2012/40 onthouding-oordeel

Samenvatting

De klacht betreft het artikel “Kinderporno kijken om vrouw te sarren”, dat gaat over een strafzaak tegen de echtgenoot van klaagster. Kern van de klacht is dat in het artikel aan klaagster wordt toegeschreven dat zij heeft gezien dat haar echtgenoot ‘het laatst pornofoto’s van peuters heeft bekeken en eerst denkt de gekiekte kinderen te herkennen’. Klaagster heeft gesteld dat zij nooit foto’s van peuters heeft gezien en dat dus ook nooit heeft verklaard. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat dit zo door de rechtbankpresident op de rechtszitting naar voren is gebracht en dat de verslaggeving derhalve correct is. De Raad meent dat voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis nodig is ten aanzien van hetgeen op de rechtszitting is besproken, dan waarover hij beschikt. Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de stukken die zij hebben overgelegd kan onvoldoende worden beoordeeld welk standpunt juist is. Het proces-verbaal, waaruit klaagster heeft voorgelezen, behelst geen woordelijk verslag en kan derhalve geen uitsluitsel bieden. De Raad onthoudt zich daarom van een oordeel over de klacht.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

B. Janssen en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia

Bij brief van 24 april 2012 met drie bijlagen heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen B. Janssen en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Vis, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 4 mei 2012 met een bijlage. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 16 mei 2012.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 mei 2012. Klaagster is daar verschenen vergezeld door haar zus. Aan de zijde van verweerders was voornoemde Vis aanwezig.

DE FEITEN

Op 14 april 2012 is in De Twentsche Courant Tubantia een artikel van de hand van Janssen verschenen onder de kop “Kinderporno kijken om vrouw te sarren”. Het artikel gaat over een strafzaak tegen de echtgenoot van klaagster en bevat onder meer de volgende passage:
“De zaak komt in augustus aan het licht als M.’s echtgenote zijn iPad checkt. Zij ziet dat hij het laatst pornofoto’s van peuters heeft bekeken. Eerst denkt zij de gekiekte kinderen te herkennen, dat is niet zo. Ze spreekt M. aan op de akelige vondst. (…) Na interventie van de huisarts doet het AMK (meldpunt kindermishandeling) aangifte.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het artikel geen recht doet aan de rechtszitting, waarbij zij zelf aanwezig is geweest. De informatie die over haar in het artikel is opgenomen, is geheel onjuist. Dit is niet besproken op de rechtszitting en staat ook niet in de dagvaarding. Ter ondersteuning van haar standpunt leest klaagster ter zitting voor uit het proces-verbaal. Dat zij foto’s van peuters heeft gezien, die zij bovendien zou herkennen, is niet juist. Zij heeft alleen tekst gezien die betrekking had op een 13-jarige, aldus klaagster. Zij benadrukt dat ze dus ook nooit tegen de politie heeft gezegd dat ze foto’s van peuters heeft gezien. Lange tijd heeft ze gedacht dat het niet om jongere kinderen ging, dat werd pas later duidelijk. Verder deelt klaagster mee dat zij bij de politie wel, maar bij de rechter niet als getuige is gehoord.
Volgens klaagster is de berichtgeving niet objectief en tendentieus. Zij meent dat de berichtgeving haar erg schaadt, nu ze op een vervelende manier in de kwestie wordt meegesleurd. Zij werkt met kinderen op een basisschool en durft nu niet meer op haar werk te verschijnen.

Verweerders stellen dat de door klaagster gewraakte passage wel degelijk op de rechtszitting ter sprake is gekomen. De rechtbankpresident heeft dit bij de behandeling van de feiten mondeling voorgelegd aan de verdachte. Aangenomen mag worden dat de rechtbankpresident daarbij heeft geciteerd uit het onderzoek dat door justitie is gepleegd en de processen-verbaal van de verhoren. Er is geen ontkenning van de verdachte geweest. Ter illustratie hebben verweerders de aantekeningen overgelegd die Janssen op de rechtszitting heeft gemaakt.
Verder zijn verweerders te rade gegaan bij een collega van een ander medium, die eveneens aanwezig was op de rechtszitting. Diens leidinggevende heeft bevestigd dat de lezing van Janssen correct is.
Ook hebben verweerders navraag gedaan of er een seconde-tot-seconde verslag van de zaak is gemaakt, hetgeen niet het geval is. Klaagster kan dus niet op basis van officiële stukken aantonen dat Janssen iets heeft opgeschreven dat niet ter sprake is gekomen, aldus verweerders.
Zij begrijpen dat klaagster emotioneel geraakt is door de zaak, maar menen dat zij niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat in het artikel aan klaagster wordt toegeschreven dat zij heeft gezien dat haar echtgenoot ‘het laatst pornofoto’s van peuters heeft bekeken en eerst denkt de gekiekte kinderen te herkennen’.

Klaagster heeft gesteld dat zij nooit foto’s van peuters heeft gezien en dat dus ook nooit heeft verklaard. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat dit zo door de rechtbankpresident op de rechtszitting naar voren is gebracht en dat de verslaggeving derhalve correct is.

Bij de beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis nodig is ten aanzien van hetgeen op de rechtszitting is besproken, dan waarover de Raad beschikt.

De Raad is van mening dat hij op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de stukken die zij hebben overgelegd onvoldoende kan beoordelen welk standpunt juist is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het proces-verbaal, waaruit klaagster heeft voorgelezen, geen woordelijk verslag behelst en derhalve geen uitsluitsel kan bieden.

Op grond van artikel 9 lid 4 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad onthoudt de Raad zich daarom van een oordeel over de klacht.

BESLISSING

De Raad onthoudt zich van een oordeel.

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 juli 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mr. T.E. Klein, A. Mellink MPA, mw. M.J. Rietkerk en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.