2011/82 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
B.W. de Geus
 
tegen
 
M. van der Laan en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 4 oktober 2011 met drie bijlagen heeft B.W. de Geus te Groningen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen M. van der Laan en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerders). Bij brief van 17 oktober 2011 heeft klager nog twee bijlagen overgelegd. Hierop heeft E. van Dijk, adjunct-hoofdredacteur, namens verweerders geantwoord bij e-mailbericht van 28 oktober 2011 met twee bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 november 2011 in aanwezigheid van klager en zijn partner, mevrouw J.P. Lucieer. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 24 september 2011 is in Dagblad van het Noorden van de hand van Van der Laan een artikel verschenen onder de kop “Wel een heel erg Van ’t Hekje” met de onderkop “Profiel – Huub van ’t Hek”. De intro van het profiel luidt: “Huub van ’t Hek, bron voor boek over huwelijkscrisis Beatrix en Claus” en “‘Hij lijkt me niet de meest betrouwbare bron’”.
Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passage:
“Walter de Geus, uitbater van de online cd-winkel Cadena Lirica, voorheen gevestigd in de Folkingestraat in Groningen, kent hem als ‘een begeesterde en enthousiaste operaliefhebber die het goed kan overbrengen’. Hij noemt Huub ‘wel een heel erg Van ’t Hekje’. “Heel aardig hoor, maar soms wel een beetje een fantast.””
 
Op 8 oktober 2011 is in Dagblad van het Noorden een bericht verschenen onder de kop “Herstel”, waarin het volgende staat vermeld:
“Walter de Geus neemt afstand van de uitspraken die hij twee weken geleden heeft gedaan over Huub van ’t Hek in deze krant. Hij vindt dat hij onjuist is geciteerd en is het niet eens met de teneur van het artikel.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hem in het artikel denigrerende woorden in zijn mond zijn gelegd over Van ’t Hek. Het artikel is volgens hem een moedwillige beschadiging van zijn persoon en zakelijke belangen.
Volgens verweerders heeft Van der Laan op advies van een muziekrecensent met klager telefonisch contact opgenomen om informatie in te winnen over Van ’t Hek. Van ’t Hek zou uitlatingen hebben gedaan over het huwelijk van koningin Beatrix en prins Claus. Klager heeft in dit gesprek ontkend hierover met Van ’t Hek te hebben gesproken en desgevraagd naar voren gebracht dat hij Van ’t Hek kent als groot operakenner. Klager heeft verder verteld dat zijn winkel een groot aantal klanten heeft ontvangen door een opera-uitvoering waarbij Van ’t Hek betrokken was.
Klager heeft verweerders voor meer informatie over de kwestie betreffende het huwelijk doorverwezen naar de familie van Van ’t Hek. Daarbij heeft klager gemeld dat hij het netwerk van Van ’t Hek niet kent. Hij heeft verweerders gezegd dat Van ’t Hek mogelijk in familieverband over het onderwerp heeft gesproken.
Klager ging er vanuit dat zijn bijdrage geen nieuwswaardig feit bevatte en daarom geen aanleiding bestond voor publicatie. Hij was verontwaardigd en verbaasd over de berichtgeving. Na het zien van het artikel, meende klager dat verweerders mogelijkerwijs een vergissing hadden begaan met het citeren van personen in het artikel. Verweerders persisteerden echter dat klager de bewuste uitlatingen had gedaan en wilden geen rectificatie plaatsen. Een poging om zijn visie middels een advertentie in de krant te laten plaatsen werd door verweerders geblokkeerd, aldus klager. Het rectificatiebericht van 8 oktober 2011 is volgens hem niet afdoende, nu klager nimmer de in het artikel vermelde uitspraken heeft gedaan en er zodoende ook geen afstand van kan doen. Klager benadrukt ter zitting de uitspraken niet te hebben gedaan gezien zijn samenwerking met Van ’t Hek.
 
Verweerders stellen voor het profiel met vier mensen gesproken te hebben die met Van ’t Hek te maken hebben gehad. Omdat volgens hen Van ’t Hek jarenlang actief was in de operawereld, hebben verweerders zich gewend tot klager. Klager heeft verteld dat Van ’t Hek ‘wel een heel erg Van ’t Hekje’ en ‘Een heel aardige man, maar wel een beetje een fantast’ is, aldus verweerders. Verder sprak klager lovende woorden over Van ’t Hek als operadeskundige. Verweerders brengen naar voren dat klager stelt dat zij de positieve kwalificaties correct hebben weergegeven, maar de negatieve zouden zijn verzonnen.
Van der Laan weet volgens verweerders zeker dat klager deze woorden heeft gesproken. Geïnterviewden schrikken vaker van hun eigen uitspraken als deze zijn afgedrukt. Klager wist dat hij met een journalist sprak en dat hij werd geïnterviewd voor een artikel dat de volgende dag zou verschijnen, aldus verweerders. Zij hebben daarom geen enkele aanleiding gezien om gehoor te geven aan het verzoek van klager tot rectificatie en hebben hem de suggestie gedaan een ingezonden brief te schrijven. Verweerders hebben deze brief niet geplaatst, omdat klager Van der Laan als fantast wegzette. Klager heeft hierop getracht deze brief als ingezonden mededeling te plaatsen, maar dat lieten de regels van het advertentiebedrijf niet toe.
Een nadere discussie op de redactie heeft verweerders ertoe gebracht alsnog een herstelbericht te plaatsen. In dat bericht wordt niet ingegaan op de vraag wie gelijk heeft, maar wordt door verweerders gemeld dat klager zich distantieert van zijn woorden die Van der Laan uit zijn mond heeft opgetekend. In het aantekeningenboekje van Van der Laan staan de citaten van klager opgetekend zoals deze in het artikel zijn weergegeven. Verweerders geven toe dat dit geen overtuigend bewijs betreft.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat klager onjuist is geciteerd, waardoor zijn integriteit ten onrechte is aangetast. De inhoud van het gepubliceerde herstelbericht acht klager onvoldoende.
 
Klager heeft in zijn klaagschrift en in eerder contact met verweerders naar voren gebracht dat hij in het artikel niet juist is geciteerd. Verweerders menen dat de uitspraken van klager juist zijn weergegeven. Of de gepubliceerde citaten daadwerkelijk een onjuiste weergave zijn van hetgeen klager in het telefoongesprek over Van ’t Hek naar voren heeft gebracht, kan de Raad niet vaststellen. De Raad onthoudt zich met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook van een oordeel.
Verweerders hebben naar aanleiding van de discussie met klager besloten alsnog een herstelbericht te plaatsen. Naar het vaste oordeel van de Raad dient de journalist van wie blijkt dat hij onjuist dan wel op een wezenlijk punt onvolledig heeft bericht – zo mogelijk op eigen initiatief – op zo kort mogelijke termijn over te gaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting, die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat de berichtgeving in de te rectificeren publicatie of uitzending niet juist was. Indien een betrokkene die zich door de berichtgeving in redelijkheid tekortgedaan voelt, zelf reageert, neemt de redactie de vereiste zorgvuldigheid in acht bij de beslissing of – en zo ja, op welke wijze – de reactie van de betrokkene wordt gepubliceerd. (zie punt 6.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Uit het bericht van 8 oktober 2011 onder de kop ‘Herstel’ blijkt dat verweerders kennelijk hebben getracht aan klager tegemoet te komen door een rechtzetting te plaatsen. In het bericht wordt echter gesteld dat klager de gewraakte uitspraken wel degelijk heeft geuit.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders door enerzijds een herstelbericht te publiceren, maar anderzijds te benadrukken dat klager zijn uitspraken wel degelijk heeft geuit door de gekozen formulering de vermeende onjuistheden niet op een deugdelijke wijze rechtgezet. Verweerders hebben op dit punt journalistiek onzorgvuldig jegens klager gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de inhoud van het herstelbericht van 8 oktober 2011. Met betrekking tot de juistheid van de citaten in de publicatie van 24 september 2011 onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 december 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.