2012/11 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 11 november 2011 (RvdJ 2011/76) betreffende zijn klacht tegen
 
Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (Endemol Nederland BV en SBS6)
 
Bij brief van 12 december 2011 heeft mr. F.P. Holthuis, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 11 november 2011 inzake zijn klacht tegen Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (hierna: verweerder). Hierop heeft verweerder gereageerd in een brief van 18 januari 2012.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 februari 2012, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 25 mei 2011 heeft voornoemde mr. Holthuis namens verzoeker een klacht ingediend tegen verweerder over uitzendingen van “Peter R. de Vries, misdaadverslaggever” van 10 en 17 april 2011. In de uitzendingen is aan de orde gesteld dat personen die in Suriname strafrechtelijk zijn veroordeeld hun strafvervolging c.q. strafexecutie ontlopen door een nieuw bestaan in Nederland op te bouwen. Een groot deel van de uitzending van 10 april 2011 staat in het teken van het handelen van klager en de (nalatigheid van de) autoriteiten in Nederland en Suriname. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de achtergrond van het misdrijf dat klager pleegde en het leed van de nabestaanden. In de uitzending worden diverse familieleden van klager aan het woord gelaten. Klager is onherkenbaar in beeld gebracht, zijn volledige naam is herhaaldelijk vermeld. In de vervolguitzending van 17 april 2011 is kort gerefereerd aan de uitzending van 10 april. Deze uitzending heeft voornamelijk betrekking op een andere zaak.
 
Bij uitspraak van 11 november 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker gegrond verklaard voor zover deze betrekking had op de schending van de privacy van klager. Voor zover de klacht betrekking had op onjuiste c.q. onvolledige berichtgeving heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de situatie dat veroordeelden mogelijk hun straf ontlopen door naar Nederland te vluchten. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 Verweerder heeft naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat hij voldoende reden had om aan de zaak tegen klager aandacht te besteden. De situatie dat ondanks toezeggingen van de minister van Justitie na zoveel jaar nog altijd geen inhoudelijke behandeling van een strafzaak heeft plaatsgevonden, is maatschappelijk ongewenst.
Niet betwist is dat klager – hoewel hij zich mogelijk niet aan een procesgang heeft willen onttrekken – door zijn vlucht naar Nederland de tenuitvoerlegging van zijn veroordeling in Suriname onmogelijk heeft gemaakt. Hij stond hierdoor op de opsporingswebsite van de autoriteiten in Suriname vermeld.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het journalistiek toelaatbaar om klager aan te duiden als ‘voortvluchtig crimineel’ en ‘moordenaar’. Daarbij overweegt de Raad dat die aanduidingen niet als juridische kwalificaties zijn gebruikt. De omstandigheid dat inmiddels in Nederland een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen klager is opgestart, doet bovendien niet af aan het feit dat klager waarschijnlijk in strijd met geldend recht zijn straf in Suriname is ontlopen.”
en
“Voor zover al sprake is van feitelijke onjuistheden, zijn deze naar het oordeel van de Raad niet van dien aard dat daarmee het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker kan zich niet verenigen met de uitspraak van de Raad voor zover deze betrekking heeft op onjuiste en onvolledige berichtgeving. Hij benadrukt dat zijn verzoek tot herziening uitdrukkelijk niet ziet op de uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de aantasting van zijn privacy.
Verzoeker stelt dat in de beslissing van de Raad als vaststaand feit is geoordeeld dat ondanks toezeggingen van de minister van Justitie nog altijd geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen hem heeft plaatsgevonden en dat dit maatschappelijk ongewenst is. Hij meent dat de Raad zich hiermee ten onrechte schaart achter de feiten die door verweerder naar voren zijn gebracht.
Verzoeker acht het onbegrijpelijk waarom de Raad de kwalificatie ‘voortvluchtig crimineel’ niet ziet als juridische kwalificatie, maar het begrip ‘inhoudelijke behandeling’ wel juridisch benadert. Hij wijst erop dat de behandeling van de zaak vertraagd is omdat het procesdossier bleek te zijn vernietigd tijdens een brand. Hierdoor moesten getuigen opnieuw worden gehoord. Verzoeker benadrukt dat medewerkers van verweerder aanwezig waren tijdens de strafrechtelijke procedure tegen verzoeker, waardoor verweerder wist dat deze feiten in augustus besproken zouden worden. In de gewraakte uitzending wordt echter niet gesproken over deze strafrechtelijke procedure of het feit dat de rechtbank al jaren bezig is alle informatie te verzamelen. Hiermee wordt ten onrechte het beeld geschetst dat de autoriteiten hebben stil gezeten en verzoeker niets meer te vrezen heeft. De Raad neemt dan ook ten onrechte aan dat nog altijd geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden.
Verder stelt verzoeker dat de Raad het begrip ‘voortvluchtig’ onjuist hanteert. Blijkens de beslissing meent de Raad dat het een technische discussie is of verzoeker voortvluchtig is of niet. De Raad vertaalt dit door te stellen dat de aanduiding ‘voortvluchtig crimineel’ niet als juridische kwalificatie is gebruikt. Doordat verweerder wijst op de overeenkomsten tussen negen personen, is het van belang om zuiver te zijn in de begrippen, aldus verzoeker.
Het verschil tussen verzoeker en de acht overige betrokkenen is nu juist dat verzoeker niet voortvluchtig is: hij is aangehouden, voorgeleid aan de rechter-commissaris, in bewaring gesteld en verschenen voor de rechter. De rechter heeft uiteindelijk geoordeeld dat er geen gronden waren om de voorlopige hechtenis te verlengen. Dit oordeel vindt zijn grondslag in het strafrechtelijke uitgangspunt dat voorlopige hechtenis alleen moet worden toegepast indien dit absoluut noodzakelijk is. Kennelijk is het journalistiek toelaatbaar om hem aan te duiden als ‘voortvluchtig’ nu hij op vrije voeten is, aldus verzoeker. Hij meent dat de Raad aldus een onjuiste betekenis toekent aan voortvluchtigheid en daarmee uitgaat van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Ten slotte meent verzoeker dat de Raad ten onrechte uitgaat van de door verweerder geponeerde stelling dat hij zich op illegale wijze aan de rechtsgang heeft onttrokken, nu in de uitspraak wordt overwogen dat hij waarschijnlijk in strijd met geldend recht zijn straf in Suriname is ontlopen. Hij stelt dat de Raad hierbij ten onrechte ervan uitgaat dat onttrekking aan strafexecutie strafbaar is. Omdat gevangenisstraf de grootst mogelijke inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid van een persoon, is het strafrechtelijk uitgangspunt dat ontsnappen en daarmee jezelf onttrekken aan een strafexecutie geen strafbaar feit oplevert. Hij wijst erop dat deze regelgeving ook in Suriname gold ten tijde van zijn vlucht naar Nederland.
Verzoeker concludeert dat de uitspraak van de Raad moet worden herzien en dat zijn klacht op deze punten alsnog gegrond verklaard moet worden.
 
Verweerder stelt in zijn reactie op het herzieningsverzoek dat in de gewraakte uitzending juist nadrukkelijk melding wordt gemaakt van de strafrechtelijke procedure tegen verzoeker, omdat dit gezien het verleden zo relevant is. Hij wijst ter zake op de voice-over-tekst in de uitzending, waarin onder meer wordt gemeld dat een termijn van 3,5 jaar zelfs onaanvaardbaar lang is wanneer een compleet nieuw moordonderzoek wordt gestart en waarin wordt bericht dat de vertraging in de behandeling van de strafzaak van verzoeker vooral het gevolg zijn van een brand.
Verder wijst verweerder erop dat verzoeker vanuit de Santo Boma gevangenis is ontsnapt en sindsdien voortvluchtig is, omdat hij – net als de rest van de ontsnapten – zijn straf nimmer heeft uitgezeten. In de uitzending is aannemelijk gemaakt dat in de zaak van verzoeker de geschiedenis leert dat zelfs een plechtige belofte van de minister van Justitie in 1997 geen garantie biedt op een rechtszaak. Omdat er na de voorgeleiding van verzoeker voor de rechter-commissaris alweer meer dan drie jaar was verstreken, was het gerechtvaardigd om op deze manier aan de bel te trekken. Verzoeker was bovendien in ieder geval voor de autoriteiten en nabestaanden in Suriname feitelijk nog steeds voortvluchtig, nu hij zich had onttrokken aan zijn straf, het land had verlaten en zijn opgelegde gevangenisstraf niet had uitgezeten.
Daarbij wijst verweerder erop dat verzoeker beweert dat hij zich in 1994, direct na zijn vlucht uit de Surinaamse gevangenis, vrijwillig heeft gemeld bij de politie. Tijdens de terechtzitting, eind 2011, is echter naar voren gekomen dat ondanks uitvoerig onderzoek geen documentatie is gevonden die deze mededeling ondersteunt. Politiefunctionarissen konden zich niets van deze gang van zaken herinneren. Het standpunt van verzoeker wordt dan ook door de rechtbank in twijfel getrokken, waarbij zelfs aan de orde kwam dat het gedrag van verzoeker er juist op wees dat hij elke kans op herkenning of confrontatie uit de weg wilde gaan.
Verweerder betoogt dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Kern van het verzoek is dat:
  1. de Raad het begrip ‘voortvluchtig’ onjuist heeft gehanteerd;
  2. ten onrechte is geoordeeld dat nog geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verzoeker heeft plaatsgevonden, nu al geruime tijd wordt gewerkt aan het verzamelen van informatie;
  3. ten onrechte is overwogen dat verzoeker zich op illegale wijze aan de rechtsgang heeft onttrokken.
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer doet de omstandigheid dat de autoriteiten werken aan het verzamelen van informatie, zoals door verzoeker is gesteld, niet af aan de constatering van de Raad dat ten tijde van de gewraakte uitzendingen nog geen inhoudelijke behandeling van de desbetreffende strafzaak had plaatsgevonden.
 
Evenmin  brengt de omstandigheid dat de verblijfplaats van verzoeker bekend is bij de Nederlandse justitie  mee dat het journalistiek niet toelaatbaar kan worden geacht om verzoeker aan te duiden als ‘voortvluchtig crimineel’, nu hij door zijn handelen de tenuitvoerlegging van zijn (verstek) veroordeling in Suriname onmogelijk heeft gemaakt.
 
Volgens verzoeker is verder in de gewraakte uitspraak ten onrechte overwogen dat hij zich op illegale wijze aan de rechtsgang heeft onttrokken en dat dit een strafbaar feit zou opleveren. Dit standpunt kan naar het oordeel van de herzieningskamer evenmin worden gevolgd. In de uitspraak van de Raad wordt slechts overwogen dat verzoeker waarschijnlijk in strijd met geldend recht zijn straf in Suriname is ontlopen. In tegenstelling tot wat klager aanvoert, komt in de gewraakte uitspraak niet aan de orde of onttrekking aan strafexecutie strafbaar is.
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 11 november 2011 (RvdJ 2011/76) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 april 2012 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.