2011/86 afgewezen

inzake het verzoek van
 
X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011 (RvdJ 2011/49) betreffende haar klacht tegen
 
H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia
 
Bij brieven van 23 augustus 2011 en 30 september 2011 heeft mr. P.F. Wolbers, advocaat te Delden, namens X (hierna: verzoekster) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 29 juli 2011 inzake haar klacht tegen H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Vis, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 13 oktober 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 november 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief, door de Raad ontvangen op 23 maart 2011, met diverse bijlagen heeft verzoekster een klacht ingediend tegen H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia betreffende de volgende artikelen, deels van de hand van Talens, die in De Twentsche Courant Tubantia zijn verschenen:
·         op 29 augustus 2009: “De firma List & Bedrog”
·         op 31 juli 2010: “Over de rug van de gewone man”.
·         op 24 november 2010: “Kozijnhandelaar zit vast in ziekencel”.
·         op 24 november 2010: “Detentie valt verdachte zwaar”.
·         op 19 februari 2011: “Kozijnhandelaar ontkent”.
 
Voorts is de klacht gericht tegen de volgende berichten, deels van de hand van Talens, die op de website van De Twentsche Courant Tubantia zijn verschenen:
  • op 28 december 2009: “Puinhoop bij failliete firma’s”
  • op 29 juni 2010: “Twentse kozijnhandelaren opgepakt”
  • op 30 juli 2010: “Hengeloer Rob L. was nog wel zo’n aardige man”
  • op 17 augustus 2010: “Twee Twentse kozijnhandelaren nog vast”
  • op 23 november 2010: “Kozijnhandelaar in ziekenhuisgevangenis”
  • op 26 november 2010: “Kozijnhandelaar Rene de V. blijft in cel”
Bij uitspraak van 29 juli 2011 heeft de Raad verzoekster niet-ontvankelijk verklaard voor zover haar klacht is gericht tegen de publicaties gedateerd voor 23 september 2010, waarbij de Raad het volgende heeft overwogen:
Vaststaat dat de klacht, voor zover gericht tegen de berichtgeving gedateerd vóór 23 september 2010, niet binnen zes maanden na de publicatiedatum bij de Raad is binnengekomen.
Naar het oordeel van de Raad kunnen de door klaagster aangevoerde omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. Hoewel de Raad begrip heeft voor de bijzondere persoonlijke omstandigheden van klaagster, bieden die onvoldoende grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding haar redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen. Ook binnen de periode waarin klaagster moeilijkheden ondervond had zij ruim de tijd nadere stappen te ondernemen.
Het had op de weg van klaagster gelegen om zich daarover tijdig te laten informeren; zij had bijvoorbeeld een klacht kunnen (laten) indienen onder voorbehoud van aanvullingen.
Voor zover de klacht is gericht tegen de berichtgeving vóór 23 september 2010 moet klaagster daarin dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat vervolgens opnieuw artikelen over klaagster zijn verschenen waartegen zij bezwaar maakt, doet daaraan niet af.”
 
De Raad heeft de klacht van verzoekster ongegrond verklaard voor zover deze is gericht tegen de berichtgeving gedateerd na 23 september 2010, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“De vermelding van initialen, leeftijd en woonplaats van verdachten en veroordeelden is gebruikelijk en niet onzorgvuldig. Het is derhalve de vraag of de naamsvermelding van de onderneming van klaagster en de vermelding van de privéomstandigheden al dan niet toelaatbaar zijn.”
en
“De in de berichtgeving genoemde bedrijven, waarbij klaagster is betrokken, spelen kennelijk een relevante rol in de strafzaak waarover is bericht, nu die ondernemingen zijn genoemd in de tenlastelegging. Voor verweerders bestond dan ook voldoende aanleiding om aan te nemen dat de strafzaak (mede) op die ondernemingen betrekking had. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerders in de gewraakte berichtgeving hebben gedaan.”
en
“Naar het oordeel van de Raad is overigens niet gebleken dat de berichtgeving ten aanzien van klaagster relevante onvolkomenheden bevat. Verweerders hebben in de berichtgeving voldoende duidelijk gemaakt dat de verslaggeving betrekking heeft op verdenkingen ten aanzien van klaagster c.q. ondernemingen waarbij zij is betrokken, maar dat zij nog niet is veroordeeld. Daarbij hebben verweerders voldoende onderscheid gemaakt tussen de verdenkingen ten aanzien van klaagster en die ten aanzien van de overige verdachten in de strafzaak.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoekster stelt dat de Raad inzake de publicaties voor 23 september 2010 ten onrechte geen belang heeft gehecht aan het feit dat de reeks artikelen in zijn geheel moet worden beschouwd. Er dient volgens haar niet zozeer te worden gekeken naar de datum van publicatie. De data waarop de artikelen zijn gepubliceerd zijn immers dagelijks actueel. Bij het aanklikken van een artikel wordt verder expliciet verwezen naar eerdere artikelen. De inhoud van deze artikelen is dagelijks terug te vinden, waarbij de artikelen tevens aan elkaar gelinkt zijn.
Met betrekking tot de berichtgeving na 23 september 2010 stelt verzoekster dat verweerders wederhoor hadden moeten toepassen, nu over diverse ondernemingen wordt gesproken en de betrokkenheid van verzoekster bij die ondernemingen genuanceerd ligt. In het kader van een getrouwe weergave had het volgens verzoekster op weg van verweerders gelegen om haar uit te nodigen om de kwestie nader toe te lichten. Zij had in dat geval haar visie op het verhaal kunnen geven en een tegengeluid kunnen laten horen.
In de publicatie van 19 februari 2011 wordt de onderneming van verzoekster expliciet vermeld, waarbij wordt bericht dat zich bij het bedrijf ‘iets soortgelijks’ zou hebben voorgedaan. Uit de dagvaarding hadden verweerders kunnen afleiden dat het bedrijf door justitie echter een andere rol in de kwestie wordt toebedeeld. Verzoekster is met name betrokken geweest bij haar eigen onderneming, zodat verweerders ten onrechte spreken van ‘een trio’ en ‘een drietal’. Uit de berichtgeving blijkt dat verweerders onvoldoende onderscheid tussen de verdachten hebben gemaakt en hen over één kam hebben geschoren, aldus verzoekster. Zij meent dat wanneer wederhoor was toegepast, verweerders een genuanceerder beeld hadden kunnen schetsen over de verdenking tegen verzoekster.
 
Verweerders stellen voorop dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Het standpunt van verzoekster dat niet zozeer naar de datum van publicatie moet worden gekeken, is volgens verweerders irrelevant voor de beoordeling van het verzoek. Verzoekster komt volgens hen met een nieuwe interpretatie van het begrip actualiteit. Verweerders stellen dat aan de hand van dit criterium alles actueel is vanwege de vindbaarheid op internet. Deze interpretatie is volgens verweerders dan ook geen grond voor herziening. Zij wijzen erop dat verzoekster destijds een klacht in had kunnen dienen onder voorbehoud van aanvullingen.
Ten aanzien van de publicaties na 23 september 2010 stellen verweerders dat de berichtgeving betrekking heeft op de rechtszaak tegen twee mannen die verdacht werden van oplichting in het kader van de levering van kozijnen, alsmede tegen verzoekster als medeverdachte. De artikelen bevatten feitelijke mededelingen die tijdens de rechtszittingen werden gemeld, ontleend aan de tenlastelegging. Er bestaat geen aanleiding hierop wederhoor toe te passen, aldus verweerders. Bovendien had verzoekster zelf contact kunnen opnemen met verweerders om haar visie te geven.
Verweerders wijzen erop dat de naam van de onderneming van verzoekster staat in de tenlastelegging. Verzoeksters eigen naam staat bovendien vermeld in de openbare gegevens van de Kamer van Koophandel. De uitdrukking ‘iets soortgelijks’ wil volgens hen niet zeggen dat de verdenking tegen verzoekster identiek is aan de verdenking tegen de medeverdachten. Aangezien de strafzaak tegen de twee mannelijke verdachten en verzoekster als drietal is behandeld, is het niet onzorgvuldig om over een trio te spreken. In de berichtgeving is volgens verweerders voldoende onderscheid gemaakt tussen de verdachten. In de publicatie wordt bericht over de hoofdverdachten en wordt pas halverwege het bericht melding gemaakt van de verdenking in het kader van de betrokkenheid van verzoekster.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerster die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
Kern van het verzoek is dat verzoekster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad over haar ontvankelijkheid en in de overwegingen van de Raad over de vermelding van de naam van haar onderneming. Zij meent verder dat in de berichtgeving onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de verdachten.
 
Ingevolge artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend binnen zes maanden nadat de journalistieke gedraging heeft plaatsgevonden. Verzoekster heeft volgens de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011 de klacht niet tijdig ingediend en evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij alsnog in dit onderdeel van haar klacht had moeten worden ontvangen.
Dat publicaties op internet eenvoudiger toegankelijk zijn, zoals verzoekster betoogt, laat naar oordeel van de herzieningskamer onverlet dat de Raad oordeelt op basis van de datum waarop de journalistieke gedraging heeft plaatsgevonden. In dit kader is het dan ook niet aannemelijk dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
Daarnaast blijkt uit hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht dat zij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad met betrekking tot de overwegingen betreffende de vermelding van de naam van haar onderneming. Zij meent verder dat in de berichtgeving onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de verdachten. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoekster met hetgeen zij in haar verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.