2011/84 afgewezen

inzake het verzoek van
 
de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 8 juli 2011 (RvdJ 2011/45) betreffende de klacht van
 
BioShape Holding B.V.
 
Bij brief van 20 juli 2011 heeft H. Steketee, adjunct-hoofdredacteur NRC Handelsblad, (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 8 juli 2011 inzake de klacht van BioShape Holding B.V. (hierna: klaagster) tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 september 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen. Na ampel beraad heeft de kamer besloten om, conform artikel 10a lid 6 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, partijen uit te nodigen voor het geven van een toelichting ter zitting.
 
Vervolgens is de zaak behandeld ter zitting van de Raad van 4 november 2011, in een herzieningskamer bijeen. Namens verzoeker zijn daar voornoemde Steketee en D. van Eijk, redacteur, verschenen. Namens klaagster is daar V. Paes, interim bestuurder, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 30 november 2010 met diverse bijlagen heeft klaagster een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad betreffende het artikel onder de kop “Bioshape trekt spoor van vernieling” van 21 september 2010. Hierop heeft verzoeker gereageerd bij brief van 4 maart 2011 met een bijlage. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan de bedrijfsactiviteiten van klaagster in Tanzania.
 
Bij uitspraak van 8 juli 2011 heeft de Raad de klacht van klaagster gegrond verklaard, waarbij de Raad het volgende heeft overwogen:
“In het artikel wordt klaagster beschuldigd van (betrokkenheid bij) ‘dubieuze’ praktijken, zoals omkoping bij de verwerving van land in Tanzania, misleiding van Tanzaniaanse boeren en van aandeelhouders, illegale houtkap en gesjoemel met cijfers over de oppervlakte van de proefplantage en met de milieurapportage.
Hoewel de negatieve kwalificaties voornamelijk afkomstig zijn van met naam en toenaam genoemde bronnen, aan wier deskundigheid en betrouwbaarheid redelijkerwijs niet hoeft te worden getwijfeld, presenteert verweerder in enkele passages zulke beschuldigingen als vaststaande feiten.
In de kop van de publicatie heeft verweerder bovendien het resultaat van klaagsters handelwijze geduid als ‘spoor van vernieling’. Aldus zal de gemiddelde lezer zich moeilijk aan de indruk kunnen onttrekken dat klaagster willens en wetens juridisch en/of maatschappelijk onoorbaar heeft gehandeld. Door de berichtgeving is klaagster dan ook in ernstige mate gediskwalificeerd. Daarbij komt dat het wederhoor van klaagster – bezien in de context – slechts zeer summier is weergeven.
Het stond verweerder vrij om een kritisch verhaal over het project van klaagster te publiceren, maar hij had met de door derden geuite beschuldigingen prudenter dienen om te gaan en te berichten.
Dit klemt te meer daar het – aldus de verklaring van Steketee ter zitting – een ingewikkelde kwestie betrof, die in kort bestek is weergegeven. Door niettemin de beschuldigingen aan het adres van klaagster zonder aanvullend onderzoek en met slechts selectieve toepassing van wederhoor als feiten te presenteren, heeft verweerder onnodig negatief en tendentieus over klaagster bericht. Verweerder had dit wellicht kunnen voorkomen door gebruik te maken van het aanbod van klaagster om op haar kantoor documenten te komen inzien. In dit verband stelt de Raad vast dat klaagster ter zitting ten aanzien van een aantal beschuldigingen aannemelijk heeft gemaakt dat de juistheid daarvan allerminst onomstotelijk vaststaat.
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder door over klaagster te berichten zoals hij heeft gedaan, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker stelt dat aan klaagster diverse malen is verzocht welke onjuistheden het artikel bevat. Daarbij is tevens duidelijk gemaakt dat verzoeker bereid is om feitelijke onjuistheden te corrigeren. Verzoeker meent dat dit nimmer tot een duidelijk antwoord heeft geleid. Hij acht het onbevredigend dat de Raad de klacht gegrond acht, maar geen feitelijke onjuistheden in de publicatie constateert. De beslissing van de Raad berust volgens verzoeker op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Verzoeker stelt dat de Raad ten onrechte heeft geoordeeld dat de auteur na kennisname van de beschuldigingen zonder aanvullend onderzoek is overgegaan tot publicatie. De auteur van het artikel heeft tientallen bronnen geraadpleegd, waaronder documenten van lokale en landelijke overheden in Tanzania, diverse onderzoeksinstituten, alsmede documenten van klaagster zelf. Daarvoor is met vele personen in onder meer Tanzania en Nederland gesproken.
Tevens heeft de Raad ten onrechte geoordeeld dat sprake was van selectieve toepassing van wederhoor. Op alle door derden geuite beschuldigingen in het artikel is wederhoor gevraagd en voor zover gegeven is die weergegeven in het artikel. Verzoeker wijst erop dat een van de benaderde directieleden van klaagster nimmer heeft gereageerd op e-mail- en voice-mailberichten. Verzoeker ontkent dat sprake is van selectiviteit. Hij benadrukt dat niet alleen het weerwoord, maar ook de beschuldigingen beknopt zijn weergegeven. In het weerwoord is de essentie van de verdediging van klaagster weergegeven. Dit kan volgens verzoeker bij krantenberichtgeving niet anders.
Klaagster heeft nimmer concreet gemaakt welke documenten op haar kantoor ingezien hadden moeten worden, aldus verzoeker. Tevens is voorafgaand aan de publicatie of ter zitting niet duidelijk geworden in hoeverre deze informatie afwijkt van de documenten waarover de auteur reeds beschikte. Verzoeker begrijpt niet waarom de Raad stelt dat het raadplegen van deze stukken tot een ander verhaal had kunnen of moeten leiden.
Verder acht verzoeker het merkwaardig dat de Raad overweegt dat de kwalificaties zijn geuit door “bronnen aan wier deskundigheid en betrouwbaarheid redelijkerwijs niet hoeft te worden getwijfeld” en “klaagster ter zitting ten aanzien van een aantal beschuldigingen aannemelijk heeft gemaakt dat de juistheid daarvan allerminst onomstotelijk vaststaat”. Verzoeker had twijfel bij de betrouwbaarheid van de bronnen en zelf vastgesteld dat de juistheid niet vaststaat. Daarom is wederhoor toegepast bij klaagster. Verzoeker brengt naar voren dat wanneer de beschuldigingen onomstotelijk hadden vastgestaan, wederhoor overbodig was geweest.
Verzoeker betwist dat tendentieus over de kwestie is bericht. De harde bewoordingen worden geschraagd door feiten over de houtkap en de positie van de boeren. Klaagster heeft honderden hectare bosland gekapt, zonder dat het duurzame brandstof heeft opgeleverd. Volgens verzoeker mag deze verwoesting van landschap “een spoor van vernieling” worden genoemd. Verder had klaagster grootse plannen met biodiesel uit Tanzania, maar is het bedrijf nu samen met enkele vennootschappen failliet verklaard.
Hoewel klaagster dit betwist, zijn sommige relevante en deskundige personen en instanties van mening dat bij de houtkap regels zijn overtreden. Volgens verzoeker maakt dit dat sprake is van een omstreden houtkap. De boeren in het land zijn definitief hun land kwijt en hebben slechts een klein deel gekregen van de vergoeding die klaagster heeft betaald. Volgens verzoeker is het meeste geld bij de District Council gebleven. Van de duizenden banen is niets terechtgekomen. Tevens lopen nog processen van boeren die achterstallig loon tegoed hebben voor de verrichte werkzaamheden. Het is volgens verzoeker evident dat boeren zijn gedupeerd. Voorts heeft klaagster onjuiste informatie verstrekt aan aandeelhouders over de hoeveelheid beplant land, hetgeen de directie heeft toegegeven. Het is onduidelijk of sprake was van opzet, nalatigheid of slordigheid. Volgens verzoeker staat vast dat aandeelhouders zijn misleid.
In het artikel wordt niet gesproken over schuld. Verzoeker meent dat weliswaar sprake was van goede bedoelingen, maar dat daarvan niets is terechtgekomen. Het is volgens hem een kroniek van een omstreden en mislukt project. De gevoelens van de directie doen niets af aan de werkelijkheid.
Ter zitting meldt verzoeker desgevraagd dat hij begrijpt dat het spijtig is voor klaagster, maar dat hij niks kan met goede bedoelingen. Het verhaal zou veel ingewikkelder zijn geworden indien de intentie van klaagster in het artikel zou worden vermeld. Alle journalistieke stappen zijn door verzoeker gevolgd.
 
Klaagster stelt ter zitting dat de auteur van het artikel meermalen is uitgenodigd op het hoofdkantoor om de administratie in te zien. Alles had kunnen worden besproken, waardoor volgens klaagster de beschuldigingen weerlegd hadden kunnen worden.
Het artikel geeft bepaalde stukken van de activiteiten van klaagster in Tanzania weer, maar doet geen recht aan klaagsters werk aldaar. Het artikel ademt een sfeer uit van corruptie en omkoperij. Deze beschuldigingen zijn echter in strijd met de werkelijkheid. Verzoeker heeft een selectieve wijze van wederhoor toegepast.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Kern van het verzoek is dat de Raad in zijn uitspraak van 8 juli 2011 ten onrechte heeft overwogen dat verzoeker zonder aanvullend onderzoek en met selectieve toepassing van wederhoor is overgegaan tot publicatie.
 
Anders dan verzoeker van mening is, wordt naar het oordeel van de herzieningskamer in de uitspraak van de Raad niet miskend dat sprake is van onderzoek door verzoeker naar de juistheid van de beschuldigingen. Evenmin wordt in de uitspraak weersproken dat de geuite beschuldigingen aan klaagster zijn voorgelegd.
 
In de gewraakte uitspraak wordt - kort samengevat - geoordeeld dat in de berichtgeving het wederhoor slechts beknopt en selectief is toegepast casu quo wordt weergegeven in relatie tot de stelligheid van de beschuldigingen. Naar het oordeel van de Raad in de uitspraak van 8 juli 2011 had aanvullend onderzoek of een uitgebreidere weergave van het wederhoor kunnen leiden tot een genuanceerder beeld over klaagster, waarmee verzoeker had kunnen voorkomen dat onnodig negatief en tendentieus over klaagster werd bericht. Dat de verzoeker zich niet kan vinden in de afweging van dit oordeel, is onvoldoende grond om een verzoek tot herziening toe te wijzen.
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker dan ook met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 8 juli 2011  (RvdJ 2011/45) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.