2012/15 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
H. Kriek
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Het Orgel
 
Bij brief van 3 november 2011 met twee bijlagen heeft H. Kriek te Didam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Orgel (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een brief van 21 november 2011. Dr. J. Smelik, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 28 november 2011 met een bijlage. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 14 december 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 februari 2011 in aanwezigheid van klager, die zijn standpunt heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
In Het Orgel, tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici, nummer 5 van 2011 is een artikel verschenen onder de kop “Sexbierum, Sixtuskerk”. Daarin is een beschrijving gegeven van de geschiedenis van en de (restauratie)werkzaamheden aan het orgel uit de Sixtuskerk te Sexbierum. In dit artikel is onder meer de volgende passage opgenomen:
“De samenwerking tussen de orgelcommissie van de Sixtuskerk en Jongepier kwam in de jaren daarna tot een eind, waardoor de plannen tot reconstructie niet gerealiseerd werden. Toen in 1994 bij een boktorbestrijding in het kerkdak per abuis de gehele kerk, inclusief het orgel, tot meer dan 60 graden was verhit, werd het orgel geheel onbruikbaar.
In een tweede rapport van de nieuwe adviseur, Hans Kriek, werden de mogelijkheden om te restaureren opnieuw bestudeerd. Korte tijd later werd de samenwerking tussen kerk en adviseur verbroken.”
 
In Het Orgel 2011 nummer 6 van 2011 is onder de kop ‘Rectificatie’ het volgende bericht geplaatst:
“Hans Kriek meldde dat in het bericht over de restauratie van het orgel in de Sixtuskerk te Sexbierum een fout stond. De zin ‘Korte tijd later werd de samenwerking tussen kerk en adviseur verbroken’ moet luiden: ‘Korte tijd later werd de samenwerking tussen het stichtingsbestuur dat de kerk beheerde en de adviseur verbroken’.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij als orgelbouwer bij vele orgelbouwprojecten in binnen- en buitenland voor technische begeleiding heeft gezorgd, zo ook bij de renovatie van het orgel in Sexbierum. Klager zag zich echter vanwege onacceptabel optreden van het stichtingsbestuur – onder andere met betrekking tot het te voeren restauratiebeleid – genoodzaakt om daar als adviseur op te stappen. In het artikel is echter de beëindiging van de samenwerking neutraal geformuleerd, waarbij in het midden is gelaten wie deze samenwerking heeft beëindigd. Hierdoor kan de zin ook zo worden opgevat dat niet hij maar het stichtingsbestuur de samenwerking heeft beëindigd, aldus klager. Door sommigen zal deze passage graag negatief worden uitgelegd. Een dergelijke interpretatie is schadelijk voor zijn werk als adviseur. Ter zitting heeft klager hieraan toegevoegd dat hij ook daadwerkelijk op het artikel is aangesproken door derden die de passage negatief hebben geïnterpreteerd.
Klager wijst erop dat hij verweerder van deze omissie op de hoogte heeft gesteld – tezamen met het feit dat ten onrechte was vermeld dat klager met de kerk in plaats van een stichtingsbestuur van doen had – en heeft verzocht om rectificatie. Verweerder heeft vervolgens een rectificatie geplaatst waarin echter alleen de onjuistheid met betrekking tot het bestuur is gerectificeerd en niet het voor klager belangrijke aspect rondom de beëindiging van de samenwerking. Het standpunt van verweerder dat de neutrale formulering voor meerdere uitleg vatbaar is en in het midden laat hoe de relatie is beëindigd zodat geen rectificatie nodig is, geeft precies aan dat de gekozen formulering onjuist is, aldus klager.
Ook het door verweerder in het verweerschrift opgenomen standpunt dat hij uit de e-mail van klager heeft opgemaakt dat een ruzie de reden was van beëindiging van de werkrelatie en mede om die reden de zin neutraal geformuleerd is gebleven, is volgens klager onjuist. Van een ruzie is geen sprake geweest. Hij is zelfs uitgenodigd om bij de ingebruikneming van het gerestaureerde orgel aanwezig te zijn.
Verder wijst klager erop dat hij in zijn brief een separaat onderwerp heeft aangedragen waarover verweerder zou moeten berichten: volgens klager is sprake van ‘orgelpolitiek’ en dient verweerder daar aandacht aan te besteden. Dit staat echter los van de reden van beëindiging van de werkrelatie.
Klager heeft een brief gestuurd aan de Koninklijke Vereniging voor Organisten en Kerkmusici, waarin hij zijn bezwaren tegen de gang van zaken uiteen heeft gezet. Op grond van het redactiestatuut is zijn klacht echter afgewezen.  Dit is de reden dat hij zijn klacht nu bij de Raad heeft ingediend.
Ter zitting heeft klager nog twee artikelen ter illustratie overhandigd waaruit volgens hem blijkt dat berichtgeving ook anders geformuleerd kan zijn. In die artikelen wordt correct bericht over zijn reden van vertrek bij een ander project waarbij hij als adviseur was betrokken. Klager ziet niet in waarom verweerder niet eveneens op een dergelijke manier over zijn vertrek had kunnen berichten.
 
Verweerder stelt dat uit een e-mail van klager van 31 augustus 2011, waarin hij verzocht om rectificatie, volgt dat een ruzie de reden was voor beëindiging van de samenwerking. In zijn mail verzocht klager de redactie aan deze ruzie aandacht te besteden en te vermelden dat hij de samenwerking had opgezegd omdat hij onbehoorlijk door het stichtingsbestuur zou zijn behandeld. Klager vroeg de redactie niet alleen een feitelijke onjuistheid te corrigeren, maar om vermeende misstanden in de ‘orgelpolitiek’ aan de kaak te stellen. Naast het feit dat geen sprake was van een feitelijke onjuistheid, was dit een extra reden om niet in te gaan op het verzoek van klager. Als dat wel zou zijn gedaan, zou voor hetzelfde geld het stichtingsbestuur kunnen bedingen soortgelijke aanvullingen over de ruzie te mogen publiceren en had mogelijk zelfs de redactie contact met het stichtingsbestuur moeten opnemen om wederhoor toe te passen.
Verder wijst verweerder erop dat de gewraakte passage is opgenomen in de rubriek ‘Orgelbouwnieuws’, die nieuwsberichten bevat over gereedgekomen orgelrestauraties waarbij de nadruk ligt op de werkzaamheden die aan het orgel zijn verricht. Procedures en samenwerkingen tussen bouwers en opdrachtgevers worden altijd beknopt en neutraal beschreven. Omdat het accent op het orgel zelf ligt, kan de reden van beëindiging dan ook achterwege blijven, aldus verweerder.
Hij betwist het standpunt van klager dat lezers de neutrale formulering verkeerd kunnen interpreteren. En ook al zouden lezers concluderen dat klager is ontslagen, dan nog staat volledig open of dat ontslag terecht of onterecht is. Volgens verweerder is derhalve geen sprake van het opnemen van een ‘halve waarheid’. Dat niet aan de orde is gesteld wie de samenwerking waarom beëindigde, maakt het vermelden van het feit dat de samenwerking beëindigd is niet minder waar, noch een halve waarheid. Er is derhalve geen verkeerd beeld ontstaan dat gerectificeerd moet worden, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van onjuiste berichtgeving doordat ten onrechte niet de reden van beëindiging van de samenwerking tussen klager en het stichtingsbestuur is vermeld en dat deze omissie niet is hersteld.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. De journalist dient verder eenzijdige en tendentieuze berichtgeving te vermijden. (zie punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
 
Niet ter discussie staat dat de in de publicatie beschreven samenwerking tussen klager en het stichtingsbestuur is beëindigd. Dit is ook in het artikel vermeld. Naar het oordeel van de Raad is derhalve geen sprake van een feitelijke onjuistheid. Dat de reden van de beëindiging onvermeld is gelaten, acht de Raad in dit geval geen zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.
Hoewel het verweerder had gesierd als hij in zijn rectificatie in nummer 6 van 2011 op dit punt de duidelijkheid had willen verschaffen waarom klager had verzocht, was hij daartoe niet verplicht.
 
Nu overigens niet is gebleken dat de gewraakte berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat of verweerder anderszins journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld, komt de Raad tot de slotsom dat de klacht ongegrond is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 april 2012 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.