2012/30 afgewezen

Samenvatting

Verzoeker heeft een klacht ingediend over een uitzending van TROS Radar waarin aandacht is besteed aan zogeheten ‘celstress’ en met name aan de Duitse fabrikant van zogeheten Memon-apparatuur. Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/4). Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Volgens de herzieningskamer blijkt uit de overwegingen van de Raad geenszins dat de Raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat verzoeker in dienst zou zijn van Memon. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de Raad voorbij is gegaan aan de klacht van verzoeker en diens belangen. De Raad heeft in zijn overwegingen duidelijk vermeld waarom de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar is geweest, dat klager in de uitzending niet algemeen herkenbaar is, dat ‘al het voorgaande in aanmerking genomen geen toestemming van klager nodig was om de beelden uit te zenden’ en dat ‘mede in aanmerking genomen hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de privacy van klager, verweerder niet gehouden was tevens wederhoor bij klager toe te passen.’
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte over ‘elektrische lading’ heeft gesproken – nu dit kennelijk ‘elektromagnetische straling’ moet zijn – is zulks onvoldoende om het verzoek tot herziening te honoreren. Deze omissie betreft geen feit waarop de beslissing van de Raad is gebaseerd.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
X

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 17 februari 2012 (RvdJ 2012/4) betreffende zijn klacht tegen
 
de hoofdredacteur van TROS Radar

Bij brief van 5 maart 2012 heeft X (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 17 februari 2012 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van TROS Radar (hierna: verweerder). Verweerder heeft niet op het verzoek tot herziening gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Bij brief van 10 november 2011 met drie bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van TROS Radar (hierna: verweerder), betreffende een uitzending van TROS Radar van 7 november 2011 waarin aandacht is besteed aan zogeheten ‘celstress’.

Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“De Raad overweegt dat de mogelijk schadelijke gevolgen van elektrische lading door het gebruik van elektronische apparatuur of door elektrische velden als gevolg van de digitale wereld de samenleving zorg baren. In de uitzending wordt door verweerder de werking van zogeheten Memon-apparatuur en meer specifiek de werkwijze en verkooppraktijk van de Duitse fabrikant van die apparatuur aan de kaak gesteld. De Duitse fabrikant beweert dat met Memon-apparaten, die ongeveer € 900,-- kosten, de schadelijke gevolgen van elektrische lading (celstress) kunnen worden gemeten en dat deze worden weggenomen door het neutraliseren van de elektrische lading. In de uitzending wordt – onder meer door deskundigen – geconcludeerd dat de Memon-apparatuur niet werkt.
Voorts overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de (vermeende) werking van Memon-apparaten alsmede de werkwijze en de verkooppraktijk van de Duitse fabrikant, in het licht van de zorg die bestaat in de samenleving over de mogelijk schadelijke gevolgen van elektrische lading. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
De Raad is in dat verband van oordeel dat het uitgezonden materiaal dat verweerder met de gevolgde werkwijze heeft vergaard concretiseringen en bijzonderheden ten aanzien van de werking van het apparaat bevat, die de geuite beschuldigingen ondersteunen. Het is daardoor relevant voor de onderbouwing van de kritiek en geeft aan de uitzending een meerwaarde. Klager heeft weliswaar gesteld dat hij had willen meewerken aan een opname, maar hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder in dat geval het hiervoor geformuleerde doel van de uitzending had kunnen verwezenlijken. De maatschappelijke relevantie van het onderwerp en de uiteindelijke conclusies in de uitzending in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat onder deze omstandigheden de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar is geweest.
De Raad overweegt verder dat klagers naam niet is vermeld en dat zijn gezicht onherkenbaar is gemaakt. Klager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondanks deze maatregelen in de uitzending algemeen herkenbaar is. Van een ontoelaatbare schending van klagers privacy is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Dat klager wellicht in kleine (professionele) kring is herkend, kan daaraan niet afdoen. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
Al het voorgaande in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat geen toestemming van klager nodig was om de beelden uit te zenden. De Raad overweegt in dat verband dat alleen voor de openbaarmaking van een met verborgen apparatuur verkregen opname de voorafgaande toestemming is vereist van de daarin te herkennen personen, dan wel van de personen in wier omgeving (woning, instelling, horecagelegenheid etc.) de opname is gemaakt. (vgl. de ambtshalve uitspraak inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur, RvdJ 1996/44). Uit de uitzending blijkt duidelijk dat de opname is gemaakt in een woonhuis van personen die hun medewerking hebben verleend aan de uitzending.
Verder overweegt de Raad dat een algemeen uitgangspunt is dat hoor en wederhoor plaatsvindt, waarbij degene wiens rechten en belangen door de opname rechtstreeks worden geraakt met de vervaardiging en de inhoud van de opname wordt geconfronteerd. (vgl. RvdJ 1996/44)
Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder met de uitzending beoogd om de werking van Memon-apparaten en meer specifiek de werkwijze en de verkooppraktijk van de Duitse fabrikant van die apparaten aan de kaak te stellen. Het zijn de belangen van die fabrikant die rechtstreeks door de opname worden geraakt. In de uitzending wordt de fabrikant met de conclusies van verweerder en de deskundigen geconfronteerd en wordt hij in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Er heeft derhalve op juiste wijze wederhoor plaatsgevonden. Mede in aanmerking genomen hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de privacy van klager, was verweerder niet gehouden tevens wederhoor bij klager toe te passen.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt allereerst dat in de uitspraak van de Raad is gesproken over ‘elektrische lading’, terwijl het programma ging over ‘elektromagnetische straling’. Dit dient dan ook gecorrigeerd te worden, aldus verzoeker.
Verder benadrukt hij dat hij de klacht op persoonlijke titel heeft ingediend, terwijl de beslissing van de Raad is gebaseerd op de berichtgeving over de firma Memon en het korte weerwoord dat de importeur heeft mogen doen. Zij zijn echter niet degenen die met verborgen camera’s zijn gefilmd zonder gevraagde toestemming. Ook op dit punt moet de uitspraak van de Raad worden herzien.
Verzoeker stelt voorts dat hij is neergezet als ‘oplichter’ in dienst van Memon, terwijl hij een eigen bedrijf heeft waarbinnen hij over verschillende producten advies geeft. Hij wordt niet door Memon betaald voor zijn adviezen.
Volgens verzoeker is geen sprake van een beslissing over zijn klacht, aangezien de uitspraak van de Raad is gebaseerd op wat besproken is door de importeur van Memon.
Daarnaast meent verzoeker dat voor het gebruik van de verborgen camera geen rechtvaardigingsgrond bestond. Volgens verzoeker blijkt uit de uitspraak van de Raad dat het niet meer nodig zou zijn om hem toestemming te vragen, indien de door verweerder ingehuurde huiseigenaar toestemming heeft verleend. Hij stelt dat verweerder noch de Raad heeft duidelijk gemaakt welk maatschappelijk belang rechtvaardigt dat de journalist zich niet als zodanig heeft kenbaar gemaakt.
Verzoeker stelt dat hij geen uitspraak heeft gevraagd over schending van de belangen van de fabrikant, maar over de laakbaarheid van de journalist van de TROS om de met verborgen camera gefilmde personen geen gelegenheid tot wederhoor te bieden.
Ten slotte stelt verzoeker dat de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden nog niet exact is vast te stellen, maar dat deze inmiddels zo groot is dat hij zonder verdere maatregelen failliet zal gaan.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Anders dan verzoeker heeft gesteld blijkt uit de overwegingen van de Raad geenszins dat de Raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat verzoeker in dienst zou zijn van Memon. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de Raad voorbij is gegaan aan de klacht van verzoeker en diens belangen. De Raad heeft immers in zijn overwegingen duidelijk vermeld waarom de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar is geweest, dat klager in de uitzending niet algemeen herkenbaar is, dat ‘al het voorgaande in aanmerking genomen geen toestemming van klager nodig was om de beelden uit te zenden’ en dat ‘mede in aanmerking genomen hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de privacy van klager, verweerder niet gehouden was tevens wederhoor bij klager toe te passen.’

Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in dit kader in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 17 februari 2012 (RvdJ 2012/4) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte over ‘elektrische lading’ heeft gesproken – nu dit kennelijk ‘elektromagnetische straling’ moet zijn – is zulks onvoldoende om het verzoek tot herziening te honoreren. Deze omissie betreft immers geen feit waarop de beslissing van de Raad is gebaseerd.
 
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 mei 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.