2012/2 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
W. de Waal 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Hart van Nederland’ (SBS6)
 
Bij brief van 7 december 2011 met een bijlage heeft W. de Waal te Maarssen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Hart van Nederland’ (hierna: verweerder) en verzocht om versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek bij brief van 9 december 2011 toegewezen. Mr. J.A.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam, heeft namens verweerder op de klacht geantwoord in een brief van 4 januari 2012. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een brief van 9 januari 2012.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 januari 2012. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 31 oktober 2011 heeft SBS6 een aflevering van het televisieprogramma ‘Hart van Nederland’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin is onder meer aandacht besteed aan een op 1 november 2011 gestarte campagne van de Kinderombudsman. In die campagne worden vier kinderrechtelijke thema’s aan de orde gesteld, waaronder de bijzondere curator.
In de uitzending zijn een geanonimiseerde jongen ‘Sander’ en zijn vader aan het woord, waarbij zij via een spiegel op de achtergrond in beeld zijn gebracht.
Kinderombudsman M. Dullaert vertelt dat ‘Sander’ erbij gebaat zou zijn geweest als hij in het kader van de echtscheidingsprocedure tussen zijn ouders was bijgestaan door een kindercurator. Dullaert laat zich over de kwestie ‘Sander ’onder meer als volgt uit:
“Terwijl zijn moeder hem gewoon terroriseerde, hem uitbuitte, hem geestelijk en fysiek mishandelde. En als de rechter echt had geluisterd naar Sander, als echt naar zijn verhaal was geluisterd, ja dan had hij niet zo’n nare jeugd gehad en was hij bij zijn vader geplaatst.”
Klaagster is de moeder van ‘Sander’.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zowel de stemmen als de gezichten van ‘Sander’ en zijn vader eenvoudig herkenbaar zijn, waardoor zij publiekelijk identificeerbaar werden. Door die handelwijze is ook haar identiteit, als moeder en ex-echtgenote, door verweerder bekend gemaakt. Klaagster meent dat zij aldus landelijk aan de schandpaal is genageld. Zij benadrukt dat zij herhaaldelijk door familie en personen uit haar sociale- en werkomgeving op de uitzending is aangesproken.

 
Volgens klaagster is hetgeen door de Kinderombudsman, haar zoon en ex-echtgenoot is gesteld aantoonbaar onjuist. Zowel de Kinderombudsman als verweerder hebben zich laten manipuleren en zijn gebruikt in een problematische echtscheidingsproblematiek, aldus klaagster. Zij wijst erop dat ‘Sander’ vanaf zijn 11e levensjaar bij iedere rechtszaak uitvoerig is gehoord.
Klaagster stelt dat verweerder – gezien het gevoelige karakter van het item, waarin haar belangen blijkbaar aangetast konden en mochten worden – in ieder geval wederhoor had moeten toepassen. Daarnaast had verweerder nader feitenonderzoek moeten doen. Van enige kritische benadering naar de Kinderombudsman toe is geen sprake.
Klaagster wijst erop dat zij en haar advocaat de Kinderombudsman hierop hebben aangesproken. Deze instantie beschikt immers over de exclusieve bevoegdheid om het volledige dossier te raadplegen en wordt geacht een gefundeerd standpunt in te nemen. Niettemin is ervoor gekozen ongefundeerde beschuldigingen aan klaagsters adres te uiten. Klaagster benadrukt dat tegen haar nooit aangifte is gedaan. Zij meent dat verweerder en de Kinderombudsman zich ongewenst hebben gemengd in een lopende rechtszaak.
Volgens klaagster heeft verweerder moedwillig eenzijdig en gekleurd over de kwestie bericht. Dat blijkt ook uit het feit dat uitgebreid overleg heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de Kinderombudsman en er voorgesprekken zijn geweest met haar zoon en ex-man, waarin klaagster ernstige verwijten zijn gemaakt die door verweerder niet zijn gecontroleerd.
Klaagster betoogt dat zowel de privacy- als de wederhoor-gedragsregels door verweerder met voeten zijn getreden.
 
Verweerder stelt dat klaagster door de uitzending niet in haar privacy is aangetast. De Kinderombudsman heeft slechts uitingen op anonieme basis gedaan en enkel de naam gebruikt van het campagne-personage ‘Sander’. Vader en zoon zijn in de uitzending op zodanige wijze in beeld gebracht dat zij hooguit binnen beperkte kring herkenbaar of herleidbaar waren, namelijk voor de kring van personen bij wie zij al bekend waren. Buiten de beperkte kring geldt dat op basis van de uitzending de koppeling met klaagster niet is te maken. Van publieke identificeerbaarheid als gevolg van goed en eenvoudig herkenbare gezichten en stemmen is geen sprake.
Verder stelt verweerder dat het item erop was gericht aandacht te vragen voor de campagne van de Kinderombudsman over kinderrechten. Om die aandacht ‘body’ te geven is ervoor gekozen het item mede te brengen vanuit het perspectief van een kind. Zowel het relaas van de Kinderombudsman als de verhalen van ‘Sander’ en diens vader gaan over de kindercurator. De specifieke uitlatingen die klaagster noemt in haar klacht, zijn gedaan door de Kinderombudsman in het kader van zijn verhaal over ‘Sander’. Vader en zoon hebben zich niet in dergelijke bewoordingen over klaagster uitgelaten. Wel geldt dat ook hun uitlatingen duidelijk vanuit het perspectief van de campagne zijn weergegeven en voor hun eigen rekening zijn gelaten. De indruk die bij de gemiddelde kijker zal zijn achtergebleven is niet dat de moeder van ‘Sander’ beschuldigd wordt van zaken waartegen zij zich niet heeft kunnen verweren, maar dat het goed is dat aandacht wordt besteed aan de positie van kinderen in de echtscheidingsprocedure en hun belang bij een eigen kindercurator.
Volgens verweerder leenden de persoonlijke ervaringen van ‘Sander’ en diens vader zich niet voor nader feitenonderzoek. De voorbespreking met hen vormde journalistiek gezien voldoende toetsing voor hun mening.
Verweerder stelt dat objectief gezien geen sprake is geweest van diskwalificatie van klaagster, zodat geen wederhoor bij klaagster behoefde te worden toegepast. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst verweerder nog naar een aantal uitspraken van de Raad en hij concludeert dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat de privacy van klaagster onevenredig is aangetast en dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor bij klaagster toe te passen.
 
Anders dan verweerder is de Raad van oordeel dat ‘Sander’ en diens vader – door de wijze waarop zij in beeld zijn gebracht, via een spiegel op de achtergrond – duidelijk herkenbaar zijn en niet aannemelijk is geworden dat dit slechts binnen zeer beperkte kring het geval is.
Voor de gemiddelde kijker is voldoende duidelijk dat de aantijgingen van ‘Sander’ en diens vader persoonlijke meningen behelzen, die voor hun rekening zijn gelaten. Echter, de Kinderombudsman heeft ernstige beschuldigingen geuit aan het adres van klaagster, als de moeder van ‘Sander’, die – gezien diens functie – door de kijker voor waar zullen worden gehouden. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen ten aanzien van de door de Kinderombudsman geuite aantijgingen wederhoor bij klaagster toe te passen. Hij heeft dit ten onrechte nagelaten. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Klaagster is – gezien de herkenbaarheid van ‘Sander’ en diens vader – in de uitzending in een zeer negatief daglicht gesteld, waarvan verweerder zich bewust moet zijn geweest. De Raad acht het niet onaannemelijk dat zij op de uitzending is aangesproken. Dit brengt tevens mee dat klaagsters privacy door de uitzending disproportioneel is geschaad. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder aldus de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Hart van Nederland’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 7 februari 2012 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. H.M.M. Nietsch, drs. P. Olsthoornen mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.