2012/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van TROS Radar
 
Bij brief van 10 november 2011 met drie bijlagen X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van TROS Radar (hierna: verweerder). Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 december 2011, in aanwezigheid van klager.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 7 november 2011 is in het televisieprogramma TROS Radar een item uitgezonden over zogeheten ‘celstress’: een (mogelijk) gevolg van elektrische lading, bijvoorbeeld afkomstig van een mobiele telefoon of computer. Het item wordt door presentatrice Hertsenberg als volgt aangekondigd:
“Wellicht lijdt u ook aan celstress. Geen nood want er zijn apparaten op de markt om u ervan af te helpen”.
In de uitzending is aandacht besteed aan apparaten die celstress zouden meten en elektrische lading zouden neutraliseren. Er is een film getoond waarin een Duitse arts uitlegt dat verschillende ziekteverschijnselen mede worden veroorzaakt door celstress afkomstig van elektrische lading. In de uitzending komen aanbieders van celstressmetingen aan het woord, die uitleggen hoe celstress wordt gemeten. Daarna gaat de uitzending vooral over de zogeheten ‘Memon transformer’ van een Duitse fabrikant. De stellingen van de Duitse fabrikant over de effecten van elektrische lading en celstress worden door verweerder voorgelegd aan prof. dr. P. Zwamborn, hoogleraar elektromagnetische velden. Deze deskundige vertelt dat er geen direct verband is te leggen tussen de ziekteverschijnselen en elektrische lading.
Daarna worden beelden getoond van celstressmetingen met Memon-apparatuur, die met een verborgen camera zijn gemaakt door medewerkers van verweerder. Een van die celstressmetingen wordt verricht door klager. Hij legt onder andere uit hoe het Memon- apparaat werkt en stelt dat het apparaat de elektrische lading opheft. Het gezicht van klager is daarbij onherkenbaar gemaakt.
De beelden van de metingen worden voorgelegd aan prof. dr. R. Kanaar, een celbioloog. Hij vertelt – kort samengevat – dat met de apparatuur zoals getoond in de uitzending wetenschappelijk gezien het effect van elektrische lading op cellen niet kan worden gemeten en stelt dat in de wetenschap nog geen biologisch effect van elektrische lading op cellen is waargenomen. Prof. dr. Wadman, neurobioloog, bevestigt dit en acht hetgeen is getoond pseudowetenschap. Hij kwalificeert de uitvoerders van de metingen als handige verkopers die allerlei termen gebruiken voor een verkooppraatje en neemt het woord ‘oplichting’ in de mond.
Prof. dr. Zwamborn vertelt verder wat het apparaat zou moeten bevatten om elektrische lading te neutraliseren en dat het apparaat een signaal zou moeten uitzenden. Hij meet het apparaat en stelt vast dat het geen signaal uitzendt.
Daarna wordt het apparaat uit elkaar gehaald en wordt getoond dat het zand, een hologrampapiertje en een printplaatje (een lampje) bevat. Prof. dr. Zwamborn concludeert dat dit apparaat niet datgene kan bewerkstelligen wat het volgens de Duitse fabrikant zou moeten doen.
In de uitzending confronteert verweerder de Duitse fabrikant met het uit elkaar gehaalde apparaat en de bevindingen die zijn gedaan door de deskundigen. Aan de fabrikant wordt uitleg gevraagd. Deze antwoordt dat het apparaat wel degelijk werkt. Deze uitleg wordt vervolgens weer voorgelegd aan prof. dr. Zwamborn, die stelt dat het apparaat echt niet kan doen wat ervan wordt gezegd.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat in de uitzending ten onrechte beelden zijn vertoond van werkzaamheden die door hem met een cliënt zijn uitgevoerd. Volgens klager zijn op maandag 17 oktober tussen 13:00 en 13:30 uur met verdekt opgestelde camera’s opnamen gemaakt. De opnamen zijn gemaakt in een woonhuis en niet in een openbare ruimte. Klager stelt dat hem op geen enkele wijze te kennen is gegeven dat deze opnamen zijn gemaakt en waarvoor de opnamen waren bedoeld. Ook was hem niet duidelijk op welke wijze de beelden zouden worden gebruikt. De betrokken journalist heeft zich niet als zodanig kenbaar gemaakt. Klager is niet om toestemming gevraagd. Volgens klager is wel aangekondigd dat met hem contact zou worden opgenomen, maar is dat nooit gebeurd. Pas na twee e-mails en een brief van de kant van klager heeft de redactie van TROS Radar erkend dat hij gefilmd is, maar ook toen is hem niet om toestemming gevraagd. Ook is hem geen mogelijkheid tot wederhoor geboden.
Ter zitting heeft klager gesteld dat hij bereid zou zijn geweest mee te werken aan het maken en filmen van een item over de apparatuur die hij verkoopt, zolang dat maar met open vizier zou zijn gebeurd en vooraf om toestemming was gevraagd. Volgens klager zijn de vertoonde beelden slechts sporadisch voorzien van blindering en is zijn stem niet vervormd om herkenning te voorkomen. Klager stelt dat hij voor de kijker identificeerbaar was en dat dat heeft geleid tot boze klanten en claims, als gevolg van het feit dat hij tijdens de uitzending door ‘deskundigen’ als oplichter is aangeduid. Door hem – als subverdeler van het product – in een kwaad daglicht te stellen, is hem het werken onmogelijk gemaakt. Dat heeft grote financiële consequenties voor hem en zijn bedrijf, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ behoort tegemoet te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem bekend behoort te maken. Van deze norm kan een journalist alleen afwijken indien een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier kan worden bereikt. (zie punten 2.1.1. en 2.1.5. van de Leidraad van de Raad)
De Raad overweegt verder dat het gebruik van verborgen opname-apparatuur zonder zich als journalist bekend te maken in beginsel niet toelaatbaar is. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen. Voordat een redactie besluit tot publicatie of uitzending van de gesprekken en beelden die volgens voornoemde werkwijzen zijn vergaard, dient zij het belang dat met de openbaarmaking wordt gediend af te wegen tegen de inbreuk die de publicatie of uitzending maakt op rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen. (zie punt 2.1.6. van de Leidraad)
 
De Raad overweegt dat de mogelijk schadelijke gevolgen van elektrische lading door het gebruik van elektronische apparatuur of door elektrische velden als gevolg van de digitale wereld de samenleving zorg baren. In de uitzending wordt door verweerder de werking van zogeheten Memon-apparatuur en meer specifiek de werkwijze en verkooppraktijk van de Duitse fabrikant van die apparatuur aan de kaak gesteld. De Duitse fabrikant beweert dat met Memon-apparaten, die ongeveer € 900,-- kosten, de schadelijke gevolgen van elektrische lading (celstress) kunnen worden gemeten en dat deze worden weggenomen door het neutraliseren van de elektrische lading. In de uitzending wordt – onder meer door deskundigen – geconcludeerd dat de Memon-apparatuur niet werkt.
 
Voorts overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de (vermeende) werking van Memon-apparaten alsmede de werkwijze en de verkooppraktijk van de Duitse fabrikant, in het licht van de zorg die bestaat in de samenleving over de mogelijk schadelijke gevolgen van elektrische lading. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
De Raad is in dat verband van oordeel dat het uitgezonden materiaal dat verweerder met de gevolgde werkwijze heeft vergaard concretiseringen en bijzonderheden ten aanzien van de werking van het apparaat bevat, die de geuite beschuldigingen ondersteunen. Het is daardoor relevant voor de onderbouwing van de kritiek en geeft aan de uitzending een meerwaarde. Klager heeft weliswaar gesteld dat hij had willen meewerken aan een opname, maar hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder in dat geval het hiervoor geformuleerde doel van de uitzending had kunnen verwezenlijken. De maatschappelijke relevantie van het onderwerp en de uiteindelijke conclusies in de uitzending in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat onder deze omstandigheden de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar is geweest.
 
De Raad overweegt verder dat klagers naam niet is vermeld en dat zijn gezicht onherkenbaar is gemaakt. Klager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondanks deze maatregelen in de uitzending algemeen herkenbaar is. Van een ontoelaatbare schending van klagers privacy is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Dat klager wellicht in kleine (professionele) kring is herkend, kan daaraan niet afdoen. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Al het voorgaande in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat geen toestemming van klager nodig was om de beelden uit te zenden. De Raad overweegt in dat verband dat alleen voor de openbaarmaking van een met verborgen apparatuur verkregen opname de voorafgaande toestemming is vereist van de daarin te herkennen personen, dan wel van de personen in wier omgeving (woning, instelling, horecagelegenheid etc.) de opname is gemaakt. (vgl. de ambtshalve uitspraak inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur, RvdJ 1996/44). Uit de uitzending blijkt duidelijk dat de opname is gemaakt in een woonhuis van personen die hun medewerking hebben verleend aan de uitzending.
 
Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder met de uitzending beoogd om de werking van Memon-apparaten en meer specifiek de werkwijze en de verkooppraktijk van de Duitse fabrikant van die apparaten aan de kaak te stellen. Het zijn de belangen van die fabrikant die rechtstreeks door de opname worden geraakt. In de uitzending wordt de fabrikant met de conclusies van verweerder en de deskundigen geconfronteerd en wordt hij in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Er heeft derhalve op juiste wijze wederhoor plaatsgevonden. Mede in aanmerking genomen hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de privacy van klager, was verweerder niet gehouden tevens wederhoor bij klager toe te passen.
 
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder niet journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 februari 2012 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.