2011/81 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2011 (RvdJ 2011/51) betreffende zijn klacht tegen
 
de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 18 augustus 2011 met een bijlage heeft X (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 2 augustus 2011 inzake de klacht van verzoeker tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). Bij brief van 3 oktober 2011 heeft T. Rooms, hoofdredacteur a.i., op het herzieningsverzoek gereageerd en meegedeeld dat het eerder ingediende verweerschrift als het verweerschrift in de herzieningszaak dient.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 oktober 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 17 mei 2011 met twee bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen verweerder. Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 23 mei 2011 met twee bijlagen zijn klacht aangevuld. In een brief van 26 mei met twee bijlagen heeft T. Rooms, hoofdredacteur a.i., op de klacht geantwoord. Verzoeker heeft zijn klacht voorts verder aangevuld bij brief van 26 mei 2011 met twee bijlagen. Daarop heeft Rooms nog geantwoord in een brief van 15 juni 2011.
 
De klacht had betrekking op het artikel “Rapportage over landmeting wijst uit: geen ‘landjepik’ in [plaatsnaam]” van 14 mei 2011, het artikel “Ruzie over landjepik gaat verder” van 20 mei 2011 en de publicatie van verzoekers ingezonden brief onder de kop “Landjepik? Boerenbedrog!” op 26 mei 2011, en bevatte de volgende onderdelen:
  1. Het artikel van 14 mei 2011 bevat ten onrechte de naam en herleidbare adresgegevens van verzoeker.
  2. Ten aanzien van het artikel van 14 mei is ten onrechte geen wederhoor toegepast, waardoor een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven.
  3. Ten onrechte is bij het artikel van 20 mei 2011 gebruik gemaakt van de eerste versie van verzoekers ingezonden brief.
  4. Ten onrechte is bij de publicatie van de tweede versie van verzoekers ingezonden brief een aantal zinnen geschrapt.
 Bij uitspraak van 2 augustus 2011 (RvdJ 2011/51) heeft de Raad:
-          onderdeel 2. van de klacht gegrond verklaard;
-          zich onthouden van een oordeel over onderdeel 3. van de klacht;
-          onderdelen 1. en 4. van de klacht ongegrond verklaard.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Kort samengevat stelt verzoeker het navolgende.
Met betrekking tot het oordeel van de Raad over onderdeel 1. van de klacht betoogt verzoeker dat de Raad het artikel van 14 mei 2011 ten onrechte heeft gekwalificeerd als een vervolg op eerdere berichtgeving over bestuursrechtelijke procedures. Verzoeker is van mening dat er geen inhoudelijke band bestaat tussen dit artikel en die eerdere publicaties. Hij wijst er in dat verband op dat de erfgrenskwestie in de bestuursrechtelijke procedures als irrelevant is betiteld. Verzoeker maakt bezwaar tegen het vermelden van zijn naam en adresgegevens en wenst niet dat zijn naam in ‘vervolgen’ van artikelen wordt vermeld. Verder stelt verzoeker dat hij zijn buurman nooit van ‘landjepik’ heeft beschuldigd. Het mag misschien als ‘landjepik’ voelen bij zijn buurman, maar dat strookt niet met de feiten en de door verzoeker geuite doelstelling. Het woord ‘landjepik’ noch de strekking ervan kunnen dus reden zijn om het artikel als vervolgbericht aan te merken, aldus verzoeker. Hij meent dat het de journalist is kwalijk te nemen dat deze is meegegaan met het verhaal van zijn buurman.
Ten aanzien van het oordeel van de Raad over onderdeel 2. van de klacht stelt verzoeker dat hij zich heeft beklaagd over allerlei aspecten en dat zijn aanhoudende klacht is dat verweerder onethisch handelt. In de uitspraak is de Raad ten onrechte niet ingegaan op álle punten van de klacht, aldus verzoeker.
Verzoeker stelt voorts dat de Raad zich ten aanzien van onderdeel 3. van de klacht heeft onthouden van een oordeel. Hij erkent dat juist is dat de Raad ter zake onvoldoende inzicht heeft in hetgeen tussen partijen daadwerkelijk is besproken. Niettemin meent verzoeker dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een oordeel van de Raad. In dat verband voert hij aan dat – zelfs indien zijn telefonisch contact met verweerder een gelegenheid is geweest om zijn visie gepubliceerd te krijgen – verwacht mag worden dat de essentie en strekking van hetgeen hij mondeling heeft aangereikt, juist worden weergegeven en dat de citaten stroken met hetgeen hij heeft gezegd. Dat is echter niet het geval geweest; dat wat in het artikel staat is aantoonbaar onjuist en niet consistent met verzoekers eerder en naderhand publiek gemaakte woorden. Verder was naar de mening van verzoeker voldoende duidelijk wat de strekking van het telefoongesprek was: de publicatie van zijn ingezonden brief. In dat verband wijst verzoeker erop dat het niet aannemelijk is dat hij tegenover verweerder zijn visie of weerwoord heeft gegeven, aangezien verweerder duidelijk op de hand is van zijn buurman. Verweerder heeft bovendien ten onrechte vóór de publicatie van de ingezonden brief al selectief en op onjuiste wijze informatie uit die brief gebruikt, aldus verzoeker.
Tot slot meent hij dat de Raad onderdeel 4. van de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Verzoeker meent dat met het schrappen van een aantal zinnen de essentie van zijn ingezonden brief wel degelijk is aangetast. Door het schrappen van de zinnen blijft de band tussen de artikelen voor de lezer buiten beschouwing, aldus verzoeker. Daarnaast heeft verzoeker expliciet gevraagd om te worden geconsulteerd indien wijzigingen zouden worden aangebracht in zijn brief en dat is niet gebeurd.
 
Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de klacht aangaande het artikel van 14 mei 2011 reeds door verzoeker is ingediend op het moment dat hij daarover nog volop in gesprek was met de redactie. In het gesprek met Van der Meijden is verzoeker de gelegenheid geboden zijn visie te geven op de kwestie. Naar aanleiding van dat contact is het artikel van 20 mei 2011 gepubliceerd. Bovendien is op 26 mei 2011 de door verzoeker ingezonden brief gepubliceerd. Dat dit laatste wat tijd in beslag heeft genomen, had te maken met het feit dat met verzoeker gecommuniceerd moest worden over het inkorten van de brief en de door verzoeker gewenste anonimiteit, aldus verweerder. Volgens hem is niet onzorgvuldig en/of tegen de basisregels van de journalistiek gehandeld.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a, lid 1, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
De herzieningskamer overweegt dat, gezien hetgeen daarover in artikel 10a lid 1 van het Reglement is bepaald, herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is.
 
Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd blijkt dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad.
 
Verzoeker heeft toegelicht dat een aantal door hem aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Naar het oordeel van de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoeker voldoende uit de uitspraak.
 
Verzoeker heeft verder aangevoerd dat de Raad zich ten onrechte heeft onthouden van een oordeel over het gebruik van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ook vindt verzoeker de kwalificatie van het artikel van 14 mei 2011 als ‘vervolg’ op eerdere berichtgeving niet juist. Voorts is verzoeker het niet eens met het oordeel van de Raad over het schrappen van een aantal zinnen in zijn ingezonden brief.
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 2 augustus 2011 (RvdJ 2011/51) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 28 november 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, drs. G.J.P. Kloosterhuis, M. Ülger en drs. ir. M.C.N. Mokveld, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.