2012/32 gegrond

Samenvatting

De klacht betreft berichtgeving over de strafzaak van klager. De Raad stelt voorop dat in het kader van verslaggeving over rechtszaken toelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. Verder overweegt de Raad dat hij – nu geen van de partijen het volledige vonnis heeft overgelegd, ook niet na navraag bij klager – ten aanzien van een aantal door klager gestelde feitelijke onjuistheden niet kan vaststellen of het standpunt van klager juist is.
Echter, uit de door beide partijen overgelegde ‘mededeling voorwaardelijke veroordeling’ blijkt duidelijk dat klager (slechts) is veroordeeld voor handelingen in strijd met de artikelen van de Wet wapens en munitie en voor het overige is vrijgesproken. Dit is niet in de berichtgeving vermeld. Verweerders hebben daarentegen de berichtgeving volledig toegespitst op een vergelijking met de gebeurtenis in Alphen aan de Rijn, waarbij zij hebben vermeld dat klager voornemens was ‘een paar mensen te vermoorden’ en hem hebben afgeschilderd als ‘Tristan II’. Ook als juist is dat die vergelijking door de officier van Justitie in zijn requisitoir is gemaakt – hetgeen niet in de berichtgeving is vermeld en de Raad overigens niet kan vaststellen – dan nog stond het verweerders niet vrij zo onvolledig en tendentieus over de strafzaak tegen klager te berichten. Verweerders hebben derhalve journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

A. Ruitenbeek en de hoofdredacteuren van Kogge Express en Polder Express

Bij brief van 5 maart 2012 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen A. Ruitenbeek en de hoofdredacteuren van Kogge Express en Polder Express (hierna: verweerders). Bij brief van 7 april 2012 heeft A. Ruitenbeek op de klacht gereageerd. Verder heeft A. Naber, uitgever van de Kogge Express en Polder Express, bij brief van 18 april 2012 op de klacht geantwoord. In een e-mail van 22 april 2012 heeft Ruitenbeek ten slotte nog enkele bijlagen overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2012 in aanwezigheid van klager, die werd vergezeld door zijn zus. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN

Op 9 november 2011 is op de voorpagina van de Kogge Express een bericht verschenen onder de kop “[plaatsnaam] ontsnapt aan moordpartij” met de tekst:
“En toen stond daar bij de [plaatsnaam] Plas een volstrekt psychotische man met twee revolvers te zwaaien… Gelukkig was de gewaarschuwde politie snel ter plekke om de man –[X] (36) uit [woonplaats] – in de boeien te slaan en af te voeren… Maar, zo verklaarden later mensen die er bij waren, een moordpartij zoals in Alphen aan de Rijn met Tristan S. was niet ver weg… Lees snel verder in deze Kogge Express de speciale pagina Recht uit de Regio…”
Het bericht is vervolgd in de rubriek ‘Recht uit de Regio’ onder de kop “Bijna moordpartij” in een artikel van de hand van Ruitenbeek. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“De polderdorpen zijn ontsnapt aan een dodelijke schietpartij. Of anders: deze regio had zijn eigen affaire-Tristan [...] kunnen hebben. (…) Nog geen maand later dook Tristan II op. In [plaatsnaam]…”
en
“Hij reed naar de [plaatsnaam] Plas en liet zijn zus in tientallen telefoongesprekjes weten dat hij zelfmoord wilde plegen. Eerst zou hij een paar mensen vermoorden, en desnoods hun kinderen of anderen die in de weg liepen.”

In de Polder Express van 9 november 2011 zijn gelijkluidende publicaties verschenen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat onjuist en tendentieus over zijn strafzaak is bericht. De rechtbank Alkmaar heeft hem op 20 oktober 2011 vrijgesproken van de verdenking tot het verrichten van voorbereidingshandelingen tot het plegen van moord. Hij is wel veroordeeld voor wapenbezit. Door de berichtgeving op de voorpagina wordt zijn privacy geschaad en is hij aan de schandpaal genageld, aldus klager. De kop van het voorpagina-artikel wekt bij de lezer een onjuiste indruk, omdat nooit is gebleken dat hij iemand in [plaatsnaam] iets wilde aandoen. Daardoor kan de rest van het artikel niet meer objectief worden gelezen. Verder bevat de berichtgeving diverse andere onjuistheden. Zo heeft hij niet met twee revolvers staan zwaaien, is hij niet ‘ter plekke door de politie in de boeien geslagen’, waren er geen mensen bij die iets hebben verklaard en is hij niet veroordeeld tot het volgen van psychotherapie onder toezicht van de reclassering.
Klager licht toe dat hij in telefoongesprekken dreigende taal heeft geuit jegens een ex-collega, met wie hij een conflict heeft gehad. Deze persoon woont echter niet in de regio. Hij heeft hierover onder meer telefonisch contact gehad met zijn zus, die de politie heeft gebeld omdat het erop leek dat klager zelfmoord zou plegen. Hij is naar de [plaatsnaam] Plas gereden, naar een plek waar verder geen anderen aanwezig waren. Zijn wapens zijn daar niet uit zijn tas geweest. Hij is vervolgens terug naar huis gegaan, waar de politie hem heeft gearresteerd. Volgens klager was sprake van een eenmalig incident, dat onder invloed van alcohol uit de hand is gelopen. Hij drinkt niet meer en is niet meer in het bezit van wapens. Hij is niet onder behandeling.
Klager meent dat de vergelijking met de moorpartij in Alphen aan de Rijn veel te ver gaat en dat hij ten onrechte is afgeschilderd als ‘Tristan II’, hetgeen maatschappelijke onrust heeft gecreëerd. Hij benadrukt dat hij nooit heeft gezegd dat hij ‘eerst een paar mensen zou vermoorden’, zoals in het artikel is vermeld.
Volgens klager is in de berichtgeving ten onrechte niet duidelijk gemaakt dat hij nou juist is vrijgesproken van dat waar de publicatie voornamelijk over gaat – te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen tot het plegen van moord – en ontbreekt alle zorgvuldigheid ten aanzien van de beschuldigingen. Mensen in zijn omgeving hebben de berichtgeving als feitelijk juist gelezen, waardoor zijn privacy ernstig is geschaad, aldus klager.

Ten aanzien van de berichtgeving op de voorpagina stelt Naber dat die is gebaseerd op eerdere en opgeslagen telefonische reacties van bange mensen uit het gebied. De mensen noteerden live wat er gebeurde aan de [plaatsnaam] Plas. Die informatie werd gebruikt om het rechtbankverslag binnen in de krant aan te kaarten. Op grond daarvan en in het kader van de actualiteit rond de gebeurtenis in Alphen aan de Rijn is de afweging gemaakt de tekst zo te plaatsen. De tekst is vanwege het algemeen belang waarschuwend, signalerend en voorlichtend bedoeld.
Verder stelt Ruitenbeek dat uit de aard van de zaak in verslagen van openbare rechtszittingen de persoonlijke levenssfeer van de verdachte (deels) wordt blootgelegd. Dat is de verslaggever niet te verwijten. Hij is verantwoordelijk voor de inhoud van de rubriek ‘Recht uit de Regio’. Hij selecteert zaken die spelen in c.q. betrekking hebben op verdachten uit het verspreidingsgebied van de uitgaven van Naber. Hij is aanwezig bij de zittingen en doet daarvan verslag. Ruitenbeek staat volledig achter zijn verslag van de zitting in de strafzaak tegen klager. De verwijzing naar Tristan komt uit het requisitoir van de officier van Justitie. De eindredactie heeft zijn tekst op enkele punten aangepast, maar de besproken feiten zijn geen geweld aangedaan. Ruitenbeek betwist dat sprake is van onbegrip voor de vrijspraak voor feit 1. Het gaat om een zogeheten partiële vrijspraak en melding daarvan in een kort en bondig rechtbankverslag zou alleen maar tot onnodige verwarring leiden bij de lezer. Een verslag moet zo duidelijk zijn, dat de lezer zich niet hoeft af te vragen ‘of hij nu wel of niet is veroordeeld’. Ruitenbeek heeft gedaan wat hij altijd doet: in een beperkt aantal woorden weergeven wie de verdachte is, wat de aard en ernst van de misdaad zijn, wat de verdachte dreef tot het misdrijf, de stellingen van het Openbaar Ministerie en de advocaat weergeven, de processfeer schetsen en – voor zover mogelijk – de eis en het vonnis vermelden. Hij wijst erop dat in het vonnis staat dat ‘de veroordeelde zal meewerken aan een intake bij de forensische poli van de FPA te Heiloo’. Ten slotte herkent Ruitenbeek zich niet in de stelling van klager dat door de berichtgeving maatschappelijke onrust zou zijn gecreëerd.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat op onjuiste en tendentieuze wijze over de strafzaak van klager is bericht.

De Raad stelt voorop dat – in het kader van verslaggeving over rechtszaken – toelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2010/27)

Verder overweegt de Raad dat hij – nu geen van de partijen het volledige vonnis heeft overgelegd, ook niet na navraag bij klager – ten aanzien van een aantal door klager gestelde feitelijke onjuistheden niet kan vaststellen of het standpunt van klager juist is.

Echter, uit de door beide partijen overgelegde ‘mededeling voorwaardelijke veroordeling’ blijkt duidelijk dat klager (slechts) is veroordeeld voor handelingen in strijd met de artikelen van de Wet wapens en munitie en voor het overige is vrijgesproken. Dit is niet in de berichtgeving vermeld. Verweerders hebben daarentegen de berichtgeving volledig toegespitst op een vergelijking met de gebeurtenis in Alphen aan de Rijn, waarbij zij hebben vermeld dat klager voornemens was ‘een paar mensen te vermoorden’ en hem hebben afgeschilderd als ‘Tristan II’. Ook als juist is dat die vergelijking door de officier van Justitie in zijn requisitoir is gemaakt – hetgeen niet in de berichtgeving is vermeld en de Raad overigens niet kan vaststellen – dan nog stond het verweerders niet vrij zo onvolledig en tendentieus over de strafzaak tegen klager te berichten.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat verweerders de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Kogge Express en Polder Express te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 juni 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.