2011/87 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
E. Post en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant
 
Bij brief van 19 juli 2011 met drie bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen E. Post en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (hierna: verweerders). Partijen hebben vervolgens getracht in der minne tot een oplossing van de kwestie te komen, maar zijn daar niet in geslaagd. Bij brief van 13 oktober 2011 met vier bijlagen heeft mr. R. Tamourt, advocaat uit Heerenveen, namens klager het klaagschrift aangevuld. Hierna heeft B. de Jong, adjunct-hoofdredacteur, op de klacht geantwoord in een brief van 1 november 2011. Ten slotte hebben verweerders nog een bijlage overgelegd in een e-mailbericht van 15 november 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 november 2011 in aanwezigheid van klager en mr. Tamourt. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 13 juli 2011 is in de Leeuwarder Courant een publicatie verschenen onder de kop “Tandarts naar rechter om eigen praktijk”. De intro van het artikel luidt:
“Tandarts [X] uit [Woonplaats klager] wil weer een praktijk beginnen. Het ministerie van VWS weigert hem op te nemen in het register.”
Het artikel vervolgt met:
“[X] zou jarenlang ondeugdelijk werk hebben geleverd. Tientallen patiënten hadden daarover geklaagd. Nadat ze waren overgestapt naar andere tandartsen werd duidelijk dat gaatjes niet of slecht gevuld waren, tandsteen niet was verwijderd en kronen slecht gezet. In 1999 zegde Zorgverzekeraar De Friesland het contract met hem daarom op.
Door het Medisch Tuchtcollege werd [X] tot de orde geroepen. In een geval was het gebit van een vrouw verwaarloosd. Ze kampte al jaren met chronische wortel- en kaakontstekingen. Ook had ze allerlei lichamelijke klachten, die mogelijk het gevolg waren van de ontstekingen.
Dinsdag troffen [X] en het ministerie elkaar voor de Leeuwarder rechtbank. [X] wil via de rechter afdwingen dat hij weer zelfstandig zijn beroep kan uitoefenen. Om in het BIG-register (Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg) opgenomen te worden, moet [X] aantonen dat hij vakbekwaam is. Hij heeft daarvoor bij het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam een theorie-examen afgelegd. Voor Nederlandse tandartsen met onvoldoende ervaring wordt de test vanaf 1 januari volgend jaar verplicht.
Hoewel de tandarts in de loop der jaren heeft getracht de literatuur bij te houden, is [X] voor de theorie van de zogenoemde ACTA-toets gezakt. Hij had geen geld voor dure cursussen, zegt hij. De kennis hield de 32 jaar geleden afgestudeerde [X] vooral bij met vakliteratuur uit de universiteitsbibliotheek. De tandarts mag nog wel werken in een groepspraktijk, al vroeg hij het ministerie daar niet om. ,,Wij hadden het van harte toegejuicht als hij dat wel had gedaan. Er is dan collegiale supervisie”, zegt Hoefnagel. Naar eigen zeggen heeft [X] bij verschillende praktijken in Nederland gesprekken gevoerd. Maar die willen hem niet. [X]: ,,Niemand zit te wachten op een tandarts die niet zonder toezicht mag werken.”
Zorgverzekeraar De Friesland wacht de uitspraak van de bestuursrechter af. ,,Is die positief en heeft de tandarts zijn BIG-registratie in orde, dan staat hem waarschijnlijk niets in de weg om te beginnen. Patiënten die dan door hem worden behandeld, kunnen hun rekening dan bij ons indienen”, zegt woordvoerder Gerard Akkerman.
Uitspraak op vrijdag 23 juli.”
 
Diezelfde dag is op de internetpagina van de Leeuwarder Courant een publicatie met dezelfde kop verschenen. Dit artikel luidt als volgt:
“Tandarts [X] uit [Woonplaats klager] wil weer een praktijk beginnen. Het ministerie van VWS weigert hem op te nemen in het BIG-register.
Dinsdag troffen [X] en het ministerie elkaar voor de Leeuwarder rechtbank. [X] wil via de rechter afdwingen dat hij weer zelfstandig zijn beroep kan uitoefenen.
[X] zou jarenlang ondeugdelijk werk hebben geleverd. Tientallen patiënten hadden daarover geklaagd. Nadat ze waren overgestapt naar andere tandartsen werd duidelijk dat gaatjes niet of slecht gevuld waren, tandsteen niet was verwijderd en kronen slecht gezet.
De rechter doet op vrijdag 22 juli uitspraak.”
 
Op 29 september 2011 is de tweede zin van de publicatie op internet als volgt aangepast:
“Het ministerie van VWS weigert de aantekening te schrappen die achter zijn naam in het BIG-register staat.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de publicatie onnodig grievend, tendentieus en zeer suggestief is. Er is sprake van eenzijdige berichtgeving en er zijn feitelijke onjuistheden vermeld. Aldus wordt een onnodig negatief beeld van klager geschetst, waardoor hij in zijn belangen is geschaad. Klager benadrukt in dat verband dat als op internet wordt gezocht op zijn naam, de gewraakte publicatie steeds naar voren komt.
Klager licht toe dat hij in het verleden een tandartsenpraktijk heeft gehad. In 1999 heeft hij een echtscheiding meegemaakt, die effect had op zijn gezondheid en daarmee op de uitvoering van zijn praktijk. Dit heeft geleid tot een tuchtuitspraak in 1999, waardoor klager de volgende aantekening kreeg in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg): “Betrokkene is het recht ontzegd het beroep van tandarts uit te oefenen in een zelfstandige eenmanspraktijk”. Klager heeft destijds zijn praktijk neergelegd, maar wenst nu zijn beroep weer op te pakken in een groepspraktijk. Hij wil daartoe de aantekening in het register laten verwijderen. De bestuursrechtelijke procedure waarvan in de gewraakte publicatie verslag wordt gedaan, gaat over de vraag aan welke voorwaarden klager moet voldoen, zodat de aantekening kan worden verwijderd. Klager heeft daartoe een toets afgelegd bij het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) om zijn bekwaamheid aan te tonen. Voor het afgesproken praktijkgedeelte is hij geslaagd. De minister was echter van mening dat, op grond van een onvoldoende voor het theoretisch gedeelte, de aantekening moest blijven staan. Dit terwijl deze toets (nog) niet verplicht is, aldus klager.
Hij stelt dat ten onrechte is vermeld dat de bestuursrechtelijke procedure zou gaan over opname in het BIG-register, zodat hij een eigen praktijk zou kunnen beginnen. Klager benadrukt dat hij reeds in het register is opgenomen, zodat hij in een groepspraktijk aan de slag mag. De procedure betreft (slechts) de verwijdering van de aantekening in het register. Klager zou daarna weer zelfstandig zijn beroep mogen uitoefen in een eenmanspraktijk. Die behoefte zegt hij niet te hebben, maar de aantekening maakt het hem ook moeilijk om in een groepspraktijk te werken. De aantekening is volgens klager de reden dat hij bij sollicitaties naar een plek in een groepspraktijk steeds wordt afgewezen.
Klager wijst erop dat verweerders ook in de pleitnota van zijn raadsman, die ter zitting van de bestuursrechter aan hen is verstrekt, hebben kunnen lezen dat hij al in het BIG-register is opgenomen. Verweerders hebben kennelijk nagelaten dit zorgvuldig te lezen. Ter zitting meldt klager dat in de zitting bij de bestuursrechter de voorgeschiedenis wel aan de orde is gesteld, maar dat de rechter vond dat die informatie niet ter zake doet. Daarom had verweerder volgens klager die voorgeschiedenis niet in de publicatie moeten opnemen.
Hij acht de vermelding dat sprake is van ‘jarenlang ondeugdelijk werk’ alsmede de vermelding van een tuchtzaak uit 1999 dan ook zeer suggestief en onnodig grievend. Klager benadrukt in dat verband dat van de destijds ingediende klachten slechts twee door de tuchtrechter zijn gehonoreerd. Verder wijst hij erop dat de in de publicatie beschreven patiënte met lichamelijke klachten de door hem voorgeschreven behandeling niet heeft ondergaan vanwege een gebrek aan financiën. Volgens klager is niet aangetoond dat de lichamelijke klachten door zijn handelwijze zijn veroorzaakt.
Door de onjuiste wijze waarop verweerders over zijn – in dit verband niet ter zake doende – verleden hebben bericht en door daarbij bovendien zijn volledige naam te vermelden, is sprake van een disproportionele aantasting van zijn privé- en zakelijk leven, aldus klager. Hij wijst erop dat door de publicatie de zaken uit het verleden weer actueel zijn gemaakt en altijd vindbaar zijn op internet. De impact was minder groot geweest als verweerders zich hadden beperkt tot een weergave van de kern van de zaak. Het lijkt erop dat verweerders bewust hebben geprobeerd er een ‘mooi’ verhaal van te maken, waardoor klager in diskrediet wordt gebracht. Als verweerders een juiste belangenafweging hadden gemaakt, dan hadden zij de vermelding van zijn naam achterwege gelaten, aldus klager.
Hij betoogt dat verweerders derhalve de grenzen hebben overschreden van hetgeen journalistiek toelaatbaar is. Klager heeft verweerders verzocht de internetpublicatie te laten verwijderen. Het heeft enige tijd geduurd voordat hierover een gesprek plaatsvond, eerst vanwege vakantie aan de zijde van verweerders en vervolgens omdat zij een afspraak waren vergeten. Het uiteindelijke gesprek heeft niet tot het door klager gewenste resultaat geleid, maar slechts tot een minimale aanpassing van de internetpublicatie. Van een deugdelijke rectificatie is volgens klager geen sprake.
 
Verweerders stellen dat zij verslag hebben gedaan van een zitting bij de bestuursrechter. De publicatie is een weergave van hetgeen door de partijen op die zitting naar voren is gebracht. Bovendien is de voorgeschiedenis geschetst, hetgeen relevant is voor de publicatie, aangezien daarin de reden is gelegen van de aantekening bij klagers naam in het BIG-register. Overigens is klager direct na de zitting gevraagd om een nadere toelichting, hetgeen hij heeft geweigerd.
Verder stellen verweerders dat zij klager duidelijk hebben gemaakt dat zij bereid zijn feitelijke onjuistheden te corrigeren. Een dergelijke rechtzetting heeft alleen zin als dit kort na de publicatie gebeurt. Na het gesprek met klager was dat echter te laat. Bovendien is in het gesprek vastgesteld dat een nieuwe publicatie over de zaak niet in het belang van klager zou zijn.
Wel is in de internetpublicatie de aanpassing gedaan dat de procedure waarin klager is verwikkeld, gaat over de verwijdering van de aantekening in plaats van opname in het BIG-register.
Verweerders betwisten dat zij ten onrechte hebben bericht dat klager weer een eigen praktijk wil beginnen. Zij wijzen ter zake op de uitspraak van de bestuursrechter, waarin het procesverloop is verwoord.
Ten slotte stellen verweerders dat zij met het vermelden van de naam van klager niet journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. Het betrof een bestuursrechtelijke procedure waarin klager zelf de eisende partij was. Dergelijke procedures trekken in volle openbaarheid aan de samenleving voorbij, ook in de media. Verweerders wijzen in dit verband nog op uitspraken van de Raad betreffende de openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten, waarmee een algemeen belang is gediend. Bovendien wordt door het vermelden van de naam voorkomen dat mogelijke verwarring zou ontstaan met beroepsgenoten van klager. Verder wijzen verweerders op de openbaarheid van het BIG-register en een wetsvoorstel waardoor nog meer zaken in het BIG-register te raadplegen zijn. Verweerders zijn dan ook van mening dat de privacy van klager niet disproportioneel is geschaad.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van tendentieuze, suggestieve en onjuiste berichtgeving, waarbij – door de vermelding van de volledige naam van klager – de privacy van klager disproportioneel is aangetast.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. De journalist dient verder eenzijdige en tendentieuze berichtgeving te vermijden. (zie punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
 
De Raad constateert dat in de publicatie ten onrechte is vermeld dat klager de bestuursrechtelijke procedure is gestart om opgenomen te worden in het BIG-register. Vaststaat dat klager reeds was ingeschreven in dat register en dat de procedure gaat over het verwijderen van een aantekening uit het register. Deze feiten blijken uit het BIG-register zelf, zijn aan de orde geweest ter zitting van de bestuursrechter en volgen uit de pleitnota van de raadsman van klager, waarover verweerders beschikten. Op dit punt is sprake van een feitelijke onjuistheid in de berichtgeving die niet van ondergeschikte betekenis is. In zoverre is de klacht gegrond. Overigens hebben verweerders deze onjuistheid rechtgezet in de internetpublicatie, wat te prijzen is.
 
De Raad overweegt voorts dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Het stond verweerders dan ook vrij om in het kader van hun berichtgeving over de bestuursrechtelijke procedure de voorgeschiedenis te schetsen. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Echter, de Raad is van oordeel dat verweerders over die voorgeschiedenis onvolledig hebben bericht. Ten onrechte is onvermeld gelaten dat van de beschreven tientallen klachten slechts twee door het Centraal Tuchtcollege zijn gehonoreerd. Door die onvolledigheid is de onjuiste suggestie gewekt dat de tientallen klachten alle gegrond waren en dat klager jarenlang op grote schaal aantoonbaar ondeugdelijk werk zou hebben geleverd. Aldus is klager in een onnodig negatief daglicht gesteld.
Het voorgaande heeft ook invloed op de vraag of klagers naam in de publicatie kon worden vermeld. Hoewel in beginsel geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een bestuursrechtelijke procedure, is het in deze context journalistiek onzorgvuldig om de volledige naam van klager te vermelden. Immers, door de combinatie van de onvolledige en daarmee tendentieuze berichtgeving over het verleden van klager en de vermelding van diens naam, is zijn privacy disproportioneel aangetast. Niet aannemelijk is geworden dat een voldoende zwaarwegend maatschappelijk belang bestond om de naam van klager te vermelden. Ook op dit punt hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. punten 2.4.1. en 2.4.10. van de Leidraad)
 
Voor zover klager heeft betoogd dat de publicatie nog andere feitelijke onjuistheden bevat, is de Raad van oordeel dat deze niet van zodanige aard zijn dat daarmee grenzen zijn overschreden van wat journalistiek toelaatbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de onjuiste vermelding dat klager in het BIG-register opgenomen wenste te worden, de onvolledige – en daarmee tendentieuze – berichtgeving over het verleden van klager, en de vermelding van zijn volledige naam. Voor zover de klacht betrekking heeft op vermelding van overige feitelijke onjuistheden, is deze ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 december 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.