld zijn gebracht. Dit is het gevolg van een interne communicatiefout. Na een telefoontje van de zijde van klager is deze misslag direct hersteld door de uitzending van de website van EénVandaag en Uitzendinggemist.nl te verwijderen. Dit heeft binnen 10 minuten na de uitzending plaatsgevonden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
In de uitzending is aandacht besteed aan misstanden in de thuiszorg. Daarbij is aan de orde gesteld dat de misstanden bij H+B Thuiszorg bestaan uit het declareren van hulp die niet of in zeer mindere mate is gegeven, het onderbetalen van thuiszorgmedewerkers en het werken met niet-gekwalificeerde werknemers. In dat kader is een verband gelegd tussen H+B Thuiszorg en klager.
In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
Niet valt in te zien dat verweerder niet over klager en diens relatie met H+B Thuiszorg had mogen berichten, zoals hij heeft gedaan. Vaststaat dat klager als bemiddelaar betrokken is geweest bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen H+B Thuiszorg en enkele andere contractpartijen. Gelet op de aard en inhoud van de uitzending is het voorts journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar te berichten dat klager ‘betrokken was bij de fraude van UenZo’. Immers, niet ter discussie staat dat het Openbaar Ministerie in 2008 een (fraude)onderzoek is gestart naar de werkwijze van UenZo en haar bestuurders, waarbij klager door het Openbaar Ministerie als verdachte wordt beschouwd. Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.
 
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Zo zal de journalist de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
Tussen partijen is niet in geschil, en de Raad sluit zich daarbij aan, dat het in dit geval niet nodig was de persoonlijke gegevens van klager te vermelden en dat die gegevens geanonimiseerd hadden kunnen worden zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de aard en inhoud van de uitzending. Door niettemin de gegevens van klager in beeld te brengen heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Reeds daarom is de klacht in zoverre gegrond. Het feit dat verweerder zulks heeft erkend en om die reden de uitzending van zijn website en van Uitzendinggemist.nl heeft verwijderd, doet daaraan niet af.
 
Nu de persoonlijke gegevens van klager in beeld zijn gebracht in het kader van berichtgeving over onoorbare praktijken, moet worden geconcludeerd dat klager persoonlijk in de berichtgeving is gediskwalificeerd. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen wederhoor bij klager toe te passen. Door dit onder deze omstandigheden na te laten heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het in beeld brengen van de persoonlijke gegevens van klager en in samenhang daarmee het niet-toepassen van wederhoor.
De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het leggen van een verband tussen H+B Thuiszorg en klager.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van EénVandaag en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 februari 2012 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. H.M.M. Nietsch, drs. P. Olsthoornen mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.