2012/43 ongegrond

Samenvatting

Op 16 november 2011 is in een uitzending van Nieuwsuur aandacht besteed aan klaagster. Die uitzending is aangekondigd in het NOS Journaal van diezelfde dag. Verder is op 28 maart 2012 in Nieuwsuur opnieuw aandacht aan klaagster besteed, waarbij de directeur van klaagster live in de studio is geïnterviewd. Kern van de klacht is dat in de uitzendingen van 16 november 2011 onjuist en tendentieus over klaagster is bericht, waarbij haar onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden, en dat vervolgens met de uitzending op 28 maart 2012 niet is voldaan aan de tussen partijen gemaakte afspraken.
Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat op basis van de voorhanden zijnde informatie en documentatie voldoende reden bestond om in de uitzendingen indringende kritische vragen aan de orde te stellen over inkomsten en uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek door klaagster.
Verder is klaagster door middel van een vooraf afgesproken interview uitgebreid aan het woord gekomen. Voorafgaand aan het interview hebben partijen meerdere malen contact hebben gehad. Het interview met de toenmalig interim directeur van klaagster heeft ruim 1,5 uur geduurd, waarbij ook nog een collega van haar aanwezig was. Het is aannemelijk dat daarbij de strekking van de uitzending voor klaagster voldoende duidelijk moet zijn geweest en dat haar interim directeur voldoende gelegenheid heeft gehad om desgewenst opheldering te vragen. Aldus is klaagster voldoende in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de uitzendingen van 16 november 2011 te reageren. Zij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de reactie van haar interim directeur op journalistiek onzorgvuldige wijze is verwerkt. Nu het NOS Journaal geen andere aantijgingen bevatte en daarin fragmenten zijn getoond van het interview, behoefde klaagster niet nog apart voorafgaand aan de aankondiging in het NOS Journaal in de gelegenheid te worden gesteld om te reageren.
Gelet op het voorgaande is van eenzijdige berichtgeving geen sprake. Klaagster heeft echter wel voldoende aannemelijk gemaakt dat op onderdelen onjuist over haar c.q. haar bedrijfsvoering is bericht. Enerzijds kan met recht worden gesteld dat verweerders nog nauwkeuriger onderzoek hadden kunnen verrichten en genuanceerder over de kwestie hadden kunnen berichten, maar anderzijds kan niet worden ontkend dat de onjuiste berichtgeving voor een niet onbelangrijk deel te wijten is aan de gebrekkige informatievoorziening van klaagster zelf. De Raad is van oordeel dat in zoverre in de uitzendingen van 16 november 2011 onjuist en daardoor tendentieus over klaagster is bericht, dit verweerders niet zodanig kan worden toegerekend dat zij daarmee journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld.
Dat neemt niet weg dat het Nieuwsuur c.q. Tweebeeke zou hebben gesierd – mede gezien het constructieve overleg dat partijen na 16 november 2011 hebben gevoerd – als in het interview van 28 maart 2012 meer begrip zou zijn getoond voor de positie van klaagster en de gevolgen die zij door de berichtgeving van 16 november heeft ondervonden. Naar het oordeel van de Raad is echter niet gebleken dat verweerders met het interview in strijd met gemaakte afspraken of anderszins journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster hebben gehandeld. Dat het interview mogelijk anders is verlopen dan klaagster had verwacht, kan daaraan niet afdoen.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Pink Ribbon 

tegen

J. Pennarts, M. Tweebeeke, C. Kuyl en M. Gelauff (NTR en NOS)

Bij brief van 15 mei 2012 met acht bijlagen hebben jhr. mr. A.N. Stoop en mw. mr. J. Bodewits, advocaten te Amsterdam namens Stichting Pink Ribbon (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen J. Pennarts, M. Tweebeeke, C. Kuyl en M. Gelauff (NTR en NOS) (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. F.R. Stoové, advocaat en bedrijfsjurist a.i. NTR, namens verweerders geantwoord in een brief van 15 juni 2012 met vijftien bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 juni 2012. Aan de zijde van klaagster waren daar mw. S. Veenhoff (directeur), L. Moerel (lid Raad van Toezicht) en voornoemde mr. Stoop en mr. Bodewits aanwezig. Aan de zijde van verweerders zijn verschenen voornoemde Pennarts (verslaggever Nieuwsuur), Kuyl (hoofdredacteur Nieuwsuur), Gelauff (hoofdredacteur NOS Nieuws) en mr. Stoové alsmede mw. J. van Laar (verslaggever Nieuwsuur) en mr. M. Linnemann (hoofd Juridische Zaken NOS). Mr. Stoop heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnotitie met vier bijlagen.

Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad opnamen van de gewraakte uitzendingen bekeken.

DE FEITEN

Op 16 november 2011 is in een uitzending van het televisieprogramma Nieuwsuur aandacht besteed aan klaagster. Die uitzending is aangekondigd in het NOS Journaal van diezelfde dag om 20:00 uur. Het journaal-item wordt door de nieuwslezer ingeleid als volgt:
“Het is hét symbool van de strijd tegen borstkanker: Pink Ribbon, het roze lintje. Met een eigen tijdschrift, een groot gala en tal van roze producten die mensen kunnen kopen om de strijd tegen de ziekte te steunen. Wat weinig mensen weten is dat Pink Ribbon maar 15% van de inkomsten aan wetenschappelijk onderzoek zegt te besteden. Een percentage dat ze, zo blijkt uit een reportage in Nieuwsuur vanavond, bij lange na niet halen.”
Hierna vervolgt een verslaggever:
“Pink Ribbon haalde in de afgelopen jaren 16 miljoen euro op bij particulieren en bedrijven, vaak met de verkoop van allerhande roze producten. Slechts 288 duizend euro daarvan is in die jaren aan wetenschappelijk onderzoek uitgegeven. Terwijl dat onderzoek wel vaak als verkoopargument wordt gebruikt.”
Vervolgens worden enkele fragmenten getoond van interviews uit de uitzending van Nieuwsuur. De nieuwslezer sluit het item af als volgt:
“Vanavond in Nieuwsuur dus een uitgebreide reportage over Pink Ribbon, onder meer ook over de vele miljoenen die er op de spaarrekening staan en die niet zijn besteed.”
Diezelfde dag is op de website van de NOS aan de kwestie aandacht besteed onder de kop “Pink Ribbon gaf 1,8 procent aan onderzoek”.
Later die avond is de reportage van Nieuwsuur door Tweebeeke ingeleid als volgt:
“Iets heel anders: Pink Ribbon. KWF Kankerbestrijding, het grootste fonds voor kankeronderzoek, is dit jaar gestopt om samen met Pink Ribbon fondsen te werven. Pink Ribbon richt zich alleen op borstkanker. Uit onderzoek van Nieuwsuur blijkt dat maar een fractie van het geld dat Pink Ribbon zelf ophaalt naar borstkankeronderzoek gaat, terwijl producten wel met die claim worden verkocht.”
Hierna zijn beelden getoond van een reclamecampagne van Pink Ribbon uit een Canadese documentaire. Verder zijn mw. S. de Klerk-Waller, toenmalig interim directeur van Pink Ribbon, een borstkankerpatiënte en een woordvoerder van KWF Kankerbestrijding aan het woord gelaten.
Later in de reportage bericht Pennarts:
“In 2009 en 2010 heeft KWF in totaal 2 miljoen euro overgemaakt aan Pink Ribbon, de wervingskosten waren voor KWF. Ook het Nederlandse borstkankerfonds A Sister’s Hope gaf in drie jaar tijd 2 miljoen euro aan Pink Ribbon. In totaal dus 4 miljoen euro waar Pink Ribbon zelf niets voor hoefde te doen. Enige eis: het moet naar wetenschappelijk onderzoek gaan. Dat deel werd inderdaad besteed aan onderzoek.
Dat ligt anders bij de gelden die Pink Ribbon zelf ophaalt via bedrijven en particulieren, ongeveer 16 miljoen euro. In het jaarverslag vinden we de exacte verdeelsleutel. Maar 15% is bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek. Toch is het juist onderzoek dat veel mensen triggert om te geven.”
Tegelijkertijd worden delen van het jaarverslag van klaagster over 2010 in beeld gebracht, waarbij is te lezen: “wetenschappelijk onderzoek – 15%”. Daarna wordt aan de orde gesteld dat Pink Ribbon dat percentage van 15% bij lange na niet zou halen. Even verderop in de uitzending wordt in beeld gebracht dat aan De Klerk-Waller wordt gevraagd:“U bent er niet voor wetenschappelijk onderzoek naar borstkanker?”, waarop zij antwoordt:“Dat doet het KWF, daar vullen wij elkaar heel mooi op aan, daar zijn wij complementair.”
Iets later wordt het volgende bericht, terwijl delen uit de jaarrekening van klaagster over 2010-2011 worden getoond:
“Pink Ribbon heeft de afgelopen 5 jaar ruim 20 miljoen euro ontvangen. Daarvan staat nog 8 miljoen euro op de spaarrekening: 1 miljoen als reserve voor de organisatie en maar liefst 7 miljoen wacht nog op een doel. Projecten kunnen nog worden ingediend.”
Desgevraagd licht De Klerk toe dat een keer per jaar een inschrijving wordt uitgeroepen, dat de lopende inschrijvingsronde die dag afloopt en dat het geld op de rekening besteed gaat worden.
Pennarts bericht vervolgens:
“Maar uit de jaarverslagen blijkt dat voor het laatst in 2008 projecten en onderzoeksaanvragen konden worden ingediend, 3 jaar geleden. Dat verklaart wellicht waarom de spaarrekening is uitgegroeid tot 7 miljoen euro.”
Tweebeeke sluit deze uitzending af als volgt:
“Vrijdag gaat de documentaire over de roze borstkankerbeweging in Noord Amerika in première. Op het Internationale Documentaire Festival IDFA.”

Op de website van Nieuwsuur is op 16 november 2012 om 14:11 uur over klaagster bericht onder de kop “Weinig geld Pink Ribbon naar onderzoek” en is de reportage van die avond aangekondigd. Het bericht is diezelfde dag ge-update om 23:15 uur. Onder aan het bericht is te lezen:
NB
Naar aanleiding van deze reportage heeft Pink Ribbon excuses aan patiënten aangeboden: “We zijn onvoldoende duidelijk geweest over de bestedingen van donaties”.
(…)
Aanvulling en correctie
Financieringsrondes Pink Ribbon ook in 2009 en 2011
In de Nieuwsuur uitzending van 16 november 2011 hebben we bericht dat er voor het laatst in 2008 projecten en onderzoeksaanvragen konden worden ingediend bij Pink Ribbon. Uit additionele door Pink Ribbon aangeleverde informatie is gebleken dat ook in 2009 een aanvraag ronde heeft plaatsgevonden waaruit projecten op het gebied van voorlichting, zorg en wetenschappelijk onderzoek zijn gefinancierd. Zoals in de uitzending aangegeven heeft ook in 2011 een aanvraag ronde plaatsgevonden.
Uitgaven Pink Ribbon aan wetenschappelijk onderzoek
In de reportage van Nieuwsuur is aangegeven dat van de 4 miljoen euro die Pink Ribbon heeft uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek, slechts 288.000 euro afkomstig is uit eigen fondsenwerving. Volgens Pink Ribbon kun je dat onderscheid zo niet maken:
Directeur Pink Ribbon Susan Veenhoff: “Wij zijn verheugd dat Nieuwsuur ons in staat stelt transparant te berichten over onze bestedingen aan wetenschappelijk onderzoek. Van belang is dat Pink Ribbon op het moment van uitzending in totaal 5,3 miljoen euro had uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek, dit is inclusief wetenschappelijk onderzoek op het gebied van psychosociale zorg. Dit is 26% van onze totale uitgaven sinds 2006. (…)”
Samenwerking Pink Ribbon met KWF
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft KWF de volgende reactie op hun website geplaatst die wij voor de goede orde hier herhalen.
“In de media wordt de suggestie gewekt dat KWF Kankerbestrijding de samenwerking met Pink Ribbon heeft opgezegd omdat Pink Ribbon haar middelen niet verantwoord zou besteden. Dat klopt niet.
KWF Kankerbestrijding heeft twee jaar geleden een samenwerkingsovereenkomst met Pink Ribbon gesloten. Deze overeenkomst houdt onder andere in dat KWF en Pink Ribbon gezamenlijk fondsen werven voor de bestrijding van borstkanker. (…) Voor 2011 hebben we besloten geen gebruik te maken van dit logo met roze lintje. De reden hiervoor is dat het gezamenlijk fondsenwerven minder opbracht dan verwacht. (…)”

Op 18 november 2011 is op de blog van klaagster (blog.pinkribbon.nl) een bericht geplaatst onder de kop “Onze excuses”, dat onder meer de volgende passages bevat:
“Wij zijn enorm geschrokken van de uitzending van Nieuwsuur (woensdag 16 november). De vele reacties die we hierop hebben gekregen, maken duidelijk dat wij hierin niet alleen staan. Omdat het team Pink Ribbon bestaat uit tien personen (8,2 fte) hebben wij niet snel genoeg kunnen reageren op alle vragen en reacties. Dit spijt ons enorm.”
en
“We realiseren ons dat we onvoldoende duidelijk zijn geweest over de doelstellingen van Stichting Pink Ribbon en de bestedingen van donaties. Dit moeten en zúllen we voortaan duidelijker communiceren. We verzekeren jullie dat we elke euro kunnen verantwoorden.”

Ten slotte is op 28 maart 2012 in een uitzending van Nieuwsuur opnieuw aandacht aan klaagster besteed, waarbij Veenhoff live in de studio is geïnterviewd. Het item is aangekondigd met de tekst “Gaat Pink Ribbon het anders doen na alle kritiek?” en ingeleid als volgt:
“Gaat Pink Ribbon het anders doen? Nieuwsuur besteedde in november aandacht aan het borstkankerfonds. De uitzending deed veel stof opwaaien. 8 miljoen euro van donateurs stond nog op de bankrekening van Pink Ribbon zonder dat dat geld werd uitgegeven. En er was veel kritiek op de manier van fondsen werven. Zo meteen praten we hierover met de nieuwe directeur van Pink Ribbon Susan Veenhoff. Maar eerst de kritiek van toen.”
Vervolgens worden enkele beelden getoond van de reportage van 16 november 2011, waarna Tweebeeke enkele algemene vragen aan Veenhoff stelt en zij een aantal wervingsactiviteiten bespreken. Ten slotte ontspint zich tussen Tweebeeke (T) en Veenhoff (V) het volgende gesprek:
T:         “Ander belangrijk punt was natuurlijk het geld. Er wordt door jullie heel veel geld
binnengehaald en 8 miljoen stond er ten tijde van onze uitzending, dat was november vorig jaar, op jullie bankrekening. Is dat inmiddels besteed?”
V:        “Ja hoor, dat is inmiddels volledig besteed. De dag voor de uitzending sloot onze ‘call for
proposal’, dat doen we zo elk jaar, dan roepen wij (…)”
T:         “Dat is: inschrijving voor projecten.”
V:        “Ja, een financieringsaanvraag kunnen ze dan bij ons indienen, die heeft inmiddels
plaatsgevonden. De projecten zijn gekozen door onze wetenschappelijke adviesraad en de onderzoekers hebben daar geld voor ontvangen.”
T:         “Is dat versneld door de commotie die ontstond door deze uitzending?”
V:        “Nee, dat doen we elk jaar zo, elk jaar in november. Ik moet zeggen, dit jaar doen we wel
een extra pilot. We hebben nu ook weer een ‘call for proposal’, een financieringsronde, lopen, die eindigt op 30 april.”
T:         “Belangrijk is even, want daar was ook de grote commotie over, waar dat geld dan
precies aan besteed wordt.”
V:        “Ja, dat is een goed punt.”
T:         “Want heel veel mensen denken dat er geld opgehaald wordt met name voor
wetenschappelijk onderzoek.”
V:        “Dat is ook zo.”
T:         “Nou, dat blijkt een klein deel te zijn.”
V:        “Nee hoor, nee. We hebben in de afgelopen paar jaar in totaal 10 miljoen uitgegeven aan
wetenschappelijk onderzoek. Waar de commotie over is, is: wat is dan wetenschappelijk onderzoek? (…)”
T:         “Vorig jaar november zei uw voorganger dat het om 3 miljoen ging, hè?”
V:        “Op dat moment was er 3 miljoen uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek op het
gebied van preventie en ook nog eens een keer additioneel 2 miljoen aan psycho-sociale zorg.”
T:         “Maar zoals we ook zagen, dat ging dan vooral om geld wat was opgehaald door KWF
Kankerfonds en A Sister’s Hope.”
V:        “Ja uiteindelijk, kijk, het geld komt allemaal bij de donateur vandaan. En of het nou bij
het KWF vandaan komt (…)”
T:         “Ja het komt allemaal van de donateur, maar het gaat er natuurlijk vooral om, waar het terecht komt.”
V:        “Absoluut. (…)”
T:         “En heel veel mensen denken natuurlijk dat het gaat naar fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek naar de oorzaak en genezing van borstkanker en dan ziet het sommetje er heel anders uit.”
V:        “Ja inderdaad, het zou natuurlijk fantastisch zijn als wij een medicijn vonden, daar is
inmiddels (…)”
T:         “Waarom stopt u het geld dan daar niet in?”
V:        “Al decennia is daar onderzoek naar gedaan, daar zijn ook miljarden in omgegaan. Daar
gaat ook de komende tijd niet een medicijn komen, er gaan ook nog miljarden in. En in de tussentijd vinden wij het belangrijk dat naar de borstkankerpatiënten van vandaag, dat daar om bekommerd wordt. Dat doet Pink Ribbon, met wetenschappelijk onderzoek.”
T:         “Maar zegt u daarmee, is er dan genoeg geld waar KWF Kankerfonds, die wel dat
fundamentele wetenschappelijk onderzoek doen, is daar dan geld genoeg. Dat u zegt: dat is niet nodig. Waarom kiest u voor die andere weg?”
V:        “Dat is absoluut nodig. Wij zeggen dat onze bijdrage er in, die paar miljoen die wij
ophalen is een druppel op een gloeiende plaat. En de borstkankerpatiënt van vandaag heeft ook absoluut aandacht en onderzoek nodig. Daarom geven wij (…)”
T:         “Maar kijk ik eens in het lijstje naar wat voor, en dan noem ik even een voorbeeld hoor,
bijvoorbeeld 150.000 voor een onderzoek naar ‘Het Zwaard van Damocles’, het begrijpen van en omgaan met de angst voor terugkeer van de kanker, of een onderzoek naar de effecten van een op yoga gebaseerd stress-verminderingsprogramma op vermoeidheid en kwaliteit van het leven na de borstkanker. Maar er gaan nog heel veel vrouwen dood aan borstkanker. Dan zou je kunnen zeggen: is dat niet de wereld op z’n kop, om hier geld aan te besteden?”
V:        “Dat is totaal de wereld niet op z’n kop. De behandeling is heel erg belangrijk en de
nabehandeling is ook heel erg belangrijk. En daar voelen borstkankerpatiënten zich vaak onbegrepen in. Juist nadat het haar weer is aangegroeid, dan vallen ze in een zwart gat en dat is juist het moment dat ze ondersteuning en hulp nodig hebben.”
T:         “Als je kan voorkomen dat mensen eraan dood gaan, is dat toch A en dan pas B?”
V:        “Maar luister, wij luisteren bij het toewijzen van onderzoeken heel erg naar waar de
borstkankerpatiënt van vandaag behoefte aan heeft. En dit zijn onderzoeken waar de borstkankerpatiënt van vandaag enorme behoefte aan heeft. Een betere behandeling en een betere nazorg (…)”
T:         “Ik neem toch aan dat iedere borstkankerpatiënt uiteindelijk gewoon hoopt dat ie er niet
aan dood gaat.”
V:        “Natuurlijk, dat hoop ik ook (…)”
T:         “En u investeert dan ook weer bijvoorbeeld, ik geloof 135.000 voor een App om mensen
mentaal te begeleiden. Dat zal allemaal goed bedoeld zijn en ook een functie hebben, maar het voelt zo raar, als je bedenkt dat er nog zo veel vrouwen aan dood gaan en dat daar nog zoveel voor nodig is.”
V:        “Dat kan ik me heel goed voorstellen. En ik wil als geen ander dat er een medicijn tegen
borstkanker komt, maar daar zijn we nog 10, 15 jaar minimaal mee bezig en intussen is die borstkankerpatiënt zo belangrijk.”
T:         “Maar gaat u dat communiceren? Want nog steeds blijft het beeld natuurlijk bestaan dat
er heel veel geld naar dat fundamentele onderzoek gaat, terwijl jullie dus voor een andere lijn kiezen. Dat is jullie eigen keus. Maar dan zou je zeggen: laat mensen dat dan ook goed weten. Nog steeds staat er vandaag op jullie site “Wij voeren de strijd, help ons in de strijd tegen borstkanker”. En dat klinkt toch als een strijd tussen leven en dood?”
V:        “Nou, het gaat erom dat wij een zo goed mogelijke behandeling voor patiënten willen en
dat is uiteindelijk dan ook levenssparend. En uiteraard natuurlijk ook dat je op een goeie manier ook met borstkanker náleeft. Als je in een zwart gat valt, als je in scheiding ligt, als je kinderen niet meer met je praten, wat heb je dan nog voor een leven? Het gaat er ook om dat ná borstkanker er ook nog een leven te hebben is. Die kwaliteit van leven is ontzettend belangrijk voor borstkankerpatiënten. En dat is nou exact wat wij elke keer weer horen in onze gesprekken met borstkankerpatiënten, want daar doen we het voor. Het is niet dat ik in m´n ivoren toren bedenk welk project we financieren. Het komt uit de koker van de wetenschappers, het komt uit de koker van de borstkankerpatiënten, die zeggen dat ze hier baat bij hebben.”
T:         “Ok, ik dank u hartelijk voor uw komst en ik wens u veel succes.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij op 16 november 2011 de berichtgeving in het NOS Journaal heeft aangehoord, waarin de reportage van Nieuwsuur werd aangekondigd. Klaagster had daags daarvoor aan de reportage meegewerkt, maar had geen idee dat de uiteindelijke reportage vol onjuistheden en onvolledige informatie zat. De berichtgeving in het NOS Journaal was zodanig schadelijk en grievend dat klaagster direct contact heeft gezocht met Pennarts en Kuyl, maar zonder het gewenste effect: de reportage zou – ondanks de waarschuwingen van klaagster over de onjuistheden en het verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld te reageren op de aantijgingen – diezelfde avond worden uitgezonden, zonder melding te maken van de bezwaren van klaagster. Volgens klaagster bevat de berichtgeving van 16 november 2011 enerzijds onjuiste en onvolledige informatie, en anderzijds mededelingen en informatie die misschien op zich niet feitelijk onjuist of onvolledig zijn, maar die in samenhang en door de toon waarmee zij zijn gebracht, een volstrekt verkeerd beeld geven van klaagster.
Naar aanleiding van de uitzendingen heeft klaagster intern onderzoek gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat klaagster op de volgende punten duidelijker had kunnen zijn in haar jaarverslagen en informatie: het (wetenschappelijk) onderzoek dat door klaagster wordt gefinancierd, wat precies wordt verstaan onder ‘wetenschappelijk onderzoek’, de betekenis van ‘geoormerkte’ en ‘ongeoormerkte’ gelden en hoe de samenwerking tussen klaagster en overige organisaties (zoals KWF en A Sister’s Hope) is. Dit kan echter geen rechtvaardiging zijn voor eenzijdige en tendentieuze berichtgeving over klaagster en al helemaal niet zonder dat eigen gedegen onderzoek en waarheidsvinding hebben plaatsgevonden. Een eenvoudig onderzoek en/of verzoeken om verificatie aan klaagster had verweerders geleerd wat de juiste en volledige informatie was.
Volgend op haar eigen onderzoek heeft klaagster nogmaals contact gezocht met Pennarts en Kuyl over rectificatie van de onjuiste informatie. Na veelvuldig overleg is afgesproken dat klaagster in een live-interview de mogelijkheid zou worden geboden het onjuiste beeld recht te zetten. Tegen alle afspraken in werd het live-interview een desastreus, tendentieus en weinig rectificerend gesprek met Tweebeeke, dat wederom onzorgvuldig en schadelijk was.
De uitzendingen – los van elkaar en in combinatie – en het samenstel van eenzijdige, schadelijke, onvolledige informatie over klaagster, laten kijkers geen andere conclusie dan dat de werkwijze en de achtergrond van klaagster niet deugen. Aan klaagster is geen (voldoende) gelegenheid geboden om op de aantijgingen te reageren en voor zover zij die gelegenheid had, zijn afspraken niet nageleefd. Klaagster is voorts (structureel) onjuist en onvolledig geïnformeerd. Tegen dit onzorgvuldig journalistiek handelen maakt klaagster nu bezwaar.
Ter toelichting zet klaagster uiteen hoe zij fondsen werft en de gedoneerde gelden besteedt. Zij benadrukt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘eigen fondsenwerving’ en ‘fondsenwerving derden’ alsmede tussen ‘geoormerkte gelden’ en ‘ongeoormerkte gelden’. In de berichtgeving is onjuist bericht dat klaagster slechts 288.000 uit ‘zelf ingezamelde gelden’ zou besteden aan wetenschappelijk onderzoek. In die mededeling zijn appels met peren vergeleken, waardoor de onjuiste suggestie is gewekt dat klaagster slechts een fractie van haar inkomsten aan wetenschappelijk onderzoek besteedt. In werkelijkheid heeft klaagster van haar totale donatie-inkomsten in de periode 2006-2010 9,4 miljoen euro besteed aan wetenschappelijk onderzoek, zodat de ‘misstand’ die verweerders aan de kaak dachten te moeten stellen bij de uitgaven van klaagster, is gespeend van elk werkelijkheidsbesef.
Verder is ten onrechte vermeld dat klaagster in 2008 voor de laatste keer een financieringsronde zou hebben uitgeschreven en sindsdien al haar gelden zou opsparen. Uit de jaarverslagen van klaagster blijkt dat na 2008 nog twee financieringsrondes hebben plaatsgevonden.
De derde onjuistheid betreft de suggestie dat KWF Kankerbestrijding de samenwerking met klaagster zou hebben opgezegd. Klaagster heeft een uitstekende relatie met KWF en werkt met KWF samen in de strijd tegen borstkanker; er vindt regelmatig overleg plaats. In 2009 en 2010 hebben de organisaties samen fondsen geworven. Die gezamenlijke actie is in 2011 gestopt, omdat dit minder opbracht dan verwacht. De samenwerking en afstemming van de activiteiten is echter gebleven.
Klaagster heeft direct na de uitzending van het NOS Journaal Pennarts en Kuyl gewezen op de onjuistheden, maar zij hebben met die kennis niets gedaan. Integendeel: de onjuiste informatie is (deels) nogmaals herhaald in het interview van 28 maart 2012. Ten aanzien van het interview meent klaagster verder dat daarin de mening van Tweebeeke overheerst en dat die mening bovendien als feit wordt gepresenteerd.
Verder stelt klaagster dat de berichtgeving eenzijdig is, onder meer omdat daarin enkel aandacht wordt besteed aan de financiële steun die zij verleent aan onderzoeken naar preventie van borstkanker en een geneesmiddel daartegen, terwijl vermelding van de andere activiteiten en doelstelling van klaagster achterwege is gelaten.
Daarbij komt, aldus klaagster, dat de onderzoeksplicht door alle beklaagden met voeten is getreden. Pennarts wist of had moeten weten dat een aantal beschuldigingen onjuist is en had ten aanzien van onduidelijkheden behoren te onderzoeken of haar aannames juist waren. Tweebeeke, Kuyl en Gelauff hebben zonder enig eigen onderzoek de onjuiste en onvolledige informatie van Pennarts overgenomen.
Bovendien is geen, althans onvoldoende wederhoor toegepast, aldus klaagster. Zij wist niet van de aankondiging in het NOS Journaal en aan haar is voorafgaand aan, tijdens, noch na de uitzending de mogelijkheid geboden om te reageren. Ten aanzien van de reportage van Nieuwsuur geldt dat klaagster geen inzage vooraf heeft gekregen in de inhoud en niet was geïnformeerd over de wijze waarop het interview met De Klerk-Waller zou worden gebruikt. Zo werd het pas in het nagesprek duidelijk dat een borstkankerpatiënte geïnterviewd zou worden die niet enthousiast is over klaagster, zonder dat er aandacht zou zijn voor een patiënte met een positieve ervaring. Verder is aan klaagster voorafgaand aan, tijdens en na de uitzending van de reportage geen voldoende gelegenheid geboden op de aantijgingen te reageren. Dit is extra kwalijk omdat klaagster Kuyl en Pennarts voorafgaand aan de uitzending had geïnformeerd dat de aankondiging in het NOS Journaal onjuiste en onvolledige informatie bevatte. Ook met de uitgebreide onderbouwing van de onjuistheden en onvolledigheden na de uitzending van de reportage hebben Kuyl, Pennarts en Gelauff niets gedaan, aldus klaagster. Zij meent verder dat Pennarts voorafgaand aan de uitzendingen klaagster en De Klerk-Waller had dienen te informeren over de aankondiging in het NOS Journaal en de uiteindelijk gekozen insteek van de reportage – hetgeen zij heeft nagelaten – en beiden nogmaals om toestemming had moeten vragen voor het gebruik van de materialen.
Klaagster meent dat verweerders derhalve op geen enkele wijze hebben voldaan aan de journalistieke eisen van evenwichtigheid, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, ongebondenheid, pluriformiteit en onbevooroordeeldheid.
Ten slotte stelt klaagster dat Pennarts, Kuyl en Gelauff ten onrechte niet op eigen initiatief zijn overgegaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting. Pas na een uitvoerige briefwisseling hebben Kuyl en NTR zich bereid getoond een zeer summiere rectificatie op de website van Nieuwsuur te plaatsen, welke tekst door NOS is overgenomen. Na drie maanden corresponderen en diverse besprekingen toonden Kuyl en NTR zich bereid mee te werken aan een rectificerende uitzending, waarin klaagster voldoende gelegenheid zou krijgen de onjuistheden en onduidelijkheden uit de eerdere uitzendingen recht te zetten. In plaats van een passende ruimhartige rechtzetting werd het echter het interview met Tweebeeke.
Ter zitting voegt klaagster hieraan toe dat het gaat om een samenstel van eenzijdige, schadelijke en eenzijdige informatie over haar, waarbij relevant is hoe de uitingen door het publiek zijn opgevat. Het totaalbeeld dat bij het publiek is ontstaan, is onjuist, eenzijdig en tendentieus. Verder licht klaagster toe dat in de besprekingen die volgden op de uitzendingen van 16 november 2011, partijen het er al snel over eens werden dat klaagster het meest zou zijn geholpen met een nieuw interview waarin zij ook positief onder de aandacht zou kunnen brengen wat ze doet. De correctieteksten op de websites waren van ondergeschikt belang. Ten aanzien van het interview met Veenhoff werd afgesproken dat zij zelf de gelegenheid zou hebben de juiste feiten te geven en daarmee een en ander recht te zetten. Veenhoff zou daarbij op neutrale toon worden geïnterviewd, maar dat is niet gebeurd. Desgevraagd deelt klaagster nog mee dat als het interview zou zijn verlopen zoals zij had verwacht, zij daarmee dan genoegen zou hebben genomen.

Verweerders leggen uit dat Nieuwsuur en NOS Journaal letterlijk uit hetzelfde huis komen. De programma’s hebben ieder hun eigen redactiestatuut, maar hanteren dezelfde journalistieke normen. Tussen de programma’s onderling bestaan diverse personele dwarsverbanden en er wordt tussen beide redacties dagelijks samengewerkt. Dankzij die samenwerking heeft de NOS in een vroeg stadium kennis genomen van de reportage over klaagster die Nieuwsuur aan het voorbereiden was. De redactie van het NOS Journaal heeft na zorgvuldige bestudering van de reportage en het door Nieuwsuur verzamelde materiaal geoordeeld dat de reportage voldoende nieuwswaarde had om daaraan in het journaal van 20:00 uur aandacht te besteden. Tussen de redacties is afgesproken dat in het journaal een samenvatting zou worden uitgezonden van de belangrijkste onderdelen van de reportage, onder verwijzing naar de uitzending van de hele reportage later die avond. Bij de totstandkoming van het journaal-item is gebruik gemaakt van het door Nieuwsuur verzamelde materiaal. Naar de overtuiging van de NOS is dit correct en waarheidsgetrouw gebeurd.
Verder wijzen verweerders erop dat klaagster zelf heeft gesteld dat zij op een aantal punten niet voldoende duidelijk is geweest en niet volledig is geweest in haar eigen berichtgeving, jaarrekeningen en jaarverslagen. Bovendien geeft klaagster toe dat zij door de uitzendingen van de reportage van Nieuwsuur ermee bekend is geworden dat zij in die punten tekort is geschoten en onvolledig is geweest in de door haar verstrekte informatie.
Vervolgens schetsen verweerders uitvoerig de gang van zaken in de voorfase van de reportage. Zo is klaagster op 9 november 2011 benaderd met het verzoek om een interview, enerzijds om te reageren op de IDFA-documentaire en anderzijds uitleg te geven over de wijze van fondsenwerving en bestedingen van Pink Ribbon in Nederland. Daarbij is expliciet verzocht een persoon te interviewen die uitleg kan geven over jaarrekeningen. In een e-mail van 11 november 2011 zijn de punten voor het interview opgesomd, zoals ‘uitleg kerncijfers 2006-2010’ en ‘financiering van wetenschappelijk onderzoek’. Voor klaagster is dus duidelijk waarover zal worden gesproken. Diezelfde dag heeft een telefonisch voorgesprek van ruim een half uur plaatsgevonden met De Klerk-Waller. Daarbij zijn alle punten uit de e-mail van 9 november langsgelopen en (voor)besproken, waarbij uitvoerig is stilgestaan bij de geuite kritiek ten aanzien van de fondsenwerving en bestedingen van klaagster. Vervolgens heeft op 14 november het interview met De Klerk-Waller plaatsgevonden, in aanwezigheid van een collega van haar, dat ruim 1,5 uur in beslag heeft genomen. Dit heeft vooral te maken met het feit dat De Klerk-Waller onwennig overkomt en moeite heeft met de inhoud en uitleg van de jaarrekeningen. Haar wordt echter steeds alle tijd gegund te antwoorden. De vragen en antwoorden zijn nergens ‘verknipt’ of verkeerd weergegeven. Tijdens en na het interview laat De Klerk-Waller op emotionele wijze weten dat zij niet snapt dat er kritiek wordt geuit op klaagster. Voor klaagster is het ten tijde van het interview (evenals tijdens het voorgesprek) duidelijk dat het een kritisch interview betreft, waaruit kritische conclusies kunnen (en zullen) worden getrokken. Na afloop van het interview heeft klaagster nog verzocht of zij de reportage voorafgaand aan de uitzending mocht zien. De medewerkers van Nieuwsuur hebben daarop meegedeeld dat dit niet is afgesproken en ook niet gebruikelijk is. Verder is aan klaagster bericht dat de uitzending zal plaatsvinden op 16 november om 22:00 uur. Daarna verneemt Nieuwsuur niets meer van klaagster tot kort voor de uitzending van de reportage en na uitzending van de aankondiging in het NOS Journaal bij monde van haar raadsman. Hoewel klaagster bekend was, althans bekend had moeten zijn, met het feit dat het een kritisch interview betrof en de reportage een kritische insteek zou krijgen, heeft zij in de twee dagen na het interview niets meer van zich laten horen. Twee minuten voor de uitzending van de reportage heeft Nieuwsuur een e-mail van de raadsman van klaagster ontvangen. Daarop heeft Nieuwsuur laten weten dat hetgeen de raadsman stelt over het steunen van wetenschappelijk onderzoek ook precies zo in de reportage wordt vermeld en is verklaard door De Klerk-Waller. Nieuwsuur is daarom als gepland overgegaan tot uitzending.
Verweerders zetten vervolgens uitgebreid uiteen wat in de reportage van Nieuwsuur aan de orde is gesteld. Zij wijzen erop dat daarbij informatie letterlijk is geciteerd uit jaarrekeningen van klaagster en dat de reportage steeds aanhaakt bij de door klaagster zelf geformuleerde doelstellingen en doelbestedingen. Verder is de reportage gebaseerd op cijfers van het CBF. Op de conclusie die hieruit wordt getrokken – te weten dat er weinig geld uit de bestemmingsreserve naar wetenschappelijk onderzoek gaat en bovendien de eigen doelstelling van klaagster van 15% niet-geoormerkt geld naar wetenschappelijk onderzoek niet wordt gehaald – stelt klaagster in de reportage dat zij er met name op is gericht kwaliteit van leven te verbeteren en vroege opsporing te bevorderen, dat KWF meer is gericht op wetenschappelijk onderzoek en dat beide organisaties elkaar aanvullen. Op de constatering dat er nog veel geld wacht op een bestemming, reageert klaagster dat zij daarmee zorgvuldig omgaat, dat het klopt dat er nog veel geld op de rekening staat, maar dat dit in de komende inschrijvingsronde een bestemming zal krijgen. Vervolgens stelt Nieuwsuur dat uit de jaarverslagen blijkt dat in 2008 voor het laatst projecten en onderzoeksaanvragen konden worden ingediend en dat dit wellicht kan verklaren waarom er nog zo veel geld op de rekening staat, hetgeen – gezien het bestedingspercentage in 2009 en 2010 – geen vreemde constatering is.
Na de uitzendingen van 16 november 2011 is de nodige ophef ontstaan, waarbij klaagster veelvuldig de publiciteit heeft opgezocht en heeft toegegeven niet duidelijk te zijn geweest in haar informatie. Pas twee weken na uitzending van de reportage heeft klaagster voor het eerst contact opgenomen met Nieuwsuur. Daarbij heeft klaagster geweigerd in te gaan op de onvolledige en onjuiste inhoud van haar eigen informatie. Na lang overleg zijn partijen overeengekomen dat op de website van Nieuwsuur een verklaring zou worden geplaatst en zou worden verwezen naar de verklaring van KWF, en dat een interview zou worden afgenomen met de nieuwe directeur van klaagster. Verweerders verwijzen ter zake naar een e-mailwisseling tussen partijen van 13 en 14 februari 2012 waarin de afspraken zijn opgesomd. Daarbij is tevens overeengekomen dat klaagster geen klachten zou indienen c.q. juridische maatregelen zou treffen, voor zover Nieuwsuur aan de vermelde verplichtingen zou voldoen.
Verweerders wijzen erop dat in het interview van 28 maart 2012 scherp en kritisch wordt doorgevraagd naar de doelbestedingen van klaagster en dat uiteindelijk klaagster het laatste woord krijgt. Volgens verweerders is klaagster daarbij ruimschoots in de gelegenheid gesteld haar visie en uitleg van doelstellingen en doelbestedingen onder de aandacht te brengen en onduidelijkheid daarover weg te nemen.
Verweerders menen dat zij steeds zorgvuldig – zij het op kritische wijze – over klaagster hebben bericht, waarbij klaagster ruimschoots in de gelegenheid is gesteld haar visie te geven. Daarbij wijzen verweerders erop dat de aankondiging in het journaal een samenvatting behelsde van de nieuwsessentie van de reportage; niet alleen van de zogenoemde aantijgingen, maar ook van het weerwoord van De Klerk-Waller, een professional die gelouterd is in de omgang met de media of dat althans zou moeten zijn. Volgens verweerders verwart klaagster ten onrechte kritische vragen met tendentieuze en eenzijdige berichtgeving. Het is klaagster zelf, die onduidelijk is geweest in de door haar verstrekte informatie. Vervolgens is klaagster ruimhartig de mogelijkheid geboden haar eigen berichtgeving te corrigeren en het publiek daarvan op de hoogte te stellen via de websites van verweerders en het interview van 28 maart 2012.
Na de uitzendingen van 16 november 2011 hebben partijen veelvuldig overleg gevoerd en heldere afspraken gemaakt, teneinde de discussie te beëindigen. Daarbij is er bewust voor gekozen geen schuldige aan te wijzen voor de eventueel onduidelijke informatie. Van een rectificatie c.q. rectificerend interview is geen sprake geweest. Klaagster heeft verklaringen voor de website van Nieuwsuur voorafgaand aan publicatie gezien en goedgekeurd. Hetzelfde geldt voor de verklaring van KWF waarnaar op de website van Nieuwsuur is verwezen. Verder is de ‘instart’ voorafgaand aan het interview van 28 maart 2012 – bestaande uit delen van de reportage van 16 november 2011 – door klaagster als ‘netjes’ bestempeld.
Nadat Nieuwsuur al haar afspraken is nagekomen, heeft klaagster echter alsnog – zonder enige aanleiding of waarschuwing en blijkbaar alleen omdat het live-interview van 28 maart 2012 niet ging zoals klaagster had gehoopt – de onderhavige klacht ingediend. Overigens heeft klaagster zich niet eerder tot het NOS Journaal gewend.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat in de twee uitzendingen van 16 november 2011 onjuist en tendentieus over klaagster is bericht, waarbij haar onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden, en dat vervolgens met de uitzending van het interview op 28 maart 2012 niet is voldaan aan de tussen partijen gemaakte afspraken. De Raad zal zich tot deze kern beperken.

De Raad overweegt allereerst dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Er bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat een (hoofd)redactie bij een uitzending over een bepaald onderwerp (alle) voor- en tegenstanders aan het woord dient te laten. Het stond verweerders derhalve vrij om op kritische wijze aandacht aan klaagster te besteden. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving dient te vermijden (zie punt 1.5. van de Leidraad). Uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving dient voorts bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking te komen dat met betrekking tot negatieve kwalificaties die de belanghebbende raken, wederhoor is toegepast. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)

Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat op basis van de voorhanden zijnde informatie en documentatie, waaronder jaarrekeningen en jaarverslagen van klaagster, voldoende reden bestond om in de uitzendingen indringende kritische vragen aan de orde te stellen over inkomsten en uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek door klaagster.

Voorts is klaagster door middel van een vooraf afgesproken interview uitgebreid aan het woord gekomen. In dat verband overweegt de Raad dat, indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk mee te delen waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht. (vgl. RvdJ 2012/16)

Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en uit de door hen overgelegde stukken blijkt dat partijen voorafgaand aan het interview meerdere malen contact hebben gehad, zowel per e-mail als in een telefonisch voorgesprek. Het interview met De Klerk-Waller heeft voorts ruim 1,5 uur geduurd, waarbij ook nog een collega van haar aanwezig was. De Raad acht het aannemelijk dat daarbij de strekking van de uitzending voor klaagster voldoende duidelijk moet zijn geweest en dat De Klerk-Waller voldoende gelegenheid heeft gehad om desgewenst opheldering te vragen. De Raad is dan ook van oordeel dat verweerders klaagster voldoende in de gelegenheid hebben gesteld om voorafgaand aan de uitzendingen van 16 november 2011 te reageren. Klaagster heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de reactie van De Klerk-Waller op journalistiek onzorgvuldige wijze in de uitzendingen is verwerkt.
In dit verband overweegt de Raad voorts dat de uitzending van het NOS Journaal geen andere aantijgingen bevatte dan de reportage van Nieuwsuur. Bovendien zijn daarin fragmenten getoond van het interview met De Klerk-Waller. Verweerders behoefden derhalve niet nog apart voorafgaand aan de aankondiging in het NOS Journaal klaagster in de gelegenheid te stellen om te reageren.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat van eenzijdige berichtgeving geen sprake is. Klaagster heeft echter wel voldoende aannemelijk gemaakt dat op onderdelen onjuist over haar c.q. haar bedrijfsvoering is bericht. Zo is onder meer ten onrechte gesteld dat klaagster voor het laatst in 2008 een zogeheten ‘call for proposals’ had uitgeschreven, zodat gedurende een aantal jaren geen door klaagster gefinancierd onderzoek zou hebben plaatsgevonden en de reserves op klaagsters bankrekeningen zouden zijn opgelopen. Klaagster heeft er in dit verband op gewezen dat uit haar jaarverslagen blijkt dat ook na 2008 nog een inschrijvingsronde heeft plaatsgehad. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat hun informatie ter zake afkomstig was uit de jaarrekeningen van klaagster en dat ten tijde van hun onderzoek niet alle jaarverslagen op de website van klaagster beschikbaar waren. Volgens de Raad kan enerzijds met recht worden gesteld dat verweerders nog nauwkeuriger onderzoek hadden kunnen verrichten en genuanceerder over de kwestie hadden kunnen berichten, maar kan anderzijds niet worden ontkend dat de onjuiste berichtgeving voor een niet onbelangrijk deel te wijten is aan de gebrekkige informatievoorziening van klaagster zelf.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat in zoverre in de uitzendingen van 16 november 2011 onjuist en daardoor tendentieus over klaagster is bericht, dit verweerders niet zodanig kan worden toegerekend dat zij daarmee journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld.

Dat neemt niet weg dat het Nieuwsuur c.q. Tweebeeke zou hebben gesierd – mede gezien het constructieve overleg dat partijen na 16 november 2011 hebben gevoerd – als in het interview van 28 maart 2012 meer begrip zou zijn getoond voor de positie van klaagster en de gevolgen die zij door de berichtgeving van 16 november heeft ondervonden. Klaagster had ruimhartiger de kans gegeven kunnen worden uit te leggen dat inmiddels veel geld naar onderzoek is gegaan en naar welke projecten. Anders dan klaagster heeft gesteld, is naar het oordeel van de Raad echter niet gebleken dat verweerders met het interview in strijd met gemaakte afspraken of anderszins journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster hebben gehandeld. Dat het interview mogelijk anders is verlopen dan klaagster had verwacht – met name door de indringende, wellicht soms wat vileine, ondervraging door Tweebeeke – kan daaraan niet afdoen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 juli 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, A. Mellink MPA en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.