2012/42 ongegrond

Samenvatting

Verweerder is als wetenschaps- c.q. onderzoeksjournalist bezig is aan zijn nieuwe boek over wetenschapsfraude. Kern van de klacht is dat verweerder op onjuiste wijze het beginsel van wederhoor toepast, door in de onderzoeksfase zijn bevindingen over de handelwijze van klager voor te leggen aan derden, zonder eerst de reactie van klager af te wachten. De aan de orde gestelde handelwijze van verweerder moet als een journalistieke gedraging in de zin van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek worden beschouwd, zodat de Raad bevoegd is daarover te oordelen. Dat (nog) geen sprake is van gepubliceerd werk, staat daaraan niet in de weg. De Raad overweegt verder dat er geen norm bestaat die meebrengt dat de journalist eerst de reactie van een betrokkene behoort af te wachten, alvorens hij zich – in het kader van zijn onderzoek – met zijn bevindingen tot derden wendt. Het staat de journalist vrij in de onderzoeksfase zelf te bepalen in welke volgorde hij bronnen en betrokkenen benadert. In de nu voorgelegde fase is geen sprake van schending van het beginsel van wederhoor. Het verzoek van verweerder tot anonimisering van de uitspraak is door de Raad afgewezen.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

prof. dr. R.A.M. Pruijm

tegen

F. van Kolfschooten

Bij brief van 12 april 2012 met diverse bijlagen heeft prof. dr. R.A.M. Pruijm te Baarle-Nassau (hierna: klager) een klacht ingediend tegen F. van Kolfschooten (hierna: verweerder). Hierop heeft Van Kolfschooten geantwoord in een brief van 14 mei 2012 met diverse bijlagen. Klager heeft daarop nog gereageerd in een brief van 19 mei 2012. Verweerder heeft bij e-mail van 19 mei 2012 zijn CV overgelegd en bij e-mail van 22 mei 2012 op de repliek van klager gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 mei 2012. Klager is daar verschenen vergezeld door zijn echtgenote. Verweerder was eveneens aanwezig.

DE FEITEN                                                                            

Verweerder is bezig met het herzien van zijn boek “Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse Wetenschap”. In verband daarmee heeft hij op 3 februari 2012 een e-mail aan klager gestuurd met de volgende tekst:
“Ik ben een nieuwe, uitgebreide versie aan het maken van mijn boek ‘Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap’. Ik vraag mij af welke stappen de EUR indertijd heeft gezet naar aanleiding van mijn beschrijving van uw werkwijze in bovengenoemd boek.”
Verder heeft verweerder bij e-mail van 28 maart 2012 onder meer het volgende bericht:
“Ik hoor graag van u de naam van de EUR-deskundige die heeft gekeken naar uw proefschrift. Ik heb altijd van de EUR te horen gekregen dat de zaak nooit is onderzocht. Gisteren heb ik daar opnieuw een vraag over gesteld bij Voorlichting. (…)
Omdat uw opvattingen over bronvermeldingen ongewijzigd blijken heb ik enkele steekproeven gedaan in ‘Grondslagen van Corporate Governance’ door zinsneden in Google in te voeren. (…)
De kwestie van het overnemen van Wikipedia-pagina’s heb ik voorgelegd aan prof. mr. Hugenholtz, een van de grote Nederlandse deskundigen op auteursrechtgebied. (…)
Graag uw commentaar op bovengenoemde drie overnames.
Ik heb de auteur van het voorwoord van het boek, prof. mr. Willems, geïnformeerd over uw omgang met bronnen. Ook heb ik contact opgenomen met uitgeverij Noordhoff, mede in verband met plagiaat in een ander boek, over ergonomie.”
In reactie daarop heeft klager in een e-mail van 29 maart 2012 onder meer aan verweerder geschreven:
“Uw opmerkingen over mijn laatste boek verbazen mij. Ik heb het (met) de grootst mogelijke zorgvuldigheid geschreven en al mijn bronnen gedocumenteerd zoals het hoort. U kunt aannemen dat ik wat dat betreft nota heb genomen van uw onjuiste aantijgingen toendertijd en er alles aan doe om een herhaling te voorkomen. Ik zal dit de komende dagen nog eens grondig uitzoeken.
Ik zie eveneens dat u, zoals gebruikelijk, weer uiterst onzorgvuldig handelt door anderen lastig te vallen met uw aantijgingen zonder dat u mij de gelegenheid geeft daarop te antwoorden. Blijkbaar geldt voor u niet de gebruikelijke journalistieke zorgvuldigheid.”
In een e-mail van 29 maart 2012 schrijft verweerder onder meer aan klager:
“Ik hoor graag uw commentaar op het feit dat ik opnieuw plagiaat heb aangetoond in uw werk.”
In zijn reactie daarop schrijft klager in een e-mail van 31 maart 2012 15:54 uur, onder meer aan verweerder:
“Op uw opmerking over opnieuw vermeend plagiaat kom ik binnenkort terug.
Uw toonzetting is in ieder geval duidelijk, maar uw conclusie zoals gewoonlijk onjuist.”
Daarop schrijft verweerder in een e-mail van 31 maart 2012 17:34 uur aan klager:
“Wat het nieuwe plagiaat betreft: aangezien u mijn conclusies (en die van auteursrechtdeskundige prof. mr. Hugenholtz) daarover van de hand wijst, zal ik de passages nog aan anderen voorleggen voor een verdere onderbouwing. Ik zal Erik Smit (biograaf Nina Brink) en Pieter Vos benaderen voor commentaar, evenals rector Van Rooijen van Nyenrode.”
Even later op 31 maart 2012, om 17:56 uur, heeft verweerder in een e-mail aan de heer Van Rooijen onder meer het volgende geschreven:
“Ik ben wetenschapsjournalist. Ik ben een boek aan het schrijven over wetenschappelijk wangedrag. Ik schrijf u over visiting professor Ruud Pruijm. Ik weet niet of u bekend bent met de plagiaatzaak rond het proefschrift van Pruijm uit 1989. Deze staat beschreven in mijn boek ‘Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap’ uit 1993/1996. (…) Met het oog op mijn nieuwe boek heb ik onlangs contact gezocht met de heer Pruijm om hem te vragen of hij ooit enige hinder heeft ondervonden van deze plagiaatkwestie. Hij bleek nog steeds van mening dat hij niets verkeerd had gedaan. Ik heb vervolgens zijn laatste boek ‘Grondslagen van Corporate Governance’ geleend en enkele steekproeven genomen door zinsneden in Google in te voeren. (…) Het gaat zoals gezegd om een steekproef, wat, mede gezien de voorgeschiedenis, het ergste doet vrezen voor de manier van verwijzen in de rest van het boek. Het Wikipedia-plagiaat heb ik voorgelegd aan een van de grote juridische experts op dit terrein, prof. mr. Hugenholtz. Hij bevestigt dat dit als plagiaat moet worden bestempeld, ook al gaat het om een Wikipedia-pagina. Ik heb Ruud Pruijm hier inmiddels mee geconfronteerd, maar hij ontkent opnieuw dat dit plagiaat is. Ik hoor graag het commentaar van Nyenrode op Pruijms omgang met teksten in dit boek.”
Vervolgens heeft klager op 31 maart 2012 om 18:33 uur aan verweerder onder meer bericht:
“De door u gebruikte aanduiding “nieuwe plagiaat” kan ik niet delen. Zoals gebruikelijk davert u weer door met uw voorbarige en ondoordachte conclusies. Ik heb immers nog niet geantwoord op uw aantijgingen. Laat staan dat ik uw conclusies deel. Dat u, zoals gebruikelijk, weer iedereen benadert, weet ik inmiddels wel. (…) Is het vanuit de journalistiek(e) erecode niet gebruikelijk eerst het wederwoord af te wachten? Dat krijgt u overigens binnenkort, maar ik weet inmiddels ook dat u dat niet interesseert.”
Hierop heeft verweerder gereageerd in een e-mail van 31 maart 2012 om 18:50 uur, waarin hij onder meer schrijft:
“Wat de wederhoor betreft: u stelde al voordat u inging op mijn constateringen dat mijn conclusie “zoals gewoonlijk” onjuist was.”
Klager heeft daarop in een korte e-mail van 31 maart 2012 om 18:55 uur onder meer aan verweerder laten weten:
“Wederhoor kent u niet, dat weet ik inmiddels. Uw conclusies zijn inderdaad altijd voorbarig.”
Verder is klager in een e-mail van 31 maart 2012 om 19:20 uur uitvoerig ingegaan op de door verweerder aan de orde gestelde passages, waaruit volgens verweerder zou blijken dat klager opnieuw plagiaat heeft gepleegd.
Ten slotte heeft verweerder in een e-mail van 3 april 2012 aan de decaan van Nyenrode, prof. dr. L. Paape, onder het volgende geschreven:
“Normaal gesproken volsta ik bij plagiaatzaken waar zich nog geen commissies of tijdschriftredacties over hebben gebogen met het vragen van commentaar aan de plagiator. De antwoorden van Pruijm waren dusdanig onzakelijk dat ik ervoor heb gekozen dat in dit geval wel te doen (…). Wat het huidige plagiaat betreft: nadat ik u mijn e-mail met een verzoek om commentaar heb gestuurd, ontving ik een laatste eigenaardige e-mail van Pruijm, waarin hij wel erkende dat hij niet goed is omgegaan met bronvermeldingen in de door mij genoemde passages. Hij kondigde aan deze in een tweede druk te zullen aanpassen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder geen wederhoor heeft toegepast alvorens met zijn beschuldigingen aan het adres van klager naar buiten te komen. Volgens klager blijkt uit de e-mail van verweerder van 28 maart 2012 dat hij zich reeds tot derden heeft gewend voordat wederhoor heeft plaatsgevonden. Verder wijst klager erop dat uit zijn e-mail van 31 maart 2012 15:54 uur duidelijk blijkt dat hij op de aantijgingen van verweerder zal terugkomen. Klager ziet niet in waarom verweerder niet heeft kunnen wachten op zijn inhoudelijke reactie. Niettemin heeft verweerder diezelfde dag om 17:34 uur aan klager laten weten dat hij de beschuldigingen zou voorleggen aan derden en heeft hij die dag om 17:56 uur een e-mail aan de rector van Nyenrode, de heer Van Rooijen, gestuurd. Daarbij komt dat de bewoordingen van verweerder heel suggestief zijn, aldus klager. Van een ontkenning zijnerzijds is inderdaad sprake, maar wel met de toevoeging dat hij op de beweringen terugkomt. Dat heeft hij ook gedaan in zijn e-mail van die dag om 19:20 uur (abusievelijk staat in het klaagschrift 20:48 uur als het tijdstip van verzending van het betreffende bericht), maar dan heeft verweerder zijn e-mail aan Van Rooijen al verstuurd, met de vermelding dat klager de beschuldiging ontkent. Verder heeft verweerder in zijn e-mail van 3 april 2012 aan de heer Paape een onjuiste weergave van de feiten gegeven, aldus klager. Hij wijst erop dat verweerder tot nog toe niet heeft gereageerd op zijn laatste e-mail van 31 maart, waarin hij inhoudelijk op de beschuldigingen is ingegaan.
Volgens klager is op basis van de chronologische correspondentie duidelijk dat verweerder aan een aantal derden heeft gemeld dat sprake is van fraude in zijn boek ‘Grondslagen van Corporate Governance’, voordat hij op de aantijgingen heeft kunnen antwoorden. Klager benadrukt dat het hier gaat om een ernstige beschuldiging voor een wetenschapper, waarmee anderen worden benaderd zonder dat wederhoor is toegepast. Daardoor wordt zijn persoonlijke belang geschaad.
Klager voegt hieraan nog toe dat naar zijn mening niet relevant is dat het hier gaat om nog niet gepubliceerd werk van verweerder. Volgens klager is verweerder met zijn beschuldigingen naar buiten getreden en zijn die beschuldigingen derhalve publiek gemaakt zonder toepassing van wederhoor, waardoor hem grote reputatie-schade wordt berokkend. Het gaat daarbij niet alleen om een eigen objectief oordeel, zoals verweerder stelt, maar ook om uiterst suggestieve en subjectieve toevoegingen bij dat oordeel.
Ten aanzien van het verzoek van verweerder om de uitspraak te anonimiseren, wijst klager erop dat verweerder zelf al met zijn bevindingen naar buiten is getreden en dat aannemelijk is dat de bevindingen ook bij anderen bekend zullen raken. Bovendien is publiciteit toe te juichen vanuit de optiek van waarheidsvinding. Klager is daarom tegen de verzochte anonimisering.
Wat betreft het verzoek van verweerder om hem niet ontvankelijk te verklaren en de werkwijze van verweerder pas na publicatie aan de orde te stellen, benadrukt klager dat hij vanwege zijn eerdere ervaring met verweerder juist nu al aan de bel heeft getrokken.

Verweerder schetst allereerst uitgebreid de achtergronden die tot de klacht hebben geleid en licht toe waarom en hoe hij in zijn boek “Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap” aandacht aan klager heeft besteed. Voor zijn nieuwe boek over wetenschapsfraude heeft hij begin 2012 aan klager zelf gevraagd wat deze voor gevolgen had ondervonden van de eerdere kwestie. De opmerkelijke reactie van klager – hij had kennelijk niets opgestoken van de affaire – was voor verweerder aanleiding om een van klagers boeken van later datum te onderzoeken. Een steekproef leverde drie nieuwe voorbeelden op van overnames zonder bronvermelding. Dit keer besloot verweerder om voorafgaand aan de publicatie van zijn nieuwe boek, behalve aan klager zelf, ook aan andere betrokkenen commentaar te vragen, waaronder Universiteit Nyenrode, waar klager gastdocent is.
Volgens verweerder ontving hij van klager onzakelijke antwoorden. Nadat klager eerst op voorhand stelde dat er niets klopte van de bevindingen, gaf hij uiteindelijk toe dat er iets mis was met de bronvermelding op de door verweerder genoemde drie plaatsen en dat hij een en ander zou corrigeren in een herdruk.
Verweerder benadrukt dat hij nog niets heeft gepubliceerd. Hoor en wederhoor zijn bedoeld als een middel om te komen tot evenwicht in een gepubliceerde tekst, zodat de lezer zich een compleet beeld kan vormen, aldus verweerder. Hij meent dat klager de begrippen nu betrekt op de onderzoeksfase voorafgaand aan publicatie en kennelijk de opvatting huldigt dat er regels bestaan voor de volgorde waarin hoor en wederhoor worden gepleegd. Verweerder ziet niet in waarom hij zijn eigen, op zorgvuldige wijze vergelijking van documenten gebaseerde, oordeel over klagers omgang met teksten niet zou mogen voorleggen aan anderen – vóór openbaarmaking – ongeacht of hij klagers commentaar daarop al heeft gehoord. Hij heeft de benaderde personen gevraagd zich een zelfstandig oordeel te vormen over de ontbrekende bronvermeldingen en die oordelen vermeldt hij vervolgens uiteraard in zijn boek.
Verweerder meent dat als een journalist zou worden verplicht eerst het commentaar af te wachten van de persoon over wie hij schrijft, voordat derden kunnen worden benaderd, het instrument van hoor en wederhoor juist minder effectief zou worden. Er zijn bij het onderzoeksproces vaak allerlei redenen om pas wederhoor te plegen nadat tal van derden zijn benaderd. Volgens verweerder is er dus met zijn journalistieke gedragingen niets mis.
Ten slotte stelt verweerder de vraag of klager wel in zijn klacht kan worden ontvangen, nu er nog geen sprake is van een publicatie. Als de Raad zich uitspreekt over het nog niet gepubliceerde boek van verweerder, heeft dat voor hem mogelijk ongewenste gevolgen. Hij is door de klacht gedwongen inhoudelijk verweer te voeren, waarna de uitspraak door de Raad wordt gepubliceerd, voorafgaand aan de publicatie van verweerders boek. Dat schaadt zijn belangen, omdat collega’s vervolgens kennis kunnen nemen van zijn bevindingen in deze zaak en er eerder over kunnen publiceren dan hijzelf. Daarom verzoekt verweerder de Raad de uitspraak in elk geval zodanig te anonimiseren, dat derden niet kunnen achterhalen over welke persoon het gaat.
Ook verzoekt verweerder de Raad te overwegen of klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard met het oog op de bescherming van journalistiek werk. Bij onderzoeksjournalistiek wordt informatie vaak opgebouwd door herhaalde malen raadplegen van bronnen en inbrengen van nieuwe informatie. Ook bij het opschrijven komen vaak nog vragen op die leiden tot opnieuw benaderen van bronnen. Hoor en wederhoor is een proces dat pas voltooid is bij publicatie.
Uiteraard kan de werkwijze wel ná publicatie aan de orde worden gesteld. De werkwijze kan dan worden gewogen in het licht van het gepubliceerde resultaat. Pas dan blijkt waartoe hoor en wederhoor heeft geleid, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat het niet aan hem is een oordeel uit te spreken over de handelwijze van klager en te beoordelen of de beweringen van verweerder over (vermeend) plagiaat van klager al dan niet terecht zijn. De vraag die voorligt, is of verweerder bij de totstandkoming van zijn nieuwe boek al dan niet journalistiek zorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.

Ten aanzien van de opgeworpen vraag over de ontvankelijkheid van klager c.q. de bevoegdheid van de Raad overweegt de Raad allereerst dat hij tot taak heeft om in bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.
Niet ter discussie staat dat verweerder als wetenschaps- c.q. onderzoeksjournalist bezig is aan zijn nieuwe boek over wetenschapsfraude. Aldus moet worden geconcludeerd dat de aan de orde gestelde handelwijze van verweerder als een journalistieke gedraging in de hiervoor bedoelde zin moet worden beschouwd, zodat de Raad bevoegd is daarover te oordelen. Dat (nog) geen sprake is van gepubliceerd werk, staat daaraan niet in de weg.

Kern van de klacht is dat verweerder op onjuiste wijze het beginsel van wederhoor toepast, door in de onderzoeksfase zijn bevindingen over de handelwijze van klager voor te leggen aan derden, zonder eerst de reactie van klager af te wachten.
De Raad overweegt in dit verband dat de journalist wederhoor dient toe te passen bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd en dat de beschuldigde voldoende gelegenheid behoort te krijgen om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Er bestaat echter geen norm die meebrengt dat de journalist eerst de reactie van een betrokkene behoort af te wachten, alvorens hij zich – in het kader van zijn onderzoek – met zijn bevindingen tot derden wendt. Met verweerder is de Raad van oordeel dat het de journalist vrijstaat in de onderzoeksfase zelf te bepalen in welke volgorde hij bronnen en betrokkenen benadert.
Naar het oordeel van de Raad is derhalve in de nu voorgelegde fase geen sprake van schending van het beginsel van wederhoor.

In verband met de door verweerder verzochte anonimisering van de uitspraak overweegt de Raad ten slotte dat uitgangspunt verdient te zijn dat bij de publicatie van zijn uitspraken de naam van de betrokken journalist wordt vermeld. In het kader van de zelfregulering in de media is met die vermelding een duidelijk maatschappelijk – en daarmee gerechtvaardigd – belang gediend, dat in beginsel zwaarder weegt dan het individuele belang van de betrokken journalist. Nu verweerder kennelijk zelf anderen met zijn bevindingen confronteert, bestaat naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 juli 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mr. T.E. Klein, A. Mellink MPA, mw. M.J. Rietkerk en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.