2011/79 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Stentor
 
Bij brief van 6 september 2011 met twee bijlagen heeft mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Stentor (hierna: verweerder). A. Engbers, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 22 september 2011 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 oktober 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 22 augustus 2011 is in de Stentor een artikel verschenen onder de kop “Hulshorstenaar sticht branden”. Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Een familie uit Hulshorst werd een jaar lang opgeschrikt door brandjes op haar erf. Uiteindelijk pakte de politie hiervoor een man op, die een onderkomen van het gezin huurde. Dat kwam best hard aan bij de familie. Vijf branden telde de familie, de laatste op 17 juli vorig jaar.”
en
“De politie had camera’s geplaatst om de brandstichter te pakken. Op beelden hiervan is te zien hoe een man rondspookte bij de kapschuur ten tijde van de brand. Het zou om [X, aangeduid met initialen] gaan. De ene keer zegt hij dat hij het is, de andere keer ontkent hij dat. Hij is sowieso vaag over wat hij de bewuste avond deed rond de brandjes.”
en
“Aanvankelijk werd hij verdacht van alle vijf de keren dat er brand werd gesticht, maar dat was niet hard te maken. De brandstichting op 17 juli 2010 bleef over en daarvoor vond de officier van justitie 2,5 maanden gevangenisstraf op zijn plaats. Daarnaast ging hij voor een halfjaar voorwaardelijke celstraf plus de maximale werkstraf van 240 uur. (…) Uitspraak op 2 september.”
 
Vervolgens is op 3 september 2011 in de Stentor een artikel verschenen onder de kop “Hardenees vrijgesproken van brandstichting”. In het artikel is vermeld:
“[X, aangeduid met initialen] uit ’t Harde, die een familie uit Hulshorst zou hebben laten schrikken door in ieder geval één brandje op haar erf te stichten, is door de rechtbank in Zutphen vrijgesproken.
De rechtbank kon namelijk niet uitsluiten dat iemand anders voor de fik had gezorgd.
Het simpele feit dat [X] in de buurt van de brandjes was, is volgens de rechtbank onvoldoende bewijs dat hij de dader is. [X] huurde een onderkomen bij de familie, die in een jaar tijd te maken had met vijf brandjes op het eigen terrein. [X] werd verweten dat hij voor het brandje op 17 juli 2010 verantwoordelijk was. Voor meer branden had de officier van justitie geen bewijs.
[X] was in die periode erg gestrest en dronk veel alcohol. Hij weet naar eigen zeggen niet meer wat hij deed omtrent het tijdstip van het brandje, maar ontkende twee weken geleden dat hij de dader was.
De officier van justitie had toen 2,5 maanden gevangenisstraf, een halfjaar voorwaardelijke celstraf plus de maximale werkstraf van 240 uur geëist. De 2,5 maanden heeft [X] al uitgezeten in voorarrest.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt ten aanzien van het artikel van 22 augustus 2011 dat de journalist geen objectiviteit heeft betracht. Hij wijst in dit verband op de veelzeggende kop; in de ogen van de journalist heeft hij klaarblijkelijk de branden gesticht en is hij de dader. Het lijkt de opvatting van de journalist te zijn dat klager niet alleen de brand van 17 juli 2010 maar ook vier andere branden heeft gesticht, maar dat er te weinig bewijs is om hem daarvoor te vervolgen. Klager wijst erop dat op 17 juli 2010 slechts één brand is gesticht en dat de journalist schrijft dat klager ‘tussen de brandjes/vuurtjes sowieso niet weet wat hij deed’. Verder stelt klager dat de opvatting van het openbaar ministerie uitgebreid is weergegeven, maar de opvatting van de verdediging niet is terug te vinden in het artikel.
Met betrekking tot het artikel van 3 september 2011 voert klager aan dat ook hier geen objectiviteit is betracht. Volgens klager blijkt uit het stuk dat de journalist onbegrip heeft voor de vrijspraak. Hij acht dit zeer kwalijk. Verder wijst hij erop dat opnieuw de vier branden ter sprake komen, waarvoor hij niet is vervolgd. Overigens wordt klager in deze publicatie niet de ‘Hulshorstenaar’ maar ‘Hardenees’ genoemd.
 
Verweerder stelt dat hij heeft bericht over deze rechtbankzaak vanwege het belang van de zaak voor de betreffende gemeenschap. Het was voor de redactie de reden bij de behandeling van de zaak én de uitspraak door de rechtbank aanwezig te zijn. De verslaggever heeft beide keren feitelijk en objectief verslag gedaan.
Volgens verweerder komen in het artikel van 22 augustus 2011 zowel de opvatting van het OM als ook de opvatting van de verdachte en van de betrokken familie aan de orde. Zoals gebruikelijk zijn van de verdachte enkel de initialen en leeftijd vermeld. Verweerder meent dat de kop preciezer zou zijn geweest als er had gestaan “Hulshorstenaar verdacht van brandstichting” of “’OM: Hulshorstenaar sticht branden’”. Dat neemt echter niet weg dat uit de inhoud van het artikel duidelijk blijkt dat klager slechts verdachte is én dat de rechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan, aldus verweerder.
Hij stelt verder dat ook het artikel van 3 september 2011 geen gebrek aan objectiviteit laat zien. Het artikel begint met de conclusie dat klager is vrijgesproken. Daarna volgt een korte samenvatting van de feiten zoals die zijn vermeld in het artikel van 22 augustus 2011. Anders dan klager leest verweerder in het artikel niet dat de journalist onbegrip heeft voor de vrijspraak. Volgens verweerder is het een kort en bondig feitenrelaas.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat het – volgens zijn vaste oordeel – in het kader van verslaggeving over rechtszaken toelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2010/27)
 
Met betrekking tot de publicatie van 22 augustus 2011 overweegt de Raad dat verweerder met de inhoud van het artikel als zodanig niet journalistiek onzorgvuldig over de kwestie heeft bericht. De publicatie behelst een overwegend feitelijke weergave van de zaak, waarbij tevens voldoende aandacht is besteed aan de visie van klager.
Echter, het gebruik van de kop “Hulshorstenaar sticht branden” maakt dat verweerder met de publicatie wel de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Raad kan de inhoud van het artikel als gevolg van de te zwaar aangezette kop niet meer objectief worden gelezen. De feitelijk gestelde kop kan immers niet anders worden opgevat dan dat klager daadwerkelijk meerdere branden heeft gesticht. Het artikel zal vervolgens worden gelezen vanuit het perspectief van de kop, waarbij de lezer zich moeilijk aan de onjuiste indruk zal kunnen onttrekken dat klager schuldig is aan het plegen van meerdere strafbare feiten. De klacht is dan ook gegrond voor zover gericht tegen het artikel van 22 augustus 2011.
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de publicatie van 3 september 2011, is deze echter ongegrond. De inhoud van het artikel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de journalist onzorgvuldig over de kwestie heeft bericht. De publicatie behelst een verslag van de uitspraak van de rechtbank, waarbij informatie uit het artikel van 22 augustus 2011 wordt herhaald. Dat klager in dit artikel is aangeduid als ‘Hardenees’ en niet opnieuw als ‘Hulshorstenaar’ is niet een zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek ontoelaatbaar zou hebben gehandeld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat klager ten tijde van de branden in Hulshorst woonde en daarna is verhuisd naar ’t Harde.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover gericht tegen het artikel van 22 augustus 2011. De klacht is ongegrond voor zover gericht tegen het artikel van 3 september 2011.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Stentor te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 28 november 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, drs. G.J.P. Kloosterhuis en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.