2012/22 afgewezen

Samenvatting

Post en de Leeuwarder Courant hebben herziening verzocht van de uitspraak van de Raad betreffende de klacht van X over twee publicaties met de kop “Tandarts naar rechter om eigen praktijk”. Bij uitspraak van 19 december 2011 (RvdJ 2011/87) heeft de Raad de klacht gegrond verklaard, voor zover deze betrekking had op de onjuiste vermelding dat klager in het BIG-register opgenomen wenste te worden, de onvolledige – en daarmee tendentieuze – berichtgeving over het verleden van klager, en de vermelding van zijn volledige naam. Voor zover de klacht betrekking had op vermelding van overige feitelijke onjuistheden, was de klacht ongegrond.
Kern van het herzieningsverzoek is dat de Raad zijn oordeel dat sprake is van onvolledige berichtgeving ten onrechte heeft gebaseerd op de aanname dat wanneer wordt gesproken over klachten van patiënten, dit automatisch klachten bij het Medisch Tuchtcollege zouden moeten zijn. Verzoekers menen dat wanneer de herzieningskamer besluit tot herziening van dit oordeel, ook de grond vervalt dat de naam van klager in de berichtgeving niet genoemd had mogen worden.
Volgens de herzieningskamer is niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op de aanname dat de term ‘klachten’ zou zijn voorbehouden aan klachten die bij het Medisch Tuchtcollege zijn ingediend. Naar het oordeel van de herzieningskamer berust de gewraakte uitspraak niet op een door de Raad onjuist aannemelijk geacht feit, namelijk dat pas sprake kan zijn van een klacht als het een klacht is die bij het Medisch Tuchtcollege is ingediend. Als gevolg daarvan komt de herzieningskamer niet toe aan inhoudelijke herziening van het oordeel dat sprake is van tendentieuze berichtgeving en ten onrechte de naam van klager is vermeld. Voor het overige berust het herzieningsverzoek erop dat verzoekers zich niet kunnen vinden in het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

E. Post en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 19 december 2011 (RvdJ 2011/87) betreffende de klacht van

X

Bij brief van 13 januari 2012 met twee bijlagen heeft B. de Jong, adjunct-hoofdredacteur Leeuwarder Courant, namens E. Post en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (hierna: verzoekers) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 19 december 2011 inzake de klacht van X (hierna: klager) tegen verzoekers. Namens klager heeft mr. R. Tamourt, advocaat te Heerenveen, bij brief van 30 januari 2012 op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 maart 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.

DE FEITEN


Bij brief van 19 juli 2011 met drie bijlagen heeft klager een klacht ingediend tegen verzoekers betreffende twee publicaties met de kop “Tandarts naar rechter om eigen praktijk”, die zijn verschenen in de papieren versie van de Leeuwarder Courant en op de website van verzoekers. In de publicaties is vermeld dat klager opnieuw een praktijk als tandarts wil beginnen, maar dat het ministerie van VWS weigert hem op te nemen in het BIG-register.

Bij uitspraak van 19 december 2011 heeft de Raad de klacht gegrond verklaard, voor zover deze betrekking had op de onjuiste vermelding dat klager in het BIG-register opgenomen wenste te worden, de onvolledige – en daarmee tendentieuze – berichtgeving over het verleden van klager, en de vermelding van zijn volledige naam. Voor zover de klacht betrekking had op vermelding van overige feitelijke onjuistheden, was de klacht ongegrond.
Ter zake van de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht heeft de Raad onder meer het volgende overwogen:
“Het stond verweerders (…) vrij om in het kader van hun berichtgeving over de bestuursrechtelijke procedure de voorgeschiedenis te schetsen. (…) Echter, de Raad is van oordeel dat verweerders over die voorgeschiedenis onvolledig hebben bericht. Ten onrechte is onvermeld gelaten dat van de beschreven tientallen klachten slechts twee door het Centraal Tuchtcollege zijn gehonoreerd. Door die onvolledigheid is de onjuiste suggestie gewekt dat de tientallen klachten alle gegrond waren en dat klager jarenlang op grote schaal aantoonbaar ondeugdelijk werk zou hebben geleverd. Aldus is klager in een onnodig negatief daglicht gesteld.
Het voorgaande heeft ook invloed op de vraag of klagers naam in de publicatie kon worden vermeld. Hoewel in beginsel geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een bestuursrechtelijke procedure, is het in deze context journalistiek onzorgvuldig om de volledige naam van klager te vermelden. Immers, door de combinatie van de onvolledige en daarmee tendentieuze berichtgeving over het verleden van klager en de vermelding van diens naam, is zijn privacy disproportioneel aangetast. Niet aannemelijk is geworden dat een voldoende zwaarwegend maatschappelijk belang bestond om de naam van klager te vermelden. Ook op dit punt hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen voorop dat de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen dat het de redactie vrijstond om in de berichtgeving aandacht te besteden aan de voorgeschiedenis. Volgens verzoekers was die voorgeschiedenis ook buitengewoon relevant, omdat het de reden vertelt waarom klager een aantekening in het BIG-register heeft gekregen. Die aantekening vloeide namelijk voort uit een tuchtrechtelijke uitspraak na klachten. Klager heeft juist het laten verwijderen van die aantekening tot inzet gemaakt van de zaak bij de bestuursrechter.
Verzoekers menen dat de Raad ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van onvolledige berichtgeving waarmee klager onnodig in een negatief daglicht is gesteld. Zij brengen in dit kader naar voren dat in de berichtgeving de relevante feiten zijn opgenomen die eerder hebben geleid tot de door klager bij de bestuursrechter betwiste aantekening in het BIG-register. Feiten zijn dat er tientallen klachten waren, dat een zorgverzekeraar daarom het contract met klager verbrak en dat het Medisch Tuchtcollege klager tot de orde heeft geroepen.
Volgens verzoekers baseert de Raad ten onrechte zijn oordeel op de aanname dat wanneer patiënten klagen, dit automatisch klachten bij het Medisch Tuchtcollege zouden moeten zijn. Zo staat het echter niet in de berichtgeving. De Raad gaat daardoor in zijn uitspraak verder dan de door verzoekers vermelde feiten, waardoor het negatieve oordeel over de onvolledigheid van de berichtgeving onjuist is.
Verder stellen verzoekers dat de Raad ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat – omdat de berichtgeving onvolledig is – deze tendentieus is en de naam van klager niet kon worden vermeld. Verzoekers wijzen erop dat zij zich niet kunnen verweren tegen deze cirkelredenering van de Raad. Zij stellen dat indien de Raad besluit tot herziening van het oordeel dat sprake is van onvolledige en tendentieuze berichtgeving, hiermee ook de grond vervalt voor het oordeel omtrent de vermelding van de naam van klager.
Verzoekers brengen verder naar voren dat gezondheidszorg een groot maatschappelijk belang heeft. Het BIG-register heeft ten aanzien van doorhalingen en berispingen vorig jaar juist een grotere openbaarheid gekregen. Het standpunt van de Raad legt hen grotere beperkingen op dan de betrokken beroepsgroep, aldus verzoekers.
Ten slotte wijzen verzoekers erop dat in eerdere uitspraken van de Raad juist wordt gewezen op het algemeen belang als het gaat om de openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten door artsen en soortgelijke functionarissen in de uitoefening van hun beroep en dat in dergelijke kwesties de privacy van de betrokkene niet snel disproportioneel wordt geschaad.

Klager stelt dat de Raad in zijn reglement voorziet in een herzieningsmogelijkheid en geen beroepsmogelijkheid. Volgens hem dient bij een herzieningsprocedure marginaal getoetst te worden. Een uitspraak kan enkel op basis van feitelijke onjuistheden en verschrijvingen worden hersteld. Omdat verzoekers niet melden welke feiten onjuist zijn, dient het verzoek te worden afgewezen.
De bezwaren van verzoekers tegen een vermeende aanname en cirkelredenering door de Raad dienen om dezelfde reden buiten beschouwing te worden gelaten, aldus klager.
Verder stelt klager dat de inhoudelijke standpunten van verzoekers – te weten dat geen sprake is van tendentieuze berichtgeving en geen grenzen zijn overschreden – irrelevant zijn, aangezien verzoekers deze standpunten reeds in de procedure naar voren hebben gebracht.
Ten slotte meent hij dat de opmerking van verzoekers dat de uitspraak een opmerkelijke wending in de oordeelsvorming van de Raad zou zijn, onbesproken kan blijven.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”

Kern van het verzoek is dat de Raad zijn oordeel dat sprake is van onvolledige berichtgeving ten onrechte heeft gebaseerd op de aanname dat wanneer wordt gesproken over klachten van patiënten, dit automatisch klachten bij het Medisch Tuchtcollege zouden moeten zijn. Verzoekers menen dat wanneer de herzieningskamer besluit tot herziening van dit oordeel, ook de grond vervalt dat de naam van klager in de berichtgeving niet genoemd had mogen worden.

Anders dan verzoekers van mening zijn, blijkt naar het oordeel van de herzieningskamer niet dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op de aanname dat de term ‘klachten’ zou zijn voorbehouden aan klachten die bij het Medisch Tuchtcollege zijn ingediend. In de gewraakte uitspraak wordt slechts overwogen dat verzoekers ten onrechte onvermeld hebben gelaten dat van de beschreven tientallen klachten – daargelaten of deze alle bij het Medisch Tuchtcollege zijn ingediend – slechts twee door het Centraal Tuchtcollege zijn gehonoreerd en dat hierdoor de onjuiste suggestie is gewekt dat tientallen klachten – daargelaten of en waar deze zijn ingediend – gegrond waren.
Volgens de herzieningskamer berust de gewraakte uitspraak derhalve niet op een door de Raad onjuist aannemelijk geacht feit, namelijk dat pas sprake kan zijn van een klacht als het een klacht is die bij het Medisch Tuchtcollege is ingediend. Als gevolg daarvan komt de herzieningskamer niet toe aan inhoudelijke herziening van het oordeel dat sprake is van tendentieuze berichtgeving en ten onrechte de naam van klager is vermeld.

Voor het overige berust het herzieningsverzoek erop dat verzoekers zich niet kunnen vinden in het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers aldus niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 19 december 2011 (RvdJ 2011/87) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 mei 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mr. T.E. Klein, drs. P. Olsthoorn en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.