2012/17 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Dela Holding N.V., Monuta Holding N.V. en Yarden Uitvaartzorg B.V.
 
tegen
 
de hoofdredacteur van RamBam (VARA)
 
Bij brief van 24 januari 2012 met vier bijlagen heeft mr. O.F.A.W. van Haperen, advocaat te Rotterdam, namens Dela Holding N.V., Monuta Holding N.V. en Yarden Uitvaartzorg B.V. (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RamBam (hierna: verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 16 februari 2012 met één bijlage. Klagers hebben daarop nog gereageerd in een schrijven van 21 februari 2012 met tien bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 februari 2011. Namens klagers zijn daar mr. M.A.R.C. Padberg, advocaat te Rotterdam, en mr. R.B.F. Meeuwis, bedrijfsjurist van Dela Holding N.V., verschenen. Namens verweerder was mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist VARA, aanwezig. Mr. Padberg en mr. Den Ouden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 30 januari 2012 is in een uitzending van RamBam aandacht besteed aan de uitvaartbranche. Het item ‘De begrafenis’ is als volgt ingeleid:
“In deze uitzending nu naar onze andere vrienden van de uitvaartbranche. Het uitvaartwezen is de afgelopen tijd veelvuldig negatief in het nieuws geweest. Zo bleek uit een onthutsend rapport van het AFM dat de grote uitvaartverzekeraars niet genoeg handelen in het belang van hun klanten.”
De uitzending vervolgt met een vergelijking van partijen waaruit blijkt dat mensen meer kwijt zijn aan een begrafenis dan op voorhand wordt gedacht bij het afsluiten van een verzekering en dat mogelijk op sommige onderdelen veel winst wordt gemaakt.
Verderop bericht de voice-over:
“Uit alle berichten wordt in elk geval pijnlijk duidelijk dat er weinig transparantie is over de kosten van een begrafenis of crematie. Wij gaan vandaag de uitvaartbranche eens met andere ogen bekijken.”
Hierna komt een aantal personen aan het woord dat negatieve ervaringen heeft met de in rekening gebrachte kosten van een begrafenis en worden mensen op straat geïnterviewd met de vraag hoeveel zij denken dat een uitvaart kost.
De programmamakers komen vervolgens tot de conclusie dat ze moeten nagaan hoeveel een begrafenis eigenlijk kost en besluiten dat één van hen dient te ‘overlijden’. De vrienden van deze persoon treden in contact met kantoren van klagers om het ‘overlijden’ van hun vriend te melden en te vragen of er iemand langs kan komen. Twee programmamakers zijn te zien in het huis van de ‘overledene’, waar ze gesprekken voeren met uitvaartverzorgers van klagers. De uitvaartverzorgers zijn onherkenbaar in beeld gebracht en hun stem is vervormd.  Uiteindelijk worden op basis van deze gesprekken offertes uitgebracht, die worden besproken door de programmamakers. In een splitscreen verschijnt af en toe de ‘overledene’ die commentaar geeft op de weergegeven situatie.
Vervolgens concluderen de programmamakers:
“Ja, een beetje begrafenis is voor ons helemaal niet te betalen en bij de bank hoef je ook al niet aan te kloppen. Ja, dus volgens mij is er maar één conclusie, we moeten het zelf gaan doen.”
In de rest van de uitzending gaan de programmamakers aan de slag met het zelf regelen van de begrafenis. Er wordt bij een houthandel hout gehaald, waarvan een doodskist wordt gemaakt die wordt gepersonaliseerd voor de ‘overledene’. Ook worden afspraken gemaakt met een crematorium, waarbij wordt onderhandeld over de kosten van een crematie. De uitzending eindigt met het ter crematie aanbieden van een lege kist, het ophalen van de as en het uitstrooien daarvan op zee. De insteek is steeds het zo goedkoop mogelijk regelen van de crematie van ‘de overledene’.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat op 2 en 3 januari 2012 bij hen meldingen zijn gedaan van het overlijden van de heer Brenninkmeijer. Hierop zijn uitvaartverzorgers van klagers voor een intake naar het opgegeven adres afgereisd. De uitvaartverzorgers hebben daar de gewenste uitvaart met de partner en een aanwezige vriend doorgenomen. Omdat de intake voor de uitvaartverzorgers ongebruikelijk was – zo was er geen verzorging van de overledene nodig, was er geen verklaring van overlijden en hoefde er geen aangifte van overlijden te worden gedaan – zijn er interne meldingen gemaakt. Na enig onderzoek bleek dat de ‘rouwenden’ programmamakers van RamBam waren en werd duidelijk dat verborgen camera-opnamen waren gemaakt.
Nadat klagers de gevraagde offertes hadden uitgebracht, kregen zij te horen dat daaraan geen vervolg gegeven hoefde te worden. Ondanks herhaalde pogingen daartoe door klagers, hebben zij nadien geen contact meer gehad met de ‘nabestaanden’. Klagers hebben nog een persbericht uitgebracht, waarin zij de gang van zaken van RamBam presenteren en ten zeerste afkeuren.
Klagers zijn van mening dat de redactie van RamBam met haar handelwijze een incident heeft uitgelokt en daarmee in strijd heeft gehandeld met de Leidraad van de Raad. Op grond van de Leidraad biedt het aantonen van een nieuwsfeit met gewichtig maatschappelijk belang geen rechtvaardiging voor de overtreding van het uitlokkingsverbod, aldus klagers.
Verder stellen zij dat door het gebruik van verborgen opname-apparatuur de grenzen zijn overschreden van hetgeen journalistiek toelaatbaar is. Geen van de in de Leidraad opgenomen uitzonderingen doet zich hier voor. Er is geen enkele poging gedaan om het door verweerder gepretendeerde verschijnsel van het misbruik van emotie op een andere wijze aan te tonen. Klagers wijzen erop dat de offertes rechtstreeks hadden kunnen worden opgevraagd. Bovendien was het blootleggen van een belangrijk maatschappelijk probleem niet de primaire doelstelling van het programma. De hoofdredacteur heeft zelf in media-uitingen laten weten dat het programma is gericht op het doorbreken van taboes. Hieruit blijkt dat geen afdoende afweging is gemaakt met betrekking tot de proportionaliteit van het onderzoeksmiddel. Tevens blijkt uit de insteek van het programma op de website van RamBam dat van een onderzoeksjournalistiek verantwoorde onderzoeksopzet geen sprake is. Integendeel, het toepassen van een disproportionele journalistieke onderzoeksmethode is een essentieel onderdeel van het format. Volgens klagers is de menselijke maat zoek in deze onderzoeksaanpak. Klagers zijn op onheuse wijze bejegend en de impact van het in scene zetten van het overlijden is groot. De hele situatie was niet alleen kwetsend voor de uitvaartverzorgers, maar voor ieder die een dierbare heeft verloren.
De door de redactie gegeven rechtvaardiging voor de undercoveractie, te weten een onderzoek van de AFM en een uitzending van het televisieprogramma Kassa daarover, is volgens klagers niet valide. Het AFM-rapport richt zich alleen op de advisering van potentiële verzekeringnemers bij het afsluiten van een verzekering en heeft zich niet uitgestrekt tot de dienstverlening. De uitzending van Kassa zag in het geheel niet op misbruik van emoties bij nabestaanden, maar op de prijsstelling en voorlichting van uitvaartverzorgers in het algemeen.
Ten aanzien van de aard van de gewraakte uitzending stellen klagers nog dat het ontbreken van onderzoeksjournalistiek niet betekent, dat de gewraakte uitzending als ‘humoristisch’ kan worden aangemerkt. De redactie heeft in dit geval een actualiteitenprogramma willen brengen, namelijk willen aanhaken bij een actueel onderwerp en door middel van een verborgen camera een vermeende maatschappelijke misstand blootleggen. Klagers hebben er ter zake op gewezen dat de programmamakers zich in hun twitterprofielen als journalist presenteren.
Klagers concluderen dat grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Verweerder is als eindverantwoordelijke tevens verantwoordelijk voor de gedragingen die voorafgaand aan de uitzending hebben plaatsgevonden, ook al betreft dit werk dat is verricht door een productiemaatschappij.
 
Verweerder stelt voorop dat klagers de klacht niet tegen de juiste partij hebben gericht. De klacht gaat louter over handelingen en gedragingen die vooraf gingen aan de openbaarmaking van de uitzending door verweerder. Het gaat hier om een zogeheten ‘buitenproductie’, waarbij de programmamakers buiten de organisatie van verweerder staan en het programma niet onder verantwoordelijkheid van verweerder wordt gemaakt. Verweerder komt slechts in tweede instantie in zicht. Verweerder meent dat hij redactioneel eindverantwoordelijk is ten aanzien van de inhoud, maar dat die verantwoordelijkheid zich niet uitstrekt tot iedere handeling die is verricht tijdens de vervaardiging van het programma. Nu de klacht zich nadrukkelijk richt tot de gedragingen voorafgaand aan de uitzending, hadden klagers hun klacht moeten richten tegen de programmamakers. De makers waren ook met naam en toenaam bij klagers bekend, aldus verweerder.
Daarnaast is verweerder van mening dat in dit geval geen sprake is van een journalistieke gedraging zoals bedoeld in de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek. In RamBam worden op een komische, ludieke en absurde wijze zeer uiteenlopende onderwerpen onder de aandacht van het publiek gebracht. Weliswaar hebben de behandelde onderwerpen een zeker ‘maatschappelijk belang’, maar dit element is niet zodanig dat het programma daarmee (in zijn geheel) van journalistieke aard is. Verweerder wijst erop dat klagers het ontbreken van het journalistieke karakter ook meerdere malen hebben toegegeven. De Raad is derhalve onbevoegd om over de uitzending te oordelen, aldus verweerder.
Voor het geval de Raad niettemin de klacht inhoudelijk beoordeelt, stelt verweerder dat de klacht ongegrond is. Er was voldoende aanleiding om de uitvaartverzorging onder de loep te nemen. Vanwege het programmaformat moet aansluiting worden gezocht bij punt 3 van de Leidraad van de Raad, dat ziet op columnisten, cartoonisten en recensenten. Deze hebben een grote mate van vrijheid om hun mening over bepaalde onderwerpen te geven en daarvoor bepaalde stijlmiddelen te kiezen. Verweerder betoogt dat de makers van RamBam deze ruimere journalistieke grenzen niet hebben overschreden.
 

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID  
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub a, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard”.
 
De Raad stelt allereerst vast dat de klacht betrekking heeft op gedragingen die zijn vooraf gegaan aan de uitzending van het programma RamBam en niet op de uitzending zelf. Ook gedragingen die voorafgaand aan een uitzending hebben plaatsgevonden, kunnen als journalistieke gedragingen worden beoordeeld.
 
Echter, naar het oordeel van de Raad is duidelijk dat de programmamakers niet hebben beoogd aan het gewraakte programma van RamBam enige nieuwswaarde toe te voegen. De uitzending bestaat voornamelijk uit elementen van niet-journalistieke aard, zoals het weergeven van de mogelijkheid tot het uitvoeren van een ‘do-it-yourself begrafenis’ op een wijze die door de gemiddelde kijker waarschijnlijk als komisch zal worden ervaren. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke uitzendingen – daarin begrepen de aan de uitzending voorafgaande gedragingen – niet bedoeld. De klacht heeft derhalve geen betrekking op een journalistieke gedraging in bovenbedoelde zin, zodat de Raad onbevoegd is daarover te oordelen.
 
Ten overvloede merkt de Raad op dat in een geval als het onderhavige – waar de klacht is gericht tegen gedragingen voorafgaand aan een uitzending en het programma door een buitenproducent wordt gemaakt – de buitenproducent op de gedragingen moet worden aangesproken.
 
BESLISSING
 
De Raad is onbevoegd over de klacht te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 april 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.