2011/88 onthouding oordeel toegewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 22 augustus 2011 (RvdJ 2011/55) betreffende de klacht van
 
Y, Z en kinderen Z
 
tegen
 
mw. K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd
 
Bij brief van 17 september 2011 heeft X (hierna: verzoekster) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 22 augustus 2011 inzake de klacht van Y, Z, en kinderen Z tegen mw. K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd (hierna: verweerders). Verweerders hebben niet op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 november 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 11 april 2011 met vier bijlagen heeft Y een klacht ingediend tegen mw. K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd betreffende een publicatie in HP/De Tijd van 8 april 2011 met de kop “De rabbi, de declaraties en de ‘spookstudenten’” met het chapeau “Niet kosjer”. Op 15 april 2011 is in HP/De Tijd een vervolgartikel geplaatst, eveneens van de hand van Geurtsen en Van Woerden, onder de kop “Dóód- en dóódziek”. Bij brieven van 21 april en 3 mei 2011 hebben Z en zijn kinderen zich bij de klacht gevoegd. In een e-mailbericht van 29 mei 2011 met bijlage (een brief van 24 mei 2011) heeft X zich bij de klacht gevoegd en is de klacht uitgebreid met betrekking tot een publicatie van 22 april 2011 in HP/De Tijd van de hand van Geurtsen met de kop “De rabbijn, het geld en de werkster.”.
 
Bij uitspraak van 22 augustus 2011 heeft de Raad de klacht gegrond verklaard, waarbij de Raad het volgende heeft overwogen:
Uit de publicaties blijkt weliswaar dat verweerders een deel van de berichtgeving hebben gebaseerd op meerdere betrouwbaar te achten bronnen, maar de ernstigste beschuldigingen jegens het Seminarium en Z blijken afkomstig te zijn van anonieme bronnen. Uit de berichtgeving blijkt niet dat de uitlatingen van de anonieme bronnen door verweerders op een grondige wijze op juistheid en volledigheid zijn geverifieerd, waardoor het voldoende aannemelijk is dat een eenzijdig en onvolledig beeld van de gang van zaken op het Seminarium is geschetst. Daarbij worden Z en zijn familie gediskwalificeerd en heeft de berichtgeving voor hen een uitermate tendentieuze, negatieve lading gekregen, terwijl niet is gebleken dat daarvoor voldoende rechtvaardiging bestaat. Uit de publicaties kan worden opgemaakt dat er weliswaar wederhoor is toegepast, doch de Raad acht het, rekening houdend met de context en inhoud van de reacties, onwaarschijnlijk dat de standpunten van klagers op een dusdanige wijze zijn vermeld dat er sprake is van deugdelijk wederhoor.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over het Nederlands Israëlitisch Seminarium en rabbijn Z en zijn familie te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. Van verweerders had – gelet op de mogelijke impact van de beschuldigingen – meer zorgvuldigheid en genuanceerdheid mogen worden verwacht.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKSTER
 
Verzoekster stelt allereerst dat zij ten onrechte niet door de Raad als medeklaagster is aangemerkt, terwijl zij zich wel door middel van het e-mailbericht van 29 mei 2011 als klaagster in de zaak heeft gevoegd.
Verder stelt verzoekster dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen zij heeft gesteld ten aanzien van de toepassing van wederhoor voor wat betreft de publicatie van 22 april 2011. Verzoekster heeft gesteld dat de bewering in het artikel dat Geurtsen gesproken heeft met een bestuurder van klaagster, onjuist is. Verweerders hebben ten aanzien van verzoekster geen wederhoor toegepast, omdat niet met een bestuurder (lees: een bevoegd persoon) is gesproken, aldus verzoekster.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
In het e-mailbericht van 29 mei 2011 alsmede in de daarbij behorende bijlage is uitdrukkelijk vermeld dat verzoekster zich wenste te voegen in de eerder door Y ingediende klacht en dat de klacht mede namens verzoekster werd uitgebreid ten aanzien van de publicatie van 22 april 2011. De Raad heeft echter nagelaten in de uitspraak van 22 augustus 2011 verzoekster als (mede)klaagster te vermelden. De herzieningskamer is van oordeel dat uit de uitspraak volgt dat de Raad ten onrechte heeft aangenomen dat verzoekster zich niet in de zaak had gevoegd. De beslissing berust aldus op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten, zodat verzoekster ontvankelijk is in haar herzieningsverzoek.
 
Voor zover verzoekster dezelfde klachten had als de klagers die wél in de uitspraak van 22 augustus 2011 zijn vermeld, moet alsnog en op dezelfde gronden worden geconcludeerd dat die klachten van verzoekster eveneens gegrond zijn.
 
Verder wenst verzoekster alsnog een uitspraak over haar klacht dat verweerders betreffende de publicatie van 22 april 2011 ten aanzien van haar geen wederhoor hebben toegepast. Zij heeft ter zake aangevoerd dat de bewering in het artikel “We bellen de synagoge en krijgen een bestuurder die zijn naam niet wil noemen… ” onjuist is en dat verweerders niet hebben gesproken met een bevoegd persoon.
Bij zijn beraadslaging is de herzieningskamer tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van dit onderdeel van het herzieningsverzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. Verweerders hebben ervoor gekozen niet te reageren op de oorspronkelijke klachten, noch op het herzieningsverzoek, en hebben derhalve de herzieningskamer geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop het wederhoor heeft plaatsgevonden. De herzieningskamer betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerders ernstig wordt bemoeilijkt. Voor een weloverwogen oordeel is een bredere kennis omtrent de gang van zaken nodig dan waarover de herzieningskamer beschikt. De herzieningskamer onthoudt zich daarom op dit punt van een oordeel. (vgl. onder meer RvdJ 2011/60)
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen en de klacht van verzoekster wordt alsnog gegrond verklaard voor zover deze gelijk is aan de klachten van de andere, in de uitspraak reeds vermelde klagers. Voor zover verzoekster alsnog een uitspraak wenst over haar klacht dat verweerders betreffende de publicatie van 22 april 2011 ten aanzien van haar geen wederhoor hebben toegepast, onthoudt de herzieningskamer zich van een oordeel.
 
De Raad zal de publicatie van zijn uitspraak van 22 augustus 2011 (RvdJ 2011/55) op zijn website wijzigen, in de zin dat daaronder zal worden vermeld:
-          dat het verzoek tot herziening van verzoekster is toegewezen;
-          dat haar klacht alsnog gegrond is verklaard voor zover deze gelijk was aan de andere, reeds in de uitspraak vermelde klagers;
-          dat de herzieningskamer zich voor het overige onthoudt van een oordeel;
een en ander onder verwijzing naar de publicatie van de onderhavige uitspraak.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 december 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.