2011/85 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
R.J. Lustig
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011 (RvdJ 2011/48) betreffende zijn klacht tegen
 
H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia
 
Bij brieven van 5 augustus 2011 en 16 september 2011 heeft mw. mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, namens R.J. Lustig (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 29 juli 2011 inzake zijn klacht tegen H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Vis, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 4 oktober 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 november 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 15 september 2010 met een bijlage heeft mw. mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem, namens verzoeker een klacht ingediend tegen H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia betreffende het artikel onder de kop “Over de rug van de gewone man” met het chapeau “De hebzucht van Rob L.” van 31 juli 2010. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan de levensloop van verzoeker.
 
Bij uitspraak van 29 juli 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders aannemelijk gemaakt dat zij het portret hebben gebaseerd op een groot aantal bronnen rondom klager en daarbij voldoende zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Verweerders hebben daarbij mede gebruik gemaakt van diverse feitelijke objectieve bronnen, waaronder een persbericht van Justitie en een faillissementsverslag. Verweerders mochten van de betrouwbaarheid van die bronnen uitgaan. Niet is gebleken dat verweerders een onzorgvuldige of eenzijdige selectie hebben gemaakt van bronnen of de feiten onvoldoende onderzocht hebben.
De Raad overweegt verder dat het voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk is dat het artikel een schets betreft van de handelwijze van klager en dat de beschuldigende beweringen met name de perceptie van de bronnen betreffen. Het stond verweerders vrij de meningen van de bronnen te parafraseren en daarbij metaforen te gebruiken op de wijze zoals zij hebben gedaan, nu niet is gebleken dat dat op journalistiek onzorgvuldige wijze is geschied.”
en
De hiervoor bedoelde bijzondere zorgvuldigheid kan meebrengen dat bij de betrokkene wederhoor moet worden toegepast. Dat dat in het onderhavige geval niet is gebeurd, acht de Raad echter niet ontoelaatbaar. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de publicatie op een groot aantal bronnen is gebaseerd – waaronder tevens, zoals hiervoor overwogen, feitelijke objectieve bronnen – en dat het portret hoofdzakelijk een inzicht in de levensloop van klager behelst. Voorts is niet in geschil dat klager ten tijde van de publicatie in voorlopige hechtenis verbleef waarbij hem beperkende maatregelen waren opgelegd. Hierdoor was het voor verweerders feitelijk niet mogelijk (direct of indirect) bij klager wederhoor toe te passen. Verweerders hebben voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat voor hen journalistieke aanleiding bestond tot publicatie van het artikel over te gaan. Zij behoefden niet te voorzien dat de beperkende maatregelen ten aanzien van klager kort na de publicatie zouden worden opgeheven. Dat verweerders derhalve niet hebben gewacht met publiceren totdat klager beschikbaar was voor wederhoor, kan hen in dit geval dan ook niet worden aangerekend.
en
De in het artikel genoemde bedrijven spelen kennelijk een belangrijke rol in de strafzaak tegen klager. Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat er redenen bestonden om aan te nemen dat de feiten in het strafproces op deze ondernemingen (mede) betrekking hadden. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerders hebben gedaan. De Raad is van oordeel dat verweerders het belang van een volledige berichtgeving op een verantwoorde wijze hebben gediend en dat van een disproportionele aantasting van het privéleven van klager geen sprake is.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker stelt dat de Raad ten onrechte heeft geoordeeld dat het toelaatbaar is dat verweerders inzake de gewraakte berichtgeving geen wederhoor hebben toegepast. Enerzijds ziet verzoeker niet in waarom een portret, dat hoofdzakelijk zijn levensloop behelst, rechtvaardigt dat geen wederhoor wordt toegepast. Anderzijds is niet duidelijk waarom de Raad voorbij gaat aan het feit dat verweerders geen poging hebben ondernomen om wederhoor toe te passen. Nu verweerders niet op de hoogte waren van de omstandigheid dat verzoeker zich destijds in voorlopige hechtenis met beperkingen bevond, heeft dit geen enkele reden gespeeld in hun keuze om wederhoor toe te passen. Omdat verweerders zich niet op het niet kunnen toepassen van wederhoor kunnen beroepen, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat niet langer met de publicatie van het artikel behoefde te worden gewacht. Indien enkele dagen was gewacht, had de mogelijkheid bestaan contact met verzoeker op te nemen omdat op dat moment de beperkende maatregelen zijn vervallen. Volgens hem bestond geen spoedeisend belang om eventuele misstanden in de samenleving door het artikel te laten beëindigen. Hij wijst erop dat de vervolging door het openbaar ministerie reeds was ingesteld.
Verder meent verzoeker dat in de uitspraak onvoldoende is onderbouwd waarom niet is gebleken dat verweerders een onzorgvuldige of eenzijdige selectie hebben gemaakt van bronnen of dat zij de feiten onvoldoende hebben onderzocht. Daarnaast heeft verzoeker ter zitting gemeld dat met familie en oud-werknemers op één bron wordt gedoeld, hetgeen niet is weersproken door verweerders. Het portretteren van een persoon aan de hand van interviews met personen die er alles aan doen om hem te beschuldigen en wederhoor achterwege te laten, lijkt volgens verzoeker op een eenzijdige en onzorgvuldige selectie van bronnen. Doordat geen wederhoor is toegepast en de zaken onvoldoende zijn onderzocht, hebben verweerders geen mogelijkheid aan hem geboden om zijn standpunt duidelijk te maken.
Voorts is de conclusie van de Raad dat alle in het artikel genoemde ondernemingen een belangrijke rol spelen in de strafzaak tegen verzoeker, geheel onbegrijpelijk en niet gemotiveerd. Ten slotte heeft de Raad ten onrechte verschillende opmerkingen van verzoeker over zijn privéleven en de verkoop van zijn huurwoning niet laten meewegen in zijn oordeel.
   
Verweerders stellen voorop dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het artikel is gebaseerd op een groot aantal bronnen, waaronder objectieve bronnen als politie, justitie en de curator, is gebaseerd. Verweerders wijzen erop dat zij wel degelijk op de hoogte waren van de voorlopige hechtenis met beperkende maatregelen van verzoeker. De detentie is slechts aangehaald om aan te tonen dat wanneer verweerders wederhoor hadden willen toepassen, dit feitelijk onmogelijk was geweest. Verweerders hadden niet kunnen weten dat verzoeker enkele dagen later zou vrijkomen.
In dat kader merken verweerders op dat het niet aan verzoeker is te bepalen wanneer een artikel in de krant wordt geplaatst. Zij benadrukken dat geen enkele reden bestond om de berichtgeving aan te houden.
Ter zake van de door verzoeker gestelde selectiviteit bij bronvergaring merken verweerders op dat verzoeker het op dit punt niet eens is met de Raad, hetgeen van geen betekenis is voor het herzieningsverzoek. Ook inhoudelijk vindt het bezwaar van verzoeker geen grond, nu de Raad verwijst naar diverse feitelijke, objectieve bronnen. In dit verband wordt opgemerkt dat verweerders, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, verschillende oud-medewerkers hebben gesproken. Verweerders waren vrij in het parafraseren van bronnen. Als het artikel voor verzoeker schadelijk is geweest, dan is dat het gevolg van zijn eigen handelwijze die heeft geleid tot juridische vervolging.
Het feit dat de ondernemingen zijn genoemd of een rol spelen in de strafzaak is volgens verweerders voldoende aanleiding deze in het artikel te melden. Ook het betoog van verzoeker over de ondernemingen is van geen belang in het kader van de herziening. In het herzieningsverzoek worden geen voorbeelden genoemd van ondernemingen die in de berichtgeving worden genoemd, maar geen rol spelen in de strafzaak.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerster die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad van 29 juli 2011 met betrekking tot de overwegingen betreffende de wederhoor, de selectie van bronnen, het feitenonderzoek en het vermelden van de ondernemingen. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
  
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.