2011/80 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
B. Lankester en L. Hinkema
 
tegen
 
P. Zethoven en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad
 
Bij brief van 6 september 2011 met drie bijlagen hebben B. Lankester en L. Hinkema te Hyppolytushoef (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen P. Zethoven en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft P. Hovestad, adjunct hoofdredacteur, namens verweerders geantwoord in een brief van 5 oktober 2011 met een bijlage. Klagers hebben daarop nog gereageerd in een e-mail van 20 oktober 2011 met een bijlage. Daarop heeft Hovestad ten slotte nog gereageerd bij e-mail van diezelfde dag.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 oktober 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 24 augustus 2011 is in het Noordhollands Dagblad een artikel van de hand van Zethoven verschenen onder de kop “Uitspraak kort geding week later”. Het artikel luidt als volgt:
“De rechtbank boog zich gisteren in kort geding over de eis van woningbouwvereniging Beter Wonen te Hippolytushoef dat stelselmatige beschadiging van de vereniging en personen moet stoppen.
De eis is gericht aan het adres van Bart Lankester en Elisabeth Hinkema uit Hippolytushoef. Door de Algemene Ledenvergadering weggestuurde leden. Gaan Lankester en Hinkema toch door met modder gooien dan dienen zij volgens advocaat P. van Reep namens Beter Wonen een dwangsom van 5000 euro te verbeuren met een maximum van een ton euro. Vaak volgt dezelfde dag nog uitspraak door de rechtbank. Nu volgt deze volgende week donderdag.
Lankester en Hinkema stellen het bestuur, volgens de woningbouwvereniging, voortdurend in een kwaad daglicht en verwijten het wanbeleid en frauduleuze transacties.”
 
Vervolgens is op 22 september 2011 in het Noordhollands Dagblad een artikel van Zethoven verschenen onder de kop “Beter Wonen verliest kort geding”. De intro van dit artikel luidt:
“Leden van de voormalige raad van toezicht (rvt) van woningbouwvereniging Beter Wonen mogen doorgaan zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en/of waarschuwend uit te laten over de Wieringer woningbouwvereniging.”
Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passage:
“Voorts kon de rechter niet uit de processtukken opmaken of de raad van toezicht was weggestuurd na een motie tijdens de algemene ledenvergadering, of dat de rvt zelf was opgestapt.”
Bij dit artikel is onder de kop “’Eenzijdig licht op de zaak’” een reactie van Lankester opgenomen en onder de kop “’Rechter komt ons tegemoet’” een reactie van de bestuursvoorzitter van Beter Wonen.
 
De klacht is gericht tegen het artikel van 24 augustus 2011.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat de publicatie misleidend en op een aantal punten onjuist is, en een ernstige inbreuk vormt op hun reputatie. Zij menen dat zij in de publicatie ten onrechte met naam en toenaam zijn genoemd, in een louter negatieve context. Verder wijzen klagers erop dat de journalist het ten onrechte laat voorkomen dat hij op de zitting bij de rechtbank is geweest en daar verslag van doet. Zij achten de term ‘modder gooien’ insinuerend en betwisten dat zij de woorden ‘frauduleuze transacties’ in de mond hebben genomen. Bovendien is onjuist dat zij door de Algemene Ledenvergadering zijn weggestuurd. Klagers wijzen erop dat zij in de procedure tegen Beter Wonen hebben betoogd dat de voormalige Raad van Toezicht, waarin Lankester zitting had, zelf is opgestapt. Hinkema heeft nooit in de Raad van Toezicht gezeten, zodat in haar geval in het geheel geen sprake is geweest van al dan niet wegsturen. Ten slotte stellen klagers dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast.
Klagers lichten verder nog toe dat zij de kwestie aan de Raad voorleggen, omdat Zethoven naar hun mening ook in voorgaande publicaties blijk heeft gegeven van een eenzijdige kijk op de zaken bij Beter Wonen. Zij hebben verschillende keren contact gehad met de krant, hetgeen echter niet tot een bevredigende oplossing heeft geleid.
 
Verweerders stellen allereerst dat klagers het recht hebben verspeeld om bij de Raad te klagen, nu Lankester een ruimhartig aanbod heeft afgeslagen om een toelichting te geven op het kort geding. Overigens menen verweerders dat zij niet behoefden terug te komen op het nieuwsbericht van 24 augustus 2011 en hadden kunnen verwijzen naar de uitspraak, waarover zij te zijner tijd zouden berichten.
Voor het geval de klacht niettemin inhoudelijk wordt behandeld, stellen verweerders dat de namen van klagers vermeld mogen worden. De publicatie heeft betrekking op een zaak die door betrokkenen in het volle licht van schijnwerpers wordt uitgevochten. Verder menen verweerders dat in de publicatie niet valt te lezen dat de journalist doet alsof hij bij de zitting was. Met betrekking tot de term ‘modder gooien’ stellen zij dat uit het artikel blijkt dat Beter Wonen dat zo ervaart, nu de term in één zin staat met de eis van de advocaat van Beter Wonen. De journalist heeft dit kort maar krachtig verwoord. In het artikel wordt voorts niet beweerd dat klagers de woorden ‘frauduleuze transacties’ in de mond hebben genomen, aldus verweerders. Verweerders stellen voorts dat het zelfs voor de rechter moeilijk te beoordelen was of klagers al dan niet waren weggestuurd, zoals in het artikel van 22 september 2011 is vermeld. Verweerders wijzen er in dat verband nogmaals op dat zij Lankester hebben aangeboden dit toe te lichten, hetgeen hij niet wilde.
Ten slotte menen verweerders dat het toepassen van wederhoor niet nodig was. Zij hebben slechts een berichtje geplaatst over het aanspannen van een kort geding en de inzet daarvan. Verweerders benadrukken dat zij niettemin Lankester in de gelegenheid hebben gesteld te reageren en dat hij dat alsnog uitgebreid heeft gedaan in de publicatie van 22 september 2011.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
Verweerders hebben voorop gesteld dat de Raad klagers niet in hun klacht zou moeten ontvangen, omdat klagers – kort gezegd – geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid een nadere toelichting te geven op het kort geding. Volgens verweerders hebben klagers daarmee hun recht verspeeld om bij de Raad te klagen.
 
Hoewel het verweerders siert dat zij na de gewraakte publicatie klagers hebben aangeboden hun visie op de kwestie toe te lichten, valt niet in te zien dat klagers – omdat zij van die gelegenheid om hen moverende redenen geen gebruik wensten te maken – geen belang meer hebben bij een oordeel van de Raad ter zake. Klagers zijn dan ook in hun klacht ontvankelijk.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt vast dat de gewraakte publicatie gaat over een civielrechtelijke procedure. In het algemeen bestaat geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure. Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klagers waardoor van dit uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is niet gebleken. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat verweerders hebben gesteld dat de kwestie door betrokkenen in het openbaar wordt uitgevochten, hetgeen door klagers niet is weersproken. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld door de namen van klagers te vermelden. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad)
 
De Raad overweegt verder dat het artikel van 24 augustus 2011 een feitelijke beschrijving van de rechtszaak behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Niet is gebleken dat de publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden.  Overigens zijn klagers later alsnog in de gelegenheid gesteld hun visie over de zaak uiteen te zetten. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
 
Anders dan klagers leest de Raad in het artikel niet dat de journalist het (ten onrechte) laat voorkomen dat hij bij de zitting aanwezig is geweest. Verder blijkt uit de publicatie voldoende duidelijk dat volgens de woningbouwvereniging klagers het bestuur ‘frauduleuze transacties’ verwijten. Het gebruik van de term ‘modder gooien’ is – bezien in de context – een toelaatbare parafrase van de mening van Beter Wonen.
De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op deze punten de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Dit ligt echter anders voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding dat klagers door de Algemene Ledenvergadering zijn weggestuurd. Klagers hebben gemotiveerd weersproken dat dit juist is. Voorts blijkt uit hetgeen verweerders hebben aangevoerd en de door hen overgelegde publicatie van 22 september 2011, dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of de raad van toezicht al dan niet was weggestuurd of zelf was opgestapt.

Gezien de aard van het conflict waarover is bericht, betreft dit een zodanige gevoeligheid en heeft de aanduiding ‘weggestuurde leden’ een dermate negatieve lading dat het op de weg van verweerders had gelegen om met het gebruik van die aanduiding bijzonder zorgvuldig en terughoudend te zijn. Door als feit te presenteren dat klagers ‘weggestuurde leden’ zijn, terwijl niet is gebleken dat dit juist is, hebben verweerders in dit geval journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op:
-          het vermelden van de namen van klagers;
-          de suggestie dat de journalist op de rechtszitting aanwezig was;
-          het gebruik van de term ‘modder gooien’;
-          het in de mond leggen van de bewering ‘frauduleuze transacties’;
-          het niet toepassen van wederhoor.
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op zin “Door de Algemene Ledenvergadering weggestuurde leden”.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Noordhollands Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 28 november 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, drs. G.J.P. Kloosterhuis en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.