2012/44 niet-ontvankelijk ongegrond

Samenvatting

De klacht betreft een uitzending van De Ombudsman die is gewijd aan ‘de macht van de gezinsvoogd’ en een vervolguitzending waarin reacties uit de politiek zijn weergegeven.
Klager heeft gesteld dat hij bewust, tegen de geldende omgangsregeling in, zijn kind niet op het daarvoor afgesproken tijdstip bij zijn ex-echtgenote heeft teruggebracht en zich vervolgens met zijn kind op een voor haar onbekende plaats heeft opgehouden. Verweerders hebben niet ontoelaatbaar gehandeld door deze handelwijze van klager aan te duiden als ‘ontvoering’. Overigens is in de uitzending geen oorzakelijk verband gelegd tussen de ‘ontvoering’ en ondertoezichtstelling van klagers zoon.
Verder hebben verweerders aannemelijk gemaakt dat zij ter zake van het verblijf van de ex-echtgenote van klager in een blijf-van-mijn-lijfhuis deugdelijk onderzoek hebben verricht. Niet ter discussie staat dat klagers ex-echtgenote daar heeft verbleven. Voor de kijker is duidelijk dat niet verweerders maar de ex-echtgenote van klager van mening is dat zij naar een blijf-van-mijn-lijfhuis ‘moest’.
Van het uiten van (ongefundeerde) beschuldigingen aan klagers adres is geen sprake. De berichtgeving is enerzijds van feitelijke aard en behelst anderzijds duidelijk de mening van klagers ex-echtgenote. Het is dan ook journalistiek toelaatbaar dat geen wederhoor bij klager is toegepast. Daarbij komt dat noch de naam van klager noch die van zijn zoon in de uitzending is vermeld en dat klager verder niet voor het grote publiek identificeerbaar is. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat klager objectief bezien door de uitzending wordt gediskwalificeerd. Dat het verhaal wellicht binnen de (professionele) kring van klager bekend is en hij daardoor op de uitzending wordt aangesproken, kan daaraan niet afdoen.
Verweerders hebben niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld door in de eerste uitzending over klager te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. Nu de tweede uitzending geen nieuwe informatie over klager bevat, hebben verweerders daarmee evenmin onzorgvuldig jegens klager gehandeld.
Voor zover de klacht betrekking heeft op schending van de belangen van anderen dan klager, is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X                               

tegen

P. Hilhorst en de hoofdredacteur van De Ombudsman (VARA)

Bij brief van 14 maart 2012 met drie bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de heer. P. Hilhorst en de hoofdredacteur van De Ombudsman (VARA)  (hierna: verweerders).

Vervolgens heeft op 12 april 2012 tussen partijen een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van bemiddelaars mr. V.H.G. Lebesque en mw. mr. D.C. Koene, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Raad voor de Journalistiek.

Klager heeft per e-mail van 20 april 2012 laten weten dat de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

Vervolgens heeft klager bij e-mails van 20 april en 11 mei 2012 en bij brief van 29 mei 2012 zijn klacht verder toegelicht en nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 1 juni 2012 met twee bijlagen heeft mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist VARA, namens verweerders op de klacht geantwoord. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 28 juni 2012.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 juli 2012. Klager is in persoon samen met zijn echtgenote verschenen. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde Hilhorst, G. Lammers (eindredacteur) en mw. mr. Den Ouden aanwezig. Mr. Den Ouden heeft het standpunt van verweerders toegelicht aan de hand van een notitie.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad opnamen van de gewraakte uitzendingen bekeken.
 

DE FEITEN


Op 2 maart 2012 is een uitzending van het televisieprogramma De Ombudsman gewijd aan ‘de macht van de gezinsvoogd’. Het item wordt door Hilhorst als volgt ingeleid:
“Welkom bij De Ombudsman. Het programma dat opkomt voor mensen die een conflict hebben met de overheid. Vandaag een uitzending geheel gewijd aan de macht van de gezinsvoogd.”
In de uitzending komen onder meer vier vrouwen aan het woord die hun slechte ervaringen met de gezinsvoogd bespreken. Een van deze personen is de ex-echtgenote van klager, van wie in de uitzending de voornaam en haar meisjesnaam zijn vermeld. Op een van de momenten dat zij in beeld verschijnt, wordt in een kader naast haar de volgende tekst in beeld gebracht:
-          na echtscheiding poogt ex-man haar gestoord te laten verklaren
-          zoon wordt, na ontvoering door ex-man, onder toezicht gesteld
-          voogdijinstelling dreigt moeder uit de ouderlijke macht te ontzetten
-          alle klachten gegrond verklaard, kind al twee jaar niet meer gezien
Daarbij wordt door Hilhorst de volgende tekst uitgesproken:
“En dan [Y]. Na de echtscheiding poogt haar ex-man haar gestoord te laten verklaren. Haar zoon wordt ontvoerd door haar ex-man en onder toezicht gesteld. Het kind verblijft bij de vader. De voogdijinstelling dreigt moeder uit de ouderlijke macht te ontzetten. Alle klachten die [Y] indient worden gegrond verklaard. Maar inmiddels heeft ze haar zoon ruim twee jaar niet meer gezien.”
Vervolgens vertelt de ex-echtgenote van klager het volgende:
“Eigenlijk word ik als moeder helemaal weggeschreven, weggegumd, met een computerknopje ‘delete’, weg. Moeder weg, komt het nooit aan het daglicht wat er fout ging. Waar of niet waar, het is ondergeschikt geworden, het spel is gespeeld, het kind is verplaatst. En de laatste voogd zegt nota bene ook nog: “Het kind gaat u zoeken.””
Verderop in de uitzending wordt bericht:
“Als [Y] haar man laat weten dat ze wil scheiden, loopt de spanning hoog op.”
De ex-echtgenote van klager komt vervolgens in beeld en vervolgt:
“Dit heeft uiteindelijk na diverse escalaties geresulteerd dat ik naar een blijf van mijn lijf huis moest. Daar heeft hij mij getraceerd en hij dreigde mij voor de rechter te slepen. Ik wilde niet terug en zo is het begonnen bij de rechtbank. Mijn ex-man wilde het gezag over ons kind en hij heeft mij bij de eerste zitting gestoord willen verklaren.”
Even later wordt bericht:
“[Y] merkte dat haar voogd afging op partijdige bronnen.”
Waarna de ex-echtgenote van klager vertelt:
“Het is allemaal begonnen met een brief waar ik toen nog geen weet van had maar die is gebruikt ten behoeve van het schrijven van een psychologisch rapport, en in die brief stond dat ik suïcidaal zou zijn. Zo werd ik gekenmerkt. En de schrijfster van die brief is een vrouw van een collega van mijn ex-man. Ik heb sinds een half jaar de originele brief overhandigd gekregen van de voogdij, maar ik heb daar drie rechtszaken voor moeten voeren.”
Verder vertelt de ex-echtgenote van klager:
“Die brief heeft me tot de dag van vandaag schade berokkend en erger nog mijn kind. Wij zijn uit elkaar getrokken doordat zij niet eerlijk omgaan met informatie die de rechter had moeten weten.”
en
“Je ziet dat het kind vol wordt gestopt met opdrachten en afspraken zoals hij zich moet gedragen en voor mij als moeder gold ditzelfde. Dit heeft geresulteerd dat ik een gesprek vroeg bij de voogd en duidelijk zei: “Wat doen jullie met mijn kind?” Het enige antwoord wat ik kreeg was: “De rechter heeft het gehonoreerd, u bent hoger opgeleid, maar ik heb de macht.” En zo werken ze. Hier hebben ze je kind, hier hun regels, en jij moet doen wat zij stellen. Doe je dat niet: strafpunten.”
en
 “Mijn strijd duurt bij de rechtbank vanaf 2005. Ik heb met vijf advocaten actief mijn zaak bestudeerd. Dat heeft geresulteerd in het haast moéten voeren van klachtenprocedures. Klachtenprocedures dus naar een psycholoog, een orthopedagoog naar nog een psycholoog. Uiteindelijk ben ik doorgegaan tot de Nationale ombudsman. Daar schrokken ze van mijn situatie. Ik ben uitgenodigd geweest aldaar. En ik ben na onderzoek in mijn gelijk gesteld. Daarvan heeft de voogdij, Leger des Heils, kennis kunnen nemen. Maar die heeft daar niets mee gedaan.”
Ten slotte wordt in de uitzending bericht:
“En [Y]? Zij strijdt nog altijd. Het is weer ruim twee jaar geleden dat ze haar zoon zag. Ze mag wel op de ouderavond van school komen. Maar haar zoon mag daar dan niet bij zijn.”
Waarop de ex-echtgenote van klager zegt:
“Een van de laatste keren. Ik was wat vroeger, want ik wil die tien minuten gesprekken graag goed volgen en er alles uithalen. En toen zette de juf mij achter het bureautje van mijn zoon en ik deed even het laatje open en toen dacht ik, jeetje zo schrijft mijn kind. Nou dat soort simpele dingen die je als normale ouder kunt volgen, is mij volledig afgenomen.”

Op 9 maart 2012 is in een uitzending van De Ombudsman aandacht besteed aan de uitzending van 2 maart 2012, waarbij reacties uit de politiek zijn weergegeven.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in de uitzending door zijn ex-echtgenote onwaarheden zijn verteld en beschuldigingen aan zijn adres zijn geuit, waardoor hij in zijn belangen is geschaad. Volgens klager heeft het item over zijn ex-echtgenote nauwelijks te maken met de macht van de gezinsvoogd, maar ligt de nadruk met name op de geschillen die tussen hem en haar spelen. Klager betoogt dat door de berichtgeving zijn privacy en die van zijn zoon is aangetast. Hij wijst erop dat hij een groot notariskantoor heeft met een grote klantenkring. Aangezien zijn ex-echtgenote op dat kantoor werkzaam is geweest, is zij bij velen bekend en wordt de relatie met hem en zijn zoon snel gelegd, aldus klager.
Hij licht toe dat ten onrechte is beweerd dat zijn ex-echtgenote door zijn toedoen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis moest en dat hij daardoor – impliciet – van mishandeling is beschuldigd. Volgens klager is zijn ex-echtgenote samen met hun zoon na een ruzie door de politie naar haar ouders gebracht. Pas een dag later is ze naar een blijf-van-mijn-lijfhuis in Emmen gegaan. Daar heeft ze klagers advocaat gebeld, aan wie ze heeft meegedeeld dat klager zijn zoon maar eens in de twee weken onder begeleiding mocht zien. Volgens klager is hij nooit in Emmen geweest en heeft hij zijn ex-echtgenote niet daar getraceerd, maar heeft hij haar en zijn zoon in die periode enige malen in Zwolle ontmoet. Klager meent dat verweerders in dit verband ten onrechte verwijzen naar een brief van de Coördinator Huiselijk Geweld gericht aan de familiekamer van de rechtbank Leeuwarden. Volgens klager heeft hij door het overleggen van brieven van de politie, de rechtbank en het Advies Meldpunt Kindermishandeling (AMK) aangetoond dat die brief niet bestaat.
Verder meent klager dat ten onrechte is beweerd dat hij zijn zoon heeft ontvoerd en dat deze daarom onder toezicht is gesteld. Van ‘ontvoering’ is geen sprake; hij heeft zijn zoon een keer niet op het afgesproken tijdstip naar diens moeder teruggebracht. Er is in geen enkel (gerechtelijk) stuk melding gemaakt van ‘ontvoering’ noch is hij daarvoor veroordeeld. Het kort geding waarin hij in zijn ongelijk is gesteld is op slinkse wijze gevoerd, waardoor hij daarbij niet aanwezig kon zijn. In de bodemprocedure is hij in het gelijk gesteld en is de omgangsregeling met zijn zoon weer geëffectueerd. En het feit dat er geen goede omgang mogelijk was tussen zijn zoon en hem, door toedoen van zijn ex-echtgenote, is de reden geweest van de ondertoezichtstelling. Verweerders hadden kunnen volstaan met deze vermelding en het gebruik van de term ‘ontvoering’ achterwege kunnen laten.
Klager betoogt dat de uitzendingen aldus ernstige, ongefundeerde beschuldigingen aan zijn adres bevatten, terwijl hij niet in de gelegenheid is gesteld weerwoord te voeren.
Ten slotte stelt klager dat onjuist is dat door toedoen van een brief van een vrouw van een collega zijn zoon uit huis is geplaatst. Er zijn meerdere onderzoeken en rechtszittingen geweest die uiteindelijk tot dat resultaat hebben geleid. Deze vrouw behoort ook niet tot zijn kennissenkring, hij is net zoveel ‘bevriend’ met haar als zijn ex-echtgenote dat is. Volgens klager is deze vrouw door verweerders onheus bejegend en zijn daarmee eveneens de grenzen overschreden van hetgeen journalistiek toelaatbaar is.

Verweerders stellen voorop dat zij naar aanleiding van een eerdere uitzending over een falende gezinsvoogd zoveel reacties ontvingen over tekortschietende gezinsvoogden, dat zij hebben besloten een uitzending geheel aan dit onderwerp te wijden. Bij de voorbereiding hebben zij zaken uitgezocht die zo veel mogelijk gebaseerd konden worden op schriftelijke bronnen, zodat een zo neutraal mogelijk beeld geschetst kon worden. In de uitzending gaat het over het optreden van de gezinsvoogden. Om de relatie met de gezinsvoogd te leggen was het noodzakelijk om bij elke casus de voorgeschiedenis te schetsen, zo ook in het geval van de ex-echtgenote van klager. Die voorgeschiedenis is echter niet het onderwerp van de uitzending. Verweerders hebben bewust geen contact opgenomen met klager, omdat dit slechts zou leiden tot een discussie over de scheiding en de perikelen daaromtrent en niet zou gaan over de feiten.
Daarnaast behoefde er volgens verweerders geen wederhoor te worden toegepast, nu in de uitzending geen sprake was van het uiten van beschuldigingen maar van het weergeven van de feiten die uit schriftelijke bronnen zijn afgeleid. In dat verband wijzen verweerders erop dat uit een brief van de Coördinator Huiselijk Geweld, gericht aan de familiekamer van de rechtbank Leeuwarden, blijkt dat de politie op dat moment het nodig achtte dat de ex-echtgenote van klager werd overgebracht naar een blijf-van-mijn-lijfhuis. Verweerders hebben de juistheid van de brief onderzocht, door contact op te nemen met de schrijver daarvan. Het verhaal van de ex-echtgenote van klager is daarmee bevestigd en behelst een feitelijke weergave. Overigens is de opmerking door de ex-echtgenote van klager zelf gemaakt en blijkt daaruit niet meer dan dat zij zich gedwongen voelde naar een blijf-van-mijn-lijfhuis te gaan. Voor de kijker is duidelijk dat het om haar mening/perceptie ging, aldus verweerders.
Verder menen zij dat onomstotelijk vaststaat dat sprake is geweest van ontvoering door klager. In de betreffende periode was de zoon van klager toevertrouwd aan diens moeder en had deze bij haar zijn hoofdverblijf. Klager heeft willens en wetens zijn zoon tegen de afspraken in niet teruggebracht en is naar een geheim adres gegaan. Dit blijkt ook uit een brief van klager aan de Raad voor de Kinderbescherming. Pas na een uitspraak in kort geding heeft klager zijn zoon teruggebracht. Het door de ene ouder tegen de afspraken in niet terugbrengen van een kind bij diens andere ouder, wordt niet alleen in de volksmond maar ook juridisch bestempeld als ‘ontvoering’. Zij wijzen er verder op dat op geen enkele wijze is gesteld dat de ontvoering de oorzaak was voor de daaropvolgende ondertoezichtstelling van de jongen, maar dat zij alleen iets hebben gezegd over de chronologie. Ook op dit punt hebben zij de feiten weergegeven en hoefde ter zake geen wederhoor plaats te vinden, aldus verweerders.
Zij benadrukken dat het weergeven van de hiervoor bedoelde feiten noodzakelijk was om duidelijk te maken wat de complexe aanleiding was voor de uiteindelijke tussenkomst van een gezinsvoogd, te weten een ‘vechtscheiding’. De feiten zijn niet opgevoerd als beschuldigingen richting klager. De in de uitzending geuite beschuldigingen betreffen de jeugdzorg en gezinsvoogden. In het kader van wederhoor zijn daarom Jeugdzorg Nederland en de Belangenvereniging voor Gezinsvoogden benaderd en in de uitzending aan het woord gelaten.
Verweerders menen verder dat van privacyschending geen sprake is. In de uitzending is geen enkele informatie gegeven over de identiteit van klager of zijn zoon en ook verder valt niet af te leiden om wie het gaat. Slechts degenen die reeds bekend zijn met (het verhaal van) de ex-echtgenote van klager en klager zelf, zullen hen met elkaar in verband brengen. Voor diegenen bevat de uitzending echter geen nieuwe informatie.
Verweerders concluderen dat zij niet ontoelaatbaar hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat zonder deugdelijke toepassing van wederhoor ongefundeerde beschuldigingen aan klagers adres zijn geuit en dat een onevenredige inbreuk is gemaakt op de privacy van klager en diens zoon.

De Raad overweegt in dit verband dat het beginsel van wederhoor niet geldt voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten en berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare bijeenkomsten. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punt 2.3.4 van de Leidraad van de Raad)

Klager heeft ter zitting gesteld, hetgeen bevestiging vindt in de stukken, dat hij bewust tegen de geldende omgangsregeling in het kind van hem en zijn ex-partner niet op het daarvoor afgesproken tijdstip bij haar heeft teruggebracht en zich vervolgens met dat kind op een voor haar onbekende plaats heeft opgehouden.
Volgens de Raad gingen verweerders door deze handelwijze van klager aan te duiden als ‘ontvoering’ de grenzen van het journalistiek betamelijke niet te buiten.

De Raad is verder van oordeel dat in de uitzending geen oorzakelijk verband is gelegd tussen de ‘ontvoering’ en ondertoezichtstelling van klagers zoon.

Verder hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ter zake van het verblijf van de ex-echtgenote van klager in een blijf-van-mijn-lijfhuis deugdelijk onderzoek hebben verricht. Niet ter discussie staat dat de ex-echtgenote van klager daar heeft verbleven. Daarbij komt dat voor de kijker duidelijk is dat niet verweerders maar de ex-echtgenote van klager van mening is dat zij naar een blijf-van-mijn-lijfhuis ‘moest’.

Gelet op het voorgaande is van het uiten van (ongefundeerde) beschuldigingen aan klagers adres geen sprake. Aangezien de berichtgeving enerzijds van feitelijke aard is en anderzijds duidelijk de mening van de ex-echtgenote van klager behelst, acht de Raad het voorts  journalistiek toelaatbaar dat geen wederhoor bij klager is toegepast. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat noch de naam van klager noch die van klagers zoon in de uitzending is vermeld en dat klager ook verder niet voor het grote publiek identificeerbaar is. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat klager – objectief bezien – door de uitzending wordt gediskwalificeerd. Dat het verhaal wellicht binnen de (professionele) kring van klager bekend is en hij daardoor op de uitzending  wordt aangesproken, kan daaraan niet afdoen.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door op 2 maart 2012 over klager te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. Aangezien de uitzending van 9 maart 2012 geen nieuwe informatie over klager bevat, hebben verweerders daarmee evenmin journalistiek onzorgvuldig jegens klager gehandeld.

Ten slotte overweegt de Raad dat voor zover klager heeft betoogd dat de vrouw van een collega door verweerders onheus is bejegend en in haar belangen is geschaad, niet is gebleken van omstandigheden die grond bieden voor het oordeel dat klager een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad hieromtrent. De Raad acht klager dan ook in zoverre in zijn klacht niet-ontvankelijk.

BESLISSING

Voor zover de klacht betrekking heeft op schending van de belangen van anderen dan klager, is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 augustus 2012 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, H. Blanken, prof. dr. M.J. Broersma en ir. B.L. Hooghoudt, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen,  plaatsvervangend secretaris.