2012/1 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
H. Viel (Viel Plantencentrum)
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Stentor
 
Bij brief van 7 november 2011 met een bijlage heeft H. Viel (Viel Plantencentrum) te Oldebroek (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Stentor (hierna: verweerder). Hierop heeft J. Lodewijks, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 25 november 2011 met een bijlage. Bij e-mail van 1 december 2011 heeft klager gereageerd op het verweer.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 december 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 3 oktober 2011 is in de Stentor een artikel verschenen onder de kop “Plantenkweker Oldebroek tegen woning juwelier”. In het artikel staat:
“Plantencentrum Viel is tegen de bouw van een nieuwe woning voor juweliersfamilie Laproi op een veld achter de kerk in Oldebroek. Volgens H. Viel kan de woning niet worden gebouwd omdat die deels in de spuitvrije zone valt. Viel vroeg vrijdag bij de Raad van State om een blokkade van het bestemmingsplan Oldebroek Dorp, dat onder meer het nieuwe winkelcentrum mogelijk maakt. Overigens liet Viel vrijdag tijdens de spoedprocedure in Den Haag verstek gaan. Alleen de gemeentewoordvoerders van Oldebroek kwamen opdagen. Zij zeiden dat Viel geen belanghebbende is, omdat hij rond 800 meter afstand van de geplande woning van Laproi woont en werkt. Immers, Viel plantencentrum ligt aan de westzijde van Oldebroek en de woning van Laproi veel meer oostelijk en ten noorden van de Zuiderzeestraatweg. Het is ook niet duidelijk waarom Viel bezwaar tegen de woning van Laproi heeft. Laprois woning en winkel moesten wijken voor het nieuwe winkelcentrum. De familie woont nu in een tijdelijke woning naast het winkelcentrum. Oldebroek hanteert in het nieuwe bestemmingsplan een spuitvrije zone van vijftig in plaats van honderd meter. De zone is nodig voor kwekerijen en tuinderijen die veel met bestrijdingsmiddelen werken. Binnen die zone mogen mensen niet langere tijd verblijven. Mocht de Raad van State de bezwaren van Viel voorlopig afwijzen, dan kan de gemeente een omgevingsvergunning voor de bouw van Laprois woning verlenen. De uitspraak volgt binnen enkele weken.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat door de berichtgeving schade aan zijn goede naam en faam is toegebracht. In het krantenartikel en in de publicatie van het bericht op de website van de Stentor worden de volledige naam van klagers bedrijf en de naam van klager als eigenaar van het bedrijf vermeld. Volgens klager is dat niet nodig om de zaak te kunnen begrijpen. Nu weet het lezerspubliek om wie het gaat, terwijl volstaan had kunnen worden met initialen. Daarbij komt dat in de berichtgeving een onjuist beeld wordt gevormd over klager en zijn onderneming. Klager heeft beroep aangetekend bij de Raad van State, omdat hij vreest dat de beslissing van de gemeente precedentwerking heeft. Dit staat duidelijk in zijn beroepschrift, maar wordt ten onrechte niet in het artikel vermeld. Volgens klager is ook geen navraag gedaan bij hem. Klager stelt dat nu de suggestie wordt gewekt dat hij iets heeft tegen de juwelier persoonlijk, maar dat is niet het geval. Het gaat hem om de regelgeving van de gemeente en de mogelijke woningbouw van een ieder zonder aanziens des persoons, aldus klager.
 
Verweerder stelt dat het artikel is geschreven door het bureau Cerberus, dat voor de Stentor zittingen bij de Raad van State volgt. Die zittingen zijn in de regel openbaar, waarbij de betrokken partijen met naam en toenaam worden genoemd. Verweerder is alleen bij strafrechtelijke aspecten of privacygevoelige kwesties terughoudend met het vrijgeven van personalia. In dit geval was daar geen reden toe. Het gaat om een praktisch verschil van mening tussen klager en de gemeente Oldebroek, met als derde partij de juweliersfamilie Laproi. Het vermelden van de namen was in deze zaak opportuun en onvermijdelijk, aldus verweerder. Volgens hem kan geen schade zijn toegebracht aan klager of diens bedrijf, omdat in het artikel zakelijk de argumenten zijn vermeld die beide partijen tijdens de zitting naar voren hebben gebracht. Doordat klager niet aanwezig was op de zitting, heeft verweerder het helaas moeten doen met de schriftelijke stukken van klager. Het is niet gebruikelijk om na een zitting bij de bestuursrechter aan extra hoor en wederhoor te doen, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt vast dat in het artikel verslag wordt gedaan van een openbare rechtszitting in een bestuursrechtelijke procedure. Bij berichtgeving over dergelijke procedures bestaat in het algemeen geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn belang om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar weegt dat van het vermelden van zijn naam en de naam van zijn bedrijf had moeten worden afgezien. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door de naam van klager en diens bedrijf te vermelden. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad en vgl. onder meer RvdJ 2011/19)
 
Verder overweegt de Raad dat het beginsel van wederhoor niet geldt voor berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare rechtszittingen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat het artikel klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad en vgl. RvdJ 2011/19)
 
De Raad overweegt tot slot dat de beschrijving van de zaak anders had moeten worden ingestoken. Door de wijze waarop het geschil van klager met de gemeente is beschreven – onder meer door de stellige kop “Plantenkweker Oldebroek tegen woning juwelier” – wordt de suggestie gewekt dat klager iets heeft tegen de juwelier persoonlijk. Die indruk wordt bovendien versterkt doordat de naam van de juwelier herhaaldelijk is vermeld.
Klager heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn beroep bij de Raad van State er niet op was gericht de juwelier in diens belangen te schaden, maar dat het hem ging om een mogelijke precedentwerking van de beslissing van de gemeente waardoor de komst van woningen op zodanig geringe afstand van zijn bedrijf mogelijk zou worden dat zijn bedrijfsvoering daarvan schade zou kunnen lijden.
Door aldus op een onvolledige en daardoor voor klager nadelige wijze over het geschil te berichten heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de onvolledige wijze waarop over de kwestie is bericht.
De klacht is ongegrond voor zover deze is gericht tegen het vermelden van de naam van klager en diens bedrijf alsmede het achterwege laten van wederhoor.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Stentor te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 7 februari 2012 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.