2012/41 niet-ontvankelijk ongegrond

Samenvatting

De klacht betreft de artikelen “Vriendin geslagen en beplast” en “Mishandeling: vier maanden cel”, die gaan over een strafzaak tegen klager. In de artikelen zijn de voornaam en de initiaal van de achternaam van klager vermeld alsmede zijn leeftijd en de plaats waartoe de woonkern van klager behoort. In het eerste artikel zijn bovendien de voornamen van klagers echtgenote en vriendin vermeld.
In het kader van verslaggeving over rechtszaken is het toelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt.
Klager heeft bovendien gesteld dat hetgeen in het eerste artikel is vermeld, naar de letter gezien allemaal ter sprake is gekomen tijdens de rechtszitting. Weliswaar is in het tweede artikel ten onrechte vermeld dat klager op vrije voeten is gesteld en dat hij een locatie- en contactverbod heeft gekregen, maar die omissies zijn niet van zodanige aard dat verweerders daarmee journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Op dit punt is de berichtgeving niet journalistiek ontoelaatbaar.
De wijze waarop klager in het artikel is aangeduid is in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. Het is niet aannemelijk dat klager door het grote publiek in de berichtgeving zal worden herkend. Er is geen sprake van een disproportionele aantasting van klagers privacy. Dat klager wellicht in zijn directe omgeving op de publicatie is aangesproken, kan daaraan niet afdoen. Ook op dit punt is de klacht ongegrond.
Voor zover de klacht betrekking heeft op de privacy van anderen dan klager, is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

E. Visser en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger

Bij brief van 17 maart 2012 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen E. Visser en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerders). Hierop heeft H. Brinkman, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 25 april 2012 met twee bijlagen. Klager heeft daarop nog gereageerd in een brief van 18 mei 2012. De nadere reactie van verweerders van 25 mei 2012 is niet meer bij de beoordeling van de zaak betrokken, nu deze eerst kort voor de zitting door de Raad is ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 mei 2012. Partijen zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 20 september 2011 is in Dagblad De Limburger een artikel van de hand van Visser verschenen onder de kop “Vriendin geslagen en beplast”. Vervolgens is op 4 oktober 2011 in Dagblad De Limburger een artikel geplaatst onder de kop “Mishandeling: vier maanden cel”.
De berichtgeving gaat over een strafzaak tegen klager. In de artikelen zijn de voornaam en de initiaal van de achternaam van klager vermeld alsmede zijn leeftijd en de plaats waartoe de woonkern van klager behoort. In het artikel van 20 september 2011 zijn bovendien de voornamen van klagers echtgenote en vriendin vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hetgeen in de berichtgeving is vermeld, naar de letter gezien allemaal ter sprake is gekomen tijdens de rechtszitting. Hij acht het ook logisch dat aan de kwestie aandacht werd besteed door verweerders. Volgens klager zijn echter een aantal journalistieke grondbeginselen overschreden.
Klager meent dat de berichtgeving van 20 september 2011 niet objectief is. Op dat moment was nog geen vonnis gewezen. Toch wekt de journalist de indruk, dat hij het nodig vond klager meteen publiekelijk aan de schandpaal te nagelen.
Verder stelt klager dat de journalist gezinsleden van klager en andere betrokkenen door de berichtgeving publiekelijk te kijk heeft gezet en onderwerp van gesprek heeft gemaakt. Voor mensen in de regio was de berichtgeving eenvoudig te herleiden tot klager, en zijn vrouw en kinderen hebben er tot op heden last van. Bovendien heeft de berichtgeving financiële consequenties gehad voor zijn werk, aldus klager.
Hij stelt voorts dat het bericht van 4 oktober 2011 niet op waarheid berust. Ten onrechte is daarin vermeld dat hij op vrije voeten is gesteld en dat hij een locatie- en contactverbod heeft gekregen.
Ten slotte benadrukt klager dat de berichtgeving zeer veel negatieve effecten heeft gehad, zowel privé – ook voor zijn gezin – en zakelijk, waarbij hij wijst op de stijl en het tendentieuze karakter.

Verweerders wijzen erop dat de in het artikel van 20 september 2011 weergegeven feiten niet door klager worden bestreden. Bovendien komen in dat bericht de visies van betrokken partijen aan bod. De berichtgeving is objectief en van het aan de schandpaal nagelen van de verdachte is geen sprake. De publicatie diende voorts een maatschappelijk belang.
Ten aanzien van de privacy stellen verweerders dat ook als zij de namen van de echtgenote en de vriendin van klager niet vermeld zouden hebben, klager door zijn directe omgeving in de berichtgeving zou zijn herkend, zoals nu het geval is geweest. Juist om de privacy in een grotere kring rondom klager te waarborgen zijn bepaalde gegevens weggelaten, die tijdens de rechtszaak aan de orde zijn geweest, zoals de naam van het gehucht waarin klager woont, zijn beroep en de naam van zijn bedrijf.
Verder erkennen verweerders dat zij het vonnis op twee punten onjuist hebben geïnterpreteerd; van een locatie- en contactverbod zou alleen sprake zijn indien de Reclassering daartoe (in de proefperiode) zou besluiten en klager is niet op vrije voeten gesteld maar de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven. Hierover hebben zij onjuist bericht. Zij hebben dit niet direct gerectificeerd, omdat zij pas in de onderhavige klachtprocedure vernamen dat klager bezwaren had tegen beide publicaties. Indien zij direct met deze onjuistheden waren geconfronteerd, hadden zij dat zo snel mogelijk na de publicatie rechtgezet. Verweerders gaan ervan uit dat klager een half jaar na dato er geen prijs op stelt dat alsnog in de papieren versie van de krant een rectificatie wordt geplaatst, omdat dan weer opnieuw aandacht aan de kwestie moet worden besteed. Wel hebben verweerders in het digitale archief een rectificatie aan het bericht gekoppeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)

Volgens het vaste oordeel van de Raad is het voorts – in het kader van verslaggeving over rechtszaken – toelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. RvdJ 2011/80)
Klager heeft bovendien gesteld dat hetgeen in het artikel van 20 september 2011 is vermeld, naar de letter gezien allemaal ter sprake is gekomen tijdens de rechtszitting. Weliswaar is in het artikel van 4 oktober 2011 ten onrechte vermeld dat klager op vrije voeten is gesteld en dat hij een locatie- en contactverbod heeft gekregen, maar die omissies zijn niet van zodanige aard dat verweerders daarmee journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de berichtgeving op dit punt journalistiek ontoelaatbaar is.

Verder overweegt de Raad dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)
De wijze waarop klager in het artikel is aangeduid – met de vermelding van zijn voornaam, de initiaal van zijn achternaam, zijn leeftijd en de plaats waartoe de woonkern van klager behoort – is in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. (vgl. RvdJ 2011/5)
De Raad acht het niet aannemelijk dat klager door het grote publiek in de berichtgeving zal worden herkend. Er is derhalve geen sprake van een disproportionele aantasting van klagers privacy. Dat klager wellicht in zijn directe omgeving op de publicatie is aangesproken, kan daaraan niet afdoen. Ook op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.

Ten slotte overweegt de Raad dat voor zover de klacht betrekking heeft op de privacy van anderen dan klager, niet is gebleken van omstandigheden die grond bieden voor het oordeel dat klager een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad hieromtrent. De Raad acht klager dan ook in zoverre in zijn klacht niet-ontvankelijk.

BESLISSING

Voor zover de klacht betrekking heeft op de privacy van anderen dan klager, is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 juli 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mr. T.E. Klein, A. Mellink MPA, mw. M.J. Rietkerk en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.