2011/8 deels gegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
P.D. Harmsen en E.P.L. van Beek
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Veluweland.nl
 
Bij klaagschrift van 15 oktober 2010 met acht bijlagen heeft J.I. Woldring, directeur en senior adviseur van Iwécom In- en Externe Communicatie, namens mw. P.D. Harmsen en E.P.L. van Beek, Raad van Bestuur van de Harbek Groep te Apeldoorn (hierna: klagers), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Veluweland.nl (hierna: verweerder). Hierop heeft M.J. Scholten, hoofdredacteur Lokale Nieuwsmedia van BDU Uitgevers, in een brief van 1 november 2010 aan de Raad verzocht te bezien of in deze kwestie zou kunnen worden bemiddeld. De secretaris van de Raad heeft deze mogelijkheid onderzocht, waarbij haar is gebleken dat partijen niet konden instemmen met over en weer gestelde voorwaarden.
Vervolgens heeft voornoemde Scholten op de klacht geantwoord in een brief van 11 november 2010 met vier bijlagen. Hierna heeft voornoemde Woldring bij brief van 19 november 2010 de klacht nader toegelicht en nog diverse bijlagen overgelegd. Daarop heeft ten slotte D. Bleuel, plaatsvervangend hoofdredacteur, nog gereageerd in een schrijven van 26 november 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2010. Klagers en Woldring zijn daar verschenen. Namens verweerder waren voornoemde Bleuel en mw. J. Dijkstra, redactrice, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 1 september 2010 is op de voorpagina van Veluweland.nl een artikel verschenen van de hand van Dijkstra met de kop“Kinderopvang KNWV bestuurlijke puinhoop” en de onderkop “Kinderopvang opstap naar schimmige bv’s”. De intro van dit artikel luidt:
“Na de recente faillissementen van Harbek Shared Service Center B.V. (SSC) in ’t Harde en Stichting Peuterspeelzaal Nunspeet (SPN), hebben klokkenluiders een boekje opengedaan over het mismanagement dat, volgens hen, al voor het overgaan van de stichtingsvorm in de vele bv’tjes binnen de Harbek Groep (waar ook Kinderopvang Noordwest Veluwe onder valt) aan de orde was. Het is een verhaal over bestuurlijk falen, bedrog en onkunde, dat volgens de klokkenluiders een smet werpt op de Kinderopvang Noordwest Veluwe. Het is geen toeval dat zowel het failliete SSC als het failliete SPN onder dezelfde bestuurlijke organisatie vallen met als raad van bestuur het echtpaar Ernst van Beek en Patricia Harmsen.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Het is dit tweetal dat, volgens medewerkers uit alle geledingen binnen de organisatie, verantwoordelijk is voor een bestuurlijke puinhoop en een aaneenschakeling van conflicten. Met als triest dieptepunt niet afgedragen pensioenpremies (124.000 euro), onbetaalde loonbelasting en het onterecht doorsluizen van subsidiegelden tussen de vele schimmige bv’tjes die onder vlag van de Harbek Groep hingen, met als doel één fiscale eenheid te vormen. In werkelijkheid was het slechts franje en creëerde het een soort dekmantel voor ondoorzichtige situaties, zeg maar bedrog, doordat verkregen subsidies oneigenlijk werden gebruikt.”
en
“Het echtpaar Van Beek en Harmsen wilde af van de regeltjes binnen de stichtingsvorm en bouwden luchtkastelen in de vorm van bv’s en facilitaire diensten. Dit moest allemaal plaatsvinden vanuit een prachtig, maar duur pand in ’t Harde (…)”

Het artikel is vervolgd op pagina 3. Dit vervolgartikel bevat onder meer de volgende passages:
“,,Eén grote luchtballon”, oordeelden de klokkenluiders. ,,Er was immers geen geld om dit van de grond te krijgen en wij adviseerden de raad van bestuur dan ook de stekker eruit te halen.” Die adviezen werden echter stelselmatig genegeerd. ,,Het is ons bedrijf’, zo hield de raad van bestuur de medewerkers voor als er kritiek werd geuit op de handelswijze van dit bestuur.”
en
“Kort na de overname door KNWV bleek dat SPN failliet was. Het overgebleven subsidiegeld verdween in de KNWV die toen nog een stichting was.”
en
“Van Beek en Harmsen ontkennen alle aantijgingen, zeggen dat er geen conflicten waren en dat het juist heel goed gaat met het bedrijf en dat zij gaan uitbreiden.”
 
Diezelfde dag is op pagina 12 en 13 een achtergrondartikel geplaatst, eveneens van de hand van Dijkstra, onder de kop “Mismanagement oorzaak van faillissementen Harbek/KNWV”. De intro van dit artikel luidt:
“Mismanagement, bedrog, het stelselmatig afschuiven van verantwoordelijkheden, regelrechte onkunde en het ontbreken van de menselijke maat, lijken aan de basis te liggen van het recente faillissement van Shared Service Center BV in ’t Harde. Dit bedrijf was een van de vier werkmaatschappijen van Harbek Holding waaronder ook Kinderopvang Noordwest Veluwe (KNWV) BV, met vestigingen in onder andere Ermelo, Harderwijk, Doornspijk en binnenkort ook in Nijkerk.”
Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“En het lijkt haast geen toeval dat ook Stichting Peuterspeelzaal Nunspeet (SPN), die in januari 2009 failliet ging, kort voor het faillissement werd overgenomen door de toenmalige Stichting KNWV met aan het hoofd dezelfde bestuurders als het nu failliete SSC dat valt onder Harbek Groep.”
en
“Wie je ook spreekt binnen de organisatie Harbek Groep/KNWV, over één ding zijn de klokkenluiders het allemaal eens: ,,Het deugt niet wat daar gebeurt en gebeurd is.” Alleen al het verloop binnen de gehele organisatie, en dan met name in de managementlaag en pedagogische medewerkers spreekt boekdelen.”
en
“,,Het leek hier wel een duiventil”, zegt een vijftiental medewerkers uit alle geledingen binnen de organisatie. Zij willen liever niet met naam genoemd worden om de belangen van de mensen, die met grote liefde hun werk doen binnen de organisatie, niet te beschadigen. Wel willen ze nu eindelijk eens het mismanagement binnen de organisatie naar buiten brengen. Want bij de ontslagen was er één duidelijke overeenkomst: de mensen die vertrokken gingen weg met een conflict en kwamen regelmatig overspannen thuis te zitten. ,,Het lag nooit aan de bestuurders maar altijd aan de medewerkers die niet deugden”, vertellen de medewerkers. Zij willen echter de troebele zaken niet langer verhullen en alle misstanden nu aan de kaak stellen.”
en
“Binnen de organisatie werd volgens hen vaak genoeg tegengas gegeven aan de bestuurders. Er werden veelvuldig plannen uitgedacht en advies uitgebracht aan de raad van bestuur van Harbek Groen/KNWV, bestaande uit het echtpaar Ernst van Beek en Patricia Harmsen. Volgens de klokkenluiders de grote aanstichters van het kwaad binnen de organisatie. Met hen is het volgens de medewerkers dan ook begonnen: het spoor van wanorde, leugens, bedrog en bestuurlijke onkunde dat uiteindelijk resulteerde in de genoemde faillissementen.”

Het slot van het artikel bevat onder de tussenkop “Reactie Van Beek” onder meer de volgende passages:
“Ernst van Beek reageert verbaasd op de vernietigende kritiek van de medewerkers. ,,Het is allemaal onzin wat u nu zegt. Dat kunnen die mensen nu wel allemaal roepen maar daar is niets van waar.”
en
“,,Onze jaarrekeningen zijn netjes op tijd klaar en vorderingen kan men indienen bij de curator. Dit gebeurt soms met bedrijven. Het is ons niet gelukt maar we moeten nu weer verder.” Dat er veel verloop is geweest binnen de organisatie klopt volgens hem ook niet. ,,Er was juist heel weinig verloop. Natuurlijk waren er wel eens contracten die niet werden verlengd, maar conflicten waren er nauwelijks. Dit is u letterlijk op de mouw gespeld en ik maak me er zorgen over dat mensen ons willen beschadigen. Dat wijt ik aan de frustraties en het lijkt op een persoonlijke hetze.(…)””
Bij dit artikel is een foto van klager Van Beek geplaatst.
 
De artikelen, die tevens op de website van Veluweland.nl zijn geplaatst, worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de publicatie’. Op de website zijn onder de publicatie diverse reacties van lezers verschenen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat in de publicatie zware verdenkingen en beschuldigingen aan hun adres zijn geuit waarmee geen maatschappelijk belang is gediend, en die bovendien niet overeenstemmen met de uitgangspunten van professionele en onafhankelijke journalistiek. In de publicatie wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. De publicatie is eenzijdig en bestaat uit tendentieuze berichtgeving, aldus klagers. Verders stellen zij dat verweerder heeft verzuimd te onderzoeken of voor de geuite beschuldigingen een feitelijke grond aanwezig was. De informatie is gebaseerd op anonieme verklaringen van voormalige werknemers die in conflict zijn met de Harbek Groep. Klagers menen dat verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest bij zijn onderzoek van deze meningen.
Klagers menen dat de publicatie een onevenredig groot risico voor hen heeft opgeleverd. Zij worden (anoniem) bedreigd en een groot aantal reacties van lezers op de publicatie bevatten ernstige beschuldigingen. Diverse zakelijke afspraken zijn door relaties afgezegd en zakelijke contacten zijn eenzijdig verbroken. De publicatie heeft klagers aldus (im)materiële schade berokkend.
Voorts stellen klagers dat het principe van wederhoor niet correct is toegepast. Verweerder heeft geweigerd klagers vooraf het gehele artikel te laten lezen. Van Beek is voor de publicatie telefonisch door Dijkstra geïnterviewd, waarbij de afspraak is gemaakt dat klagers de tekst voor de publicatie te zien zouden krijgen om eventuele correcties uit te laten voeren. Op 31 augustus 2010 heeft Dijkstra echter slechts de tekstuele weergave van het telefonisch interview aan Van Beek gemaild. Van Beek heeft daarop laten weten dat de weergave op een aantal punten niet juist was. Dijkstra heeft geweigerd dit te corrigeren, omdat de publicatie al gedrukt was en de volgende dag zou verschijnen. Een aantal van haar informanten heeft daarentegen wél de gehele publicatie vooraf gezien, aldus klagers. Daarbij komt dat de weergave van het telefonisch interview met Van Beek niet waarheidsgetrouw en tendentieus van toon is. Ook de curator heeft te kennen gegeven dat hetgeen hij heeft gesteld, veelal onjuist is weergegeven.
Klagers maken er verder bezwaar tegen dat de publicatie van een buitengewone omvang was. Alleen al deze proportie suggereert een ernstige maatschappelijke misstand. Verweerder heeft zich daarbij bovendien bediend van een groot aantal anonieme bronnen, waardoor de controleerbaarheid van de publicatie een farce is. Klagers achten het zorgelijk dat het gaat om een relatief beperkte groep ex-medewerkers die in het verleden met een conflict zijn vertrokken. Verweerder heeft nagelaten en geweigerd medewerkers te raadplegen die nog steeds in dienst zijn van de Harbek Groep, zoals leden van de ondernemingsraad of het zittende management. Van een groot verloop van medewerkers is geen sprake, aldus klagers.
Zij stellen dat niet alleen de kop boven het achtergrondartikel feitelijk onjuist is, maar dat de publicatie ook verder wemelt van onjuistheden, verkeerde veronderstellingen en incorrecte gevolgtrekkingen. Anonieme bronnen worden positief-suggestief als klokkenluiders opgevoerd. Dijkstra baseert zich soms op gegevens die wederrechtelijk door bepaalde bronnen zijn verkregen.
Volgens klagers is voorts de privacy van Van Beek geschonden, nu zonder toestemming diens foto bij de publicatie is geplaatst.
Na de publicatie hebben klagers contact opgenomen met verweerder en hun bezwaren aan hem kenbaar gemaakt. Verweerder heeft toen te kennen gegeven open te staan voor informatie die het geschrevene zou logenstraffen en aanleiding zou kunnen zijn voor rectificatie. De eis van klagers om de publicatie van de website te verwijderen heeft verweerder echter naast zich neergelegd. Klagers hebben vervolgens niet ingestemd met de geboden mogelijkheid de inhoud van de publicatie te betwisten, nu weerleggende informatie geen enkel positief effect zou hebben en juist munitie zou kunnen vormen voor een volgend – negatief – artikel over hen. Op 16 september 2010 heeft nog een gesprek plaatsgevonden met Dijkstra en de directiesecretaris van BDU Uitgevers. Volgens klagers gaf Dijkstra tijdens dit gesprek wederom blijk van een stellige vooringenomenheid. Wegens een gebrek aan vertrouwen in een goed verloop van het gesprek, is dit ontijdig door klagers beëindigd.
Klagers wijzen erop dat verweerder uiteindelijk heeft erkend dat in de publicatie een aantal onjuistheden zijn vermeld. Van een rectificatie die verweerder heeft aangeboden, verwachten klagers geen heil als hun overige bezwaren niet worden gehonoreerd. Hetzelfde geldt voor een ingezonden artikel als weerwoord. Verder menen klagers dat een eventuele verwijdering van de tekst van de website niet kan afdoen aan het feit dat hen grote schade is toegebracht. Aangezien verweerder te kennen heeft gegeven aan een vervolgartikel te werken, hebben klagers bovendien juridische stappen ondernomen.
Klagers concluderen dat verweerder onzorgvuldige en onbehoorlijke journalistiek heeft bedreven en de Leidraad van de Raad op vele punten met voeten heeft getreden.
 
Verweerder stelt voorop dat het een van de taken van de pers is maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen. De organisatie van klagers ontplooit activiteiten in de kinderopvangsector, die deels worden gefinancierd met subsidies van verschillende overheden. Indien de redactie van een plaatselijke krant wordt getipt over wantoestanden in zo’n organisatie, die binnen het verschijningsgebied van de krant opereert, is het de taak van de redactie journalistiek onderzoek te verrichten naar de beweringen en daarover te publiceren indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Gezien het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend, is de omvang ervan niet disproportioneel, temeer omdat het een complexe materie betreft, aldus verweerder.
Hij wijst erop dat de informatie niet alleen is gebaseerd op verklaringen van anonieme bronnen, maar ook op verklaringen van een wethouder en de curator in het faillissement van één van de bedrijven van de Harbek Groep. Deze laatsten zijn in het artikel genoemd. Een aantal bronnen gaf er de voorkeur aan anoniem te blijven. Verweerder was van mening dat die bronnen een zodanig belang hadden bij anonimiteit, dat hij dit belang heeft gerespecteerd. De anonieme bronnen is steeds gevraagd hun beweringen met documenten te staven. Dat klagers bedreigd worden – hoe spijtig ook – kan niet voor rekening en risico van verweerder komen.
Verweerder stelt voorts dat hij klagers voldoende gelegenheid tot wederhoor heeft geboden. Al hetgeen in de gewraakte artikelen is gepubliceerd, is voorafgaand aan de publicatie in een lang telefoongesprek met Van Beek aan hem voorgelegd met het verzoek daarop te reageren. Ter zitting voegt Dijkstra hieraan toe dat zij in dat gesprek een aantal bronnen heeft genoemd en heeft duidelijk gemaakt om welke aantijgingen het ging. Zij heeft de indruk dat Van Beek bij het voeren van het telefoongesprek de ernst van de situatie heeft onderschat, maar dat kan haar niet worden verweten.
Voor zover de reactie van Van Beek relevant was, is deze in het artikel opgenomen. Tevoren is de weergave van het telefoongesprek ter inzage aan klagers gestuurd. Niet is afgesproken dat klagers het gehele artikel vooraf ter inzage zouden krijgen. Na publicatie is klagers de gelegenheid geboden om hun verdere visie te geven in een nader interview of ingezonden brief. Klagers hebben echter van beide mogelijkheden geen gebruik willen maken.
Verweerder stelt verder dat van een vooringenomen en eenzijdige aanpak geen sprake is. Hij heeft klagers laten weten dat hij het opnemen van een reactie van de ondernemingsraad in eerste instantie minder relevant vond, maar dat hij de OR mogelijk in een vervolgpublicatie aan het woord zou laten. Wel is contact gezocht met de oudercommissie, maar deze wilde geen reactie geven.
Voorts betwist verweerder dat sprake is van onjuiste berichtgeving. Met de kop “Mismanagement oorzaak faillissementen Harbek Groep/KNWV” is getracht de situatie kort weer te geven. Voor zover die kop al verwarring wekt, staat de situatie gelijk in de intro van het artikel duidelijk beschreven. Verder heeft verweerder erkend dat op een enkel punt sprake is van mogelijke onduidelijkheden. Deze zijn echter niet van zodanige aard, dat zij afdoen aan de strekking van het verhaal. Bovendien heeft verweerder zich direct bereid getoond om in een vervolgpublicatie op deze punten verduidelijking te geven. Overigens heeft de curator nimmer laten weten dat zijn woorden onjuist zouden zijn weergegeven.
Verweerder meent dat de forse bewoordingen worden onderbouwd door het feitenmateriaal. Hij bestrijdt de stelling van klagers dat Dijkstra moest aannemen dat bepaald materiaal wederrechtelijk is verkregen. Verweerder heeft de bronnen steeds gevraagd om hun beweringen met documenten te onderbouwen, juist nu een deel van de informanten in conflict was met klagers.
Ter zake van de publicatie van de foto van Van Beek stelt verweerder dat deze met diens toestemming is gemaakt.
Verweerder heeft van meet af aan open gestaan voor een verdere dialoog met klagers. Klagers hebben van de door verweerder aangeboden mogelijkheden geen gebruik willen maken en hebben expliciet verklaard geen vertrouwen te hebben in Dijkstra. In hun klaagschrift hebben klagers opnieuw vermeld dat zij geen heil zien in een rectificatie en evenmin in de publicatie van een ingezonden brief. Per saldo blijven klagers het verweerder op die wijze onmogelijk maken om terug te komen op onvolkomenheden in de publicatie.
Ten aanzien van het verwijderen van publicaties van internet stelt verweerder nog dat dit medium grotendeels buiten zijn invloedssfeer ligt. Verweerder wil de publicatie niet van zijn eigen site verwijderen, omdat daarmee de integriteit van het digitaal archief van Veluweland.nl wordt aangetast. Verweerder heeft op de internetpublicatie een groot aantal reacties ontvangen, waarvan de meeste de teneur van de publicatie onderschrijven. De reacties van de lezers waren niet dusdanig van inhoud, dat zij verwijderd hadden moeten worden, aldus verweerder.
Hij wenst zich bovendien niet te onthouden van verder journalistiek onderzoek, hoezeer dit door klagers als ‘wroeten’ wordt beschouwd. Voorts wil verweerder niet op voorhand afzien van mogelijke vervolgpublicaties. Indien nader onderzoek voor de lezers relevante informatie oplevert, zal verweerder deze publiceren. Ondertussen heeft verweerder op 10 november 2010 een nieuw artikel over de Harbek Groep gepubliceerd, dat diezelfde dag ook op de website is geplaatst. Het artikel is gebaseerd op het faillissementsverslag van 27 oktober 2010 van de curator in het faillissement van Harbek Service Center. In zijn verslag meldt de curator dat hij klagers aansprakelijk stelt voor het tekort in het faillissement, omdat hij tot de voorlopige conclusie is gekomen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Het bestuur van de Harbek Groep is het niet met de curator eens en is ‘doende de verwijten van de curator te weerleggen’. De bevindingen van de curator zijn door verweerder aan Van Beek voorgelegd teneinde hem in de gelegenheid te stellen weerwoord te leveren. De reactie van Van Beek is in het artikel opgenomen. Verweerder ziet in het faillissementsverslag veel bevestigd van hetgeen in de gewraakte publicatie door hem naar buiten is gebracht.
Verder wijst verweerder erop dat klagers hem hebben laten weten dat zij naast de klacht bij de Raad en de vordering in kort geding, te zijner tijd ook nog een bodemprocedure tegen verweerder zullen starten. In deze procedure willen klagers de door hen ten gevolge van de publicatie geleden schade gaan vorderen.
Verweerder concludeert dat indien de publicatie op zichzelf al klachtwaardig zou zijn, hij vervolgens alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag om recht te doen aan de belangen van klagers. Dat zij van de geboden mogelijkheden geen gebruik hebben willen maken, kan hem niet worden verweten.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht kan naar het oordeel van de Raad worden onderverdeeld in de volgende onderdelen:
  1. de berichtgeving bevat diverse ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers, terwijl daarvoor onvoldoende grondslag bestaat;
  2. verweerder heeft onvoldoende wederhoor bij klagers toegepast;
  3. er is sprake van tendentieuze berichtgeving, waarbij onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen.
  4. de privacy van klagers is, zowel in woord als in beeld, ongerechtvaardigd aangetast.
 
In de publicatie is aandacht besteed aan de handelwijze van klagers als Raad van Bestuur van de Harbek Groep, welke organisatie zich richt op de kinderopvangsector. Daarbij is aandacht besteed aan enkele faillissementen binnen deze organisatie en de redenen die daaraan volgens verschillende bronnen ten grondslag hebben gelegen.
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klagers bij mismanagement of onoorbare praktijken in de kinderopvangsector. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)
 
Ad 1.
Klagers hebben gesteld dat verweerder betreffende een aantal aan de orde gestelde zaken – onder meer het oneigenlijk gebruik van subsidiegelden en het dwingend optreden van het bestuur – niet waarheidsgetrouw heeft bericht en ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan hun adres heeft geuit.
De Raad meent dat op dit punt voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis van de feiten nodig is dan waarover de Raad beschikt. Gezien de complexiteit van de materie, kan de Raad dan ook geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand feitenonderzoek. De procedure bij de Raad leent zich echter niet voor een dergelijk onderzoek. Nu de Raad niet kan vaststellen of voor de beschuldigingen aan het adres van klagers een deugdelijke grondslag bestaat – waarbij opmerking verdient dat verweerder de gepubliceerde beschuldigingen voor een groot deel baseert op anonieme bronnen en door dezen ter beschikking gestelde documenten die niet aan de Raad zijn overgelegd – onthoudt hij zich van een oordeel over dit onderdeel van de klacht. (vgl. RvdJ 2009/14)
 
Ad 2.

Niet ter discussie staat dat Dijkstra een week voorafgaand aan de publicatie contact met Van Beek heeft gehad en deze daarbij heeft geconfronteerd met de door haar verkregen informatie. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd acht de Raad het aannemelijk dat Van Beek de strekking van de publicatie voldoende duidelijk moet zijn geweest. Diens reactie is vervolgens duidelijk in het artikel verwerkt, nadat hij de weergave van het gesprek vooraf ter inzage heeft ontvangen. Niet is gebleken dat Dijkstra met Van Beek heeft afgesproken dat zij hem vooraf de tekst van de hele publicatie zou toesturen en zij was daartoe ook anderszins niet gehouden. Naar het oordeel van de Raad is voorts niet aannemelijk geworden dat verweerder met de wijze waarop hij de reactie van Van Beek in de publicatie heeft weergegeven, journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. (vgl. punt 2.8.1. van de Leidraad)
Dat Van Beek wellicht niet voldoende adequaat op alle door Dijkstra aan hem voorgelegde informatie heeft gereageerd, kan verweerder niet worden verweten. Daarbij komt dat verweerder na de publicatie aan klagers nog heeft aangeboden hun visie op de kwestie verder uiteen te zetten in een te publiceren interview of ingezonden brief. Van die mogelijkheid hebben klagers echter geen gebruik willen maken. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
 
Ad 3.
Het voorgaande neemt niet weg dat de journalist in zijn berichtgeving een duidelijk onderscheid behoort te maken tussen feiten, beweringen en meningen en tendentieuze berichtgeving dient te vermijden. Dit brengt mee dat op de journalist de verantwoordelijkheid rust zoveel mogelijk een genuanceerd beeld te schetsen van de kwestie waarover hij bericht. (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad)
 
In de publicatie wordt de (financiële) handelwijze van klagers als bestuurders van de Harbek Groep aan de orde gesteld. Daarbij is in de intro van het grote achtergrondartikel een opsomming gemaakt van zaken die klagers op financieel, beleids- en personeelsgebied zouden zijn te verwijten: ‘mismanagement, bedrog, het stelselmatig afschuiven van verantwoordelijkheden, regelrechte onkunde en het ontbreken van de menselijke maat’. De inhoud en strekking van de publicatie als geheel genomen is ten aanzien van klagers zeer kritisch, waarbij aan de lezers de indruk wordt gegeven dat sprake is van ernstig wanbeleid en wellicht van onoorbare praktijken.
Gelet op het feit dat het hier – zoals de Raad onder 1. heeft overwogen – een complexe materie betreft, had verweerder terughoudender en met een gematigder toon ten aanzien van het handelen van klagers dienen te berichten. Door de beschuldigingen aan het adres van klagers zodanig zwaar aan te zetten en daarbij gepresenteerde meningen onvoldoende te onderscheiden van de in de publicatie weergegeven feiten, heeft verweerder op dit punt journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld.
 
Ad 4.
Gelet op hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de maatschappelijke relevantie van de publicatie, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van klagers bij de bescherming van hun privacy onvoldoende heeft afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. Klagers vormen samen de raad van bestuur van de Harbek Groep en zijn als zodanig (ook in de registers van de Kamer van Koophandel) kenbaar voor het publiek. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat de privacy van klagers door het vermelden van hun namen en het plaatsen van een foto van Van Beek disproportioneel is geschaad. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Ten overvloede overweegt de Raad dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Het is dan ook niet aan de Raad om te beoordelen of sprake is van schending van het portretrecht van Van Beek als bedoeld in de Auteurswet.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de algehele toonzetting van de publicatie en het onvoldoende onderscheid maken tussen feiten, beweringen en meningen daarin. De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het onvoldoende toepassen van wederhoor en het schenden van de privacy van klagers. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Veluweland.nl en op zijn website te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 9 februari 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. E.J.M. Lamers, mw. F. Santing en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.