2012/21 afgewezen

Samenvatting

Verzoeker heeft een klacht ingediend over de artikelen “Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Bij uitspraak van 24 november 2011 (RvdJ 2011/78) heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad betreffende het oordeel over de handelwijze van verweerders in het kader van onder meer de selectie van bronnen en de geuite beschuldigingen. Voorts wordt volgens verzoeker ten onrechte overwogen dat sprake is van een (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme.
Volgens de herzieningskamer is niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op een onjuiste aanname over de gevolgen, achtergrond of kenmerken van het syndroom van Asperger. De publicatie in het AD was erop gericht aan de kaak te stellen dat verzoeker jegens vrouwen voor wie hij als zaaddonor wilde optreden, verzwijgt dat hij het syndroom van Asperger heeft (en dat hij daarnaast over enkele andere persoonlijke feiten onjuiste informatie geeft). Volgens de uitspraak van de Raad hebben verweerders niet ontoelaatbaar gehandeld door over klager te publiceren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan. Daarbij heeft de Raad uitdrukkelijk overwogen dat dit oordeel ook geldt indien sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger, maar op het feit dat verzoeker dat syndroom in zijn contacten met wensmoeders verzwijgt.
Voor het overige berust het herzieningsverzoek daarop dat verzoeker zich niet kan vinden in de gewraakte berichtgeving, de journalistieke handelwijze en het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 24 november 2011 (RvdJ 2011/78) betreffende zijn klacht tegen

T. van der Mee, P. Groenendijk en de hoofdredacteur van AD
 
Bij brief van 12 december 2011 heeft X (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 24 november 2011 inzake zijn klacht tegen T. van der Mee, P. Groenendijk en de hoofdredacteur van AD (hierna: verweerders). Verweerders hebben niet op het verzoek tot herziening gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 maart 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN

Bij brief van 22 augustus 2011 met diverse bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen een artikel van de hand van Van der Mee met de kop “Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en een vervolgpublicatie onder de kop “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Het artikel maakt melding van vrouwen die zich misleid voelen door verzoeker, die als spermadonor heeft verzwegen dat het syndroom van Asperger bij hem is gediagnosticeerd.

Bij uitspraak van 24 november 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard , waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:

“Verweerders hebben naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat zij voldoende reden hadden om aan de kwestie aandacht te besteden. De situatie dat klager bewust geen informatie deelt over zijn (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme met wensmoeders is maatschappelijk ongewenst.
Een groot aantal beschuldigingen in de berichtgeving is afkomstig van (anoniem gehouden) vrouwen die – vanwege het achterhouden van deze informatie door klager – ten tijde van de publicatie met klager in conflict waren. Naar het oordeel van de Raad kan echter niet worden geoordeeld dat verweerders uitsluitend zijn uitgegaan van die bronnen als brengers van objectieve feiten. De opvattingen van deze vrouwen worden in de berichtgeving voldoende ondersteund door diverse onafhankelijke bronnen.
Hoewel het wellicht op de weg van verweerders had gelegen in de publicatie enkele beweringen duidelijker toe te schrijven aan bronnen, volgt uit de berichtgeving voorts voldoende dat de negatieve kwalificaties citaten zijn van vrouwen die contact met klager hebben gehad. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
De bewering dat klager 22 kinderen heeft verwekt is afkomstig uit een Whatsapp-chatgesprek waarin klager dit zelf heeft gesteld. Hoewel uit de context van het gesprek blijkt dat sprake is van een negatieve toon tussen klager en zijn gesprekspartner, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet op deze bron mochten vertrouwen. Klager heeft bovendien aan verweerders uitsluitend gemeld dat het aantal van ‘tientallen’ kinderen sterk naar boven was afgerond.
Indien al sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger, zijn deze naar het oordeel van de Raad niet van dien aard dat daarmee het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.”

Met betrekking tot de privacy van de klager:

De wijze waarop klager in de berichtgeving is aangeduid – met de vermelding van zijn voornamen overeenkomstig de door hem gebruikte schuilnamen op internet – en de wijze waarop zijn portret is afgebeeld – met een balkje over de ogen – zijn in dit kader journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen wordt daarmee voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. (vgl. RvdJ 2011/46)
Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de maatschappelijke relevantie van de publicatie, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy onvoldoende hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend.
Aldus kan niet worden geconcludeerd dat klagers privacy door de publicatie disproportioneel is geschaad. Dat klager wellicht door een beperkte groep uit zijn directe omgeving in de publicatie is herkend, kan daaraan niet afdoen.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt dat de Raad impliciet en ten onrechte zijn oordeel heeft gebaseerd op de onjuiste informatie uit de berichtgeving van verweerders over het syndroom van Asperger. Hij stelt dat Asperger geen psychische, erfelijke of ernstige ziekte is, en vindt onduidelijk waarom de Raad een andere zienswijze onderschrijft. Gezien de ernst van de beweringen en het gebrek aan bewijzen is het volgens verzoeker onbegrijpelijk waarom de Raad de klacht ongegrond heeft verklaard. Hij stelt dat verweerders in de berichtgeving geen enkele bewering hebben onderbouwd. Verzoeker benadrukt dat de Raad voornamelijk bestaat uit juristen en journalisten met minimale kennis van genetica, psychiatrie of wetenschap en daarom een onjuiste inhoudelijke toetsing heeft gebruikt.
Verzoeker stelt inmiddels officiële stukken te hebben ontvangen van de spermabank waaruit blijkt dat hij in 2005 is goedgekeurd als donor op basis van zijn sociale en medische gegevens en familie-anamnese. Dit ontkracht het standpunt van verweerders dat verzoeker nooit zou zijn toegelaten tot een spermabank.
Verder komt volgens verzoeker in de uitspraak van de Raad ten onrechte niet naar voren op welk moment hij toestemming zou hebben gegeven aan publicatie van het artikel. Hij benadrukt dat Van der Mee eerder nog stelde niet te weten of het artikel zou worden gepubliceerd, terwijl dit standpunt in het verweerschrift juist wordt ontkracht. Verweerders hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek tot vooraf inzage in de publicatie.
Uit de overweging in de uitspraak dat autisme zelfs mogelijk deels erfelijk is, blijkt dat de Raad een onjuist oordeel heeft gegeven over onder meer de erfelijkheid, diagnose, geschiedenis en het nabije einde van het syndroom. Asperger is volgens verzoeker als zodanig niet erfelijk. De suggestie dat kinderen van de betrokkenen autistische kenmerken hebben en dit zijn oorzaak vindt in de biologische vader is onjuist, aldus verzoeker. Hij stelt dat het geschetste verband in de berichtgeving tussen miskramen en het syndroom van Asperger evenmin is gebaseerd op feiten. Verzoeker wijst erop dat in de handleiding DSM-5 de stoornis Asperger niet wordt samengevoegd met autisme.
Verweerders hebben verder volgens verzoeker op geen enkele manier aannemelijk gemaakt of onderbouwd dat zij bijzondere zorgvuldigheid hebben betracht bij het verkrijgen van informatie uit onbetrouwbare bronnen. Volgens hem hielden de betrokkenen er een eigen agenda op na.
Met betrekking tot het aantal verwekte kinderen stelt verzoeker dat de beweringen in de berichtgeving ten onrechte niet door verweerders worden onderbouwd. De suggestie dat de bevruchting via seks tot stand kwam is eveneens onjuist.
Verzoeker wijst verder op diverse onjuistheden in de berichtgeving. Bij het syndroom van Asperger is volgens hem geen sprake van ‘lijden’. De stoornis kan niet worden aangemerkt als ziekte. Het gebruik van de term ‘Asperger-patiënt’ in de berichtgeving is volgens hem onjuist. Verzoeker stelt dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat kinderen met Asperger een verhoogd risico hebben op andere psychische aandoeningen. Hij heeft verder tegenover verweerders nimmer gesteld dat hij door zijn ziekte kinderen een hoger IQ geeft. Verzoeker wijst erop dat hij en zijn broer nimmer zijn behandeld voor autisme en ADHD. Verder wordt een depressie uit het verleden volgens hem zwaar overdreven. Deze depressie vond zijn oorzaak in het overlijden van zijn vader.
Verzoeker stelt dat verweerders hun eigen werkelijkheid en gelijk creëren. De Raad heeft zijn oordeel ten onrechte op deze informatie gebaseerd. Verzoeker stelt dat hij één van zijn officiële voornamen op internet heeft gebruikt als pseudoniem. Hij heeft nimmer de namen ‘Simon’ of ‘Paul’ gebruikt als schuilnamen. Hij stelt verder dat het plaatsen van zijn foto een inbreuk maakt op zijn privacy.
Verzoeker stelt verder dat hij naar aanleiding van het artikel diverse malen is bedreigd en lastig is gevallen. Het doel van verweerders om het publiek te waarschuwen tegen de handelwijze van verzoeker heeft volgens hem niets met journalistiek te maken.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:

“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”

Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad van 24 november 2011 met betrekking tot het oordeel over de handelwijze van verweerders in het kader van onder meer de selectie van bronnen en de geuite beschuldigingen. Voorts wordt volgens verzoeker ten onrechte overwogen dat sprake is van een (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme.

Anders dan verzoeker van mening is, is naar het oordeel van de herzieningskamer niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op een onjuiste aanname over de gevolgen, achtergrond of kenmerken van het syndroom van Asperger. De publicatie in het AD was erop gericht aan de kaak te stellen dat verzoeker jegens vrouwen voor wie hij als zaaddonor wilde optreden, verzwijgt dat hij het syndroom van Asperger heeft (en dat hij daarnaast over enkele andere persoonlijke feiten onjuiste informatie geeft). In de publicatie wordt belicht dat deze vrouwen zich daardoor ernstig misleid voelen en bang zijn voor gezondheidsproblemen van hun donorkinderen; de wensmoeders verwijten verzoeker dat hij de informatie verzwijgt hoewel zij volledige informatie over zijn gezondheidstoestand willen hebben alvorens te beslissen of zij met hem in zee willen gaan. Volgens de uitspraak van de Raad hebben verweerders de grenzen van de journalistieke ethiek niet overschreden door hierover te publiceren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan. Daarbij heeft de Raad uitdrukkelijk overwogen dat dit oordeel ook geldt indien sprake is feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger. Daarom berust de uitspraak van de Raad niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger, maar op het feit dat verzoeker dat syndroom in zijn contacten met wensmoeders verzwijgt.

Voor het overige berust het herzieningsverzoek daarop dat verzoeker zich niet kan vinden in de gewraakte berichtgeving, de journalistieke handelwijze en het oordeel van de Raad. Dat is evenwel onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in dit kader in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 24 november 2011 (RvdJ 2011/78) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.  

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 april 2012 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. G.J.P. Kloosterhuis, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris.