2011/9 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
C.W.M. Melisse
 
tegen
 
I. de Groot en de hoofdredacteur van AD De Dordtenaar
 
Bij brief van 15 oktober 2010 met diverse bijlagen heeft C.W.M. Melisse te Antwerpen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen I. de Groot en de hoofdredacteur van AD De Dordtenaar (hierna: verweerders). Hierop heeft P. de Jonge, hoofdredacteur, mede namens De Groot geantwoord in een brief van 15 november 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2010. Klager is daar verschenen en heeft zijn standpunt aan de hand van een pleitnotitie toegelicht. Ter zitting heeft klager nog een e-mailbericht van hem aan De Groot van 8 oktober 2010 overgelegd. Verweerders zijn niet ter zitting verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 24 september 2010 is in AD De Dordtenaar een artikel verschenen onder de kop “Dordtenaar wil zijn bejaarde ouders via rechter huis uitzetten”. Dit artikel behelst een verslag van een kort geding-zitting. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Een Dordtse ondernemer probeert via de rechtbank zijn hoogbejaarde ouders (beiden 82 jaar) uit hun huis te zetten.”
en
“,,Ik heb al langer dan twintig jaar alles voor de mensen betaald,” aldus de ondernemer die al jaren in onmin leeft met de twee. Hij stelde gisteren dat hij met zijn familie is gebrouilleerd toen zijn broer illegaal in het huis ging wonen. ,,Ik heb al jaren niet met ze gesproken.” De twee bejaarden weigeren volgens hem bovendien de makelaar toe te laten in de woning om een te koop-bord te plaatsen. Bovendien is volgens hem de woonsituatie niet ideaal en zelfs risicovol voor mensen van hun leeftijd.”
 
Een dag later, op 25 september 2010, is in AD De Dordtenaar een artikel van de hand van De Groot verschenen onder de kop “Succesvolle zoon wil bejaarde ouders het huis uitzetten” met het chapeau “’Tachtig jaar en dakloos?’”. De intro van dit artikel luidt:
“Een gevierde zakenman die zijn ouders jaren geleden royaal onderdak bood in een van zijn panden, dreigt het hoogbejaarde paar nu zonder pardon hun huis uit te zetten. Zijn vader en moeder (82 en 81 jaar) zijn radeloos.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“,,Bruikleners”, noemde C. Melisse zijn vader en moeder. De rechter vroeg zich op haar beurt af hoe het zover heeft kunnen komen.
Als argument stelde Melisse jr. dat hij het huis wil verkopen. Zijn ouders zouden beter af zijn in een bejaardenwoning en daarom moet de bruikleenovereenkomst in april 2011 ontbonden zijn, vindt hij.”
en
“Volgens zijn moeder is de ellende door ,,ruzie om niets begonnen”.
,,Er was een uitbarsting. Ik ben huilend naar boven gerend. Hij is vertrokken en daarna hebben we hem nooit meer gezien. Te trots om excuses te maken. Nu wil hij ons dit huis uitzetten. We hadden een bruikleenovereenkomst en wonen in zijn woning. Dat was in betere tijden zijn eigen idee.”
 In een discussie opperde Melisse junior enige tijd geleden al dat het Leger des Heils desnoods een oplossing is, herinnert zijn vader. (…) ,,Mijn zoon gaat over lijken,” vindt haar man.”
en
“Bovendien eist hun zoon dat ze al hun spulletjes achterlaten. ,,We mogen alleen onze onderbroek meenemen. Dit is treiteren en opjagen.” Veel dierbare bezittingen heeft het echtpaar enkele jaren geleden op papier al verkocht aan hun zoon, maar ze bleven in de woning staan.”
en
“Die overeenkomst dreigt het echtpaar nu de das om te doen. Melisse junior eist ‘zijn’ bezit op. ,,Hij is miljonair. En straks staan wij berooid op straat.””
 
Op 9 oktober 2010 is in AD De Dordtenaar nog aandacht aan de kwestie besteed in een artikel met de kop “Rechtbank geeft zoon gelijk: ouders moeten huis uit” en een vervolgartikel met de kop “’Ze zijn beter af in bejaardenhuis’”.
 
Klager is de in de publicaties bedoelde zoon. Zijn klacht richt zich tegen het artikel van 25 september 2010 (hierna: het artikel).
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in het artikel als ‘gevierde zakenman’ zwaar wordt gediskwalificeerd en aldus in zijn belangen wordt geschaad. Volgens klager heeft De Groot beschuldigingen opgetekend naar aanleiding van een interview met personen waarmee hij al jaren is gebrouilleerd, hetgeen De Groot bekend was. Desondanks hebben verweerders niet de moeite genomen om contact met hem op te nemen, aldus klager. Hij meent dat verweerders niet waarheidsgetrouw hebben bericht en dat lezers zich geen volledig en controleerbaar beeld hebben kunnen vormen. Bovendien hebben verweerders het belang dat met de publicatie zou zijn gediend en het privébelang van klager onvoldoende tegen elkaar afgewogen. Volgens klager is sprake van tendentieuze berichtgeving, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen.
Klager licht toe dat tijdens het gehele kort geding zijn ouders als ‘bruikleners’ zijn aangeduid. Uit de overeenkomst met zijn ouders volgt niet dat alle bezittingen op de naam van klager zijn gezet en van een wurgcontract is geen sprake. De dwangsom is in onderling overleg tussen de advocaten van partijen in het contract opgenomen.
Klager meent dat het artikel niet kan worden gezien als wederhoor van zijn ouders op zijn schriftelijke en mondelinge beweringen. In het artikel van de dag ervoor, 24 september 2010, is niet zijn mening over de kwestie duidelijk naar voren gebracht, aldus klager. In deze publicatie zijn slechts enkele antwoorden van hem op vragen van de vicepresident van de rechtbank weergegeven. Klager is door verweerders niet gehoord.
Verder betwist hij dat hij beschuldigingen heeft geuit waardoor zijn ouders zijn gediskwalificeerd. Hij heeft niet beweerd dat zij iemand illegaal in het huis hebben laten wonen. In het gewraakte artikel is niets te lezen dat een reactie zou kunnen zijn op zijn ‘beweringen’ aan de rechter, aldus klager. Het is een tendentieus verhaal vol met diskwalificaties en ongefundeerde beschuldigingen aan zijn adres, die niets met de feitelijke kwestie te maken hebben. Verweerders hadden daarom juist bij hém wederhoor moeten toepassen, maar hebben dat nagelaten. Klager wijst erop dat hij het artikel eerst op 7 oktober 2010 heeft gezien; hij is niet regelmatig in Dordrecht. De dag daarop heeft hij reeds met verweerders contact opgenomen. Hij heeft verweerders aangeboden de juiste informatie te verstrekken in de verwachting dat dit zou bijdragen aan een zuiverder en minder emotionele verslaglegging. Naar de mening van klager is dat niet gelukt en is het artikel van 9 oktober 2010 opnieuw tendentieus.
Klager concludeert dat zijn standpunt niet afdoende is belicht en dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Verweerders menen dat het gewraakte artikel moet worden beoordeeld in samenhang met de publicaties van 24 september en 9 oktober 2010. Voorafgaand aan de beslissing om tot publicatie over te gaan hebben verweerders vastgesteld dat het een bijzondere rechtszaak betreft. In de publicatie van 24 september is feitelijk verslag gedaan van de zitting in het kort geding dat klager had aangespannen tegen zijn ouders. Daarbij is geciteerd uit de mondelinge toelichting die klager heeft gegeven op de schriftelijke stukken. Na afloop was er geen aanleiding klager om een nadere toelichting te vragen. De gegevens voor een afgewogen rechtbankverslag waren ruimschoots aanwezig. In de publicatie van 24 september is de mening van klager duidelijk naar voren gebracht. Naar aanleiding van die berichtgeving is contact ontstaan met de ouders van klager. Zij waren niet ter zitting verschenen, maar wilden graag hun visie geven op de beschuldigingen die in de rechtszaal waren geuit en in de kolommen van de krant waren verschenen. Voor het complete beeld achtten verweerders het journalistiek juist om hen die gelegenheid te bieden, temeer daar zij werden gediskwalificeerd door uitlatingen die buiten hun aanwezigheid in de rechtszaal waren gedaan. Het gewraakte artikel van 25 september 2010 moet derhalve worden gezien als wederhoor van de ouders op de beweringen van klager.
Verweerders stellen dat het beeld dat klager van zijn ouders heeft geschetst – oude en verwarde mensen – niet overeenkomt met de waarneming van De Groot. Gelet op de dwangsom die klager in kort geding heeft geëist en zijn onverbiddelijke houding, mochten verweerders hem omschrijven als ‘iemand die zijn ouders zonder pardon uit hun huis wil zetten’. Uit de context van het artikel volgt verder duidelijk dat de ouders bedoelden te zeggen dat ze alleen de kleding die ze dragen tot hun persoonlijke bezit mogen rekenen. Dat de ouders zeggen dat hun zoon ‘over lijken gaat’, is een uitdrukking van hun gevoel.
Verweerders wijzen er verder op dat zij op 9 oktober 2010 de uitspraak van de rechtbank hebben gepubliceerd, waarbij zowel het commentaar van de ouders als van klager is verwerkt. Zij menen voorts dat klager, als hij van oordeel was geweest dat zijn belangen met de publicatie van het artikel van 25 september geschaad waren, eerder contact had kunnen opnemen. Dat heeft hij echter pas gedaan na twee weken, waarbij hij het aanbod voor een nieuw gesprek van de hand heeft gewezen.
Verweerders concluderen dat zij in de publicaties over de kwestie – in samenhang bezien – alle partijen aan het woord hebben gelaten, waardoor sprake is van hoor en wederhoor, en dat zij de standpunten van beide partijen afdoende hebben belicht.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht is dat in het artikel van 25 september 2010 sprake is van eenzijdige, tendentieuze berichtgeving, waarbij ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager zijn geuit, zonder hem voldoende gelegenheid tot wederhoor te bieden.
 
Verweerders hebben aangevoerd dat het gewraakte artikel moet worden beoordeeld in samenhang met de publicaties van 24 september en 9 oktober 2010 en dat zij in de drie publicaties gezamenlijk evenwichtig over de kwestie hebben bericht.
 
De Raad overweegt dat verweerders in de publicatie van 24 september 2010 verslag hebben gedaan van de kort geding-zitting in de procedure tussen klager en diens ouders en daarbij de standpunten van de partijen in die procedure hebben weergegeven. Die publicatie kan derhalve worden beschouwd als een rechtbankverslag, waarbij het beginsel van hoor en wederhoor – behoudens bijzondere omstandigheden – niet aan de orde is. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad) In de publicatie van 9 oktober 2010 is bericht over de uitspraak in het kort geding.
 
Hoewel het artikel van 25 september 2010 in zekere zin onderdeel uitmaakt van een reeks publicaties – nu in al die publicaties wordt bericht over het geschil tussen klager en diens ouders – wijkt dit artikel in zijn aard en inhoud duidelijk af van de andere publicaties. In het gewraakte artikel hebben verweerders zich niet beperkt tot een – min of meer zakelijke – weergave van hetgeen partijen in de kort geding-procedure hebben aangevoerd, maar hebben zij de ouders van klager in de gelegenheid gesteld uitgebreid hun visie op het conflict te geven, waarbij zij hun zoon in een zeer negatief daglicht stellen. Aangezien klager in het rechtbankverslag van 24 september 2010 niet op vergelijkbare wijze aan het woord is gelaten, kan – anders dan verweerders hebben aangevoerd – het artikel van 25 september 2010 niet als het wederhoor van klagers ouders op uitlatingen van klager worden beschouwd.
 
In het gewraakte artikel laten de ouders van klager zich op zeer diffamerende wijze uit over hun zoon. Zij beweren onder meer dat klager in de – delicate – kwestie ‘over lijken gaat’. De Raad is van oordeel dat de lezer zich moeilijk aan de indruk zal kunnen onttrekken dat klager moreel verwerpelijk heeft gehandeld. Verweerders hadden de uitlatingen van de ouders van klager dan ook niet behoren te publiceren zonder vooraf wederhoor bij klager toe te passen, hetgeen zij hebben nagelaten. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)
  
Aldus moet worden geconcludeerd dat verweerders de grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door in het artikel van 25 september 2010 over klager te berichten zoals zij hebben gedaan zonder wederhoor bij klager toe te passen.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in AD De Dordtenaar te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 9 februari 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. E.J.M. Lamers, mw. F. Santing en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.

Bij uitspraak van 27 mei 2011 is het verzoek van verweerders tot herziening van deze uitspraak toegewezen, maar is de beslissing - dat de klacht gegrond is - gehandhaafd (RvdJ
2011/37).