2011/77 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2011 (RvdJ 2011/43) betreffende de klacht van
 
X
 
Bij brief van 22 juli 2011 heeft E. van Dijk, adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 5 juli 2011 inzake de klacht van X (hierna: klager) tegen de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden. Klager heeft bij brief van 8 augustus 2011 op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 september 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 22 februari 2011 met twee bijlagen heeft klager een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden betreffende het artikel onder de kop “Kinderporno op laptop conciërge” met de subkop “Officier eist werkstraf tegen [Woonplaats]enaar” van 10 november 2010. Vervolgens heeft verzoeker bij e-mailbericht van 6 april 2011 aan de Raad bericht dat de chef verslaggeverij Drenthe in gesprek is gegaan met verweerder en dat hij verwacht dat de zaak in der minne kan worden geschikt. Aangezien partijen er uiteindelijk niet in zijn geslaagd te komen tot een voor beide partijen bevredigende oplossing van de kwestie, heeft verzoeker bij brief van 2 mei 2011 met een bijlage op de klacht gereageerd. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan de strafzaak van klager.
 
Bij uitspraak van 5 juli 2011 heeft de Raad de klacht van klager gegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“Ten tijde van de publicatie had de rechter nog geen uitspraak gedaan over hetgeen klager ten laste was gelegd. Het artikel laat de lezer echter weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat al is vastgesteld dat klager ook daadwerkelijk strafbaar heeft gehandeld.”
en
Gelet op de zware beschuldiging en de gevoeligheid van het onderwerp – hetgeen te meer klemt, omdat klager hoofdconciërge was op een school – had het in de rede gelegen als verweerder evenwichtiger en meer genuanceerd over de strafzaak tegen klager had bericht.

Zo had hij bijvoorbeeld niet met stelligheid behoren te vermelden dat sprake was van ‘nog eens 184 kinderpornoplaatjes’ op de computer van klagers vriendin. Het vonnis – met de daarin weergegeven tenlastelegging – biedt in ieder geval voor deze bewering onvoldoende grondslag, nu daarin wordt gesproken over een totaal van 63 foto’s en 1 film. Verder heeft verweerder erkend dat van ‘huiszoeking’ – binnen in een woning zonder toestemming van de bewoner – geen sprake is geweest. Deze onzorgvuldigheid versterkt het negatieve effect van de berichtgeving.
en
Verweerder had bovendien uit eigen beweging dienen te berichten over de vrijspraak van klager in de strafzaak, te meer nu in de berichtgeving van 10 november 2010 de indruk is gewekt dat klager het ten laste gelegde strafbare feit daadwerkelijk had begaan en hij vervolgens is vrijgesproken. Naar het oordeel van de Raad valt verweerder niet alleen te verwijten dat hij die uitspraak niet direct – kort na het wijzen van het vonnis op 23 november 2010 – heeft gepubliceerd, maar tevens dat verweerder dit heeft nagelaten nadat hij door klager op zijn verzuim was gewezen.
Dat partijen met elkaar in overleg waren getreden over een op te nemen herstelbericht en dat zij het over de tekst daarvan niet eens werden, ontslaat verweerder niet van zijn verplichting de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheden – waaronder begrepen het eerste verzuim de uitspraak van de rechter te publiceren – zo spoedig mogelijk uit eigen beweging recht te zetten. Dat klager inmiddels de onderhavige klacht bij de Raad had ingediend, kan aan het voorgaande niet afdoen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker stelt dat de kern van het herzieningsverzoek is dat ten onrechte is geoordeeld dat verzoeker onzorgvuldig heeft bericht over de strafzaak en dat hij heeft verzuimd te berichten over de uitspraak in deze zaak. Hij merkt in dat kader op dat hij ten tijde van de berichtgeving over de zitting niet heeft kunnen beschikken over het vonnis dat weken later is uitgesproken. Tijdens de rechtszitting is wel degelijk gesproken over 184 kinderpornografieafbeeldingen op de computer van de vriendin van klager. De officier van justitie heeft dit naar aanleiding van de uitspraak van de Raad nogmaals bevestigd.
Voorts heeft in de strafzaak inderdaad geen huiszoeking maar een huisbezoek plaatsgevonden. Materieel maakt dit weinig verschil omdat tijdens dit huisbezoek de computer van de vriendin van klager is meegenomen met daarop de kinderpornografie.
Tevens is het verzoeker niet duidelijk op grond van welke norm van de Leidraad van de Raad, de Raad zich in de uitspraak beroept op het verzuim van het melden van de uitspraak in de strafzaak.
 
Klager stelt verbaasd te zijn dat verzoeker om herziening vraagt. Hij wijst erop dat verzoeker bij de rechtszitting te laat arriveerde en voortijdig de zitting verliet. Klager betreurt het dat verzoeker de publicatie niet duidelijk heeft gerectificeerd en niet heeft erkend welke schade is aangericht. Ondanks het verzoek tot herziening blijft de gewraakte berichtgeving tendentieus en misleidend, aldus klager. Hij meent dat de berichtgeving geen verslag van de zitting betreft en onjuistheden bevat. Zo zijn het verweer en woorden van klager ter zitting niet in de berichtgeving opgenomen.
Klager stelt dat de tenlastelegging in de dagvaarding centraal stond en daarin niet wordt gesproken over de aanwezigheid van kinderpornografie op de computer van zijn ex-vriendin. Hoewel verzoeker voorafgaand aan de zitting niet kon beschikken over het vonnis, kon hij wel kennis nemen van de dagvaarding.
Verder verbaast het klager dat verzoeker navraag heeft gedaan bij de officier van justitie, terwijl uit eerdere e-mailcorrespondentie duidelijk werd dat verzoeker beschikte over het requisitoir. Hij benadrukt dat in alle stukken van de zaak wordt gesproken over 63 afbeeldingen. Hij ziet geen reden waarom de officier van justitie hier ter zitting van af zou wijken.
Daarnaast bestaat volgens klager een groot verschil tussen een huiszoeking of een huisbezoek. Hij benadrukt dat de berichtgeving een negatief en suggestief beeld ademt waarbij de verdachte bij voorbaat is veroordeeld. Uit het feit dat verzoeker ter discussie stelt dat weinig verschil bestaat tussen een huiszoeking en huisbezoek door de politie, blijkt dat hij onvoldoende streeft naar zorgvuldigheid.
Klager meent verder dat het verzuim inzake het melden van de uitspraak geen wettelijke, maar slechts een morele verplichting betreft.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Het verzoek bevat – samengevat weergegeven – de volgende onderdelen:
  1. verzoeker heeft zich bij het berichten over de zitting niet kunnen baseren op het vonnis;
  2. de officier van justitie heeft bevestigd dat tijdens de rechtszitting over 184 afbeeldingen is gesproken;
  3. verzoeker kan zich niet vinden in de overwegingen van de Raad over het gebruik van de term huiszoeking;
  4. het oordeel van de Raad over het verzuim van het melden van de uitspraak, betreft geen norm uit de Leidraad van de Raad.
De Raad overweegt dat verzoeker stelt dat hij zich bij het berichten over de zitting niet heeft kunnen baseren op het vonnis. Uit de passage ‘Het vonnis – met de daarin weergegeven tenlastelegging – biedt in ieder geval voor deze bewering onvoldoende grondslag’ in de uitspraak van de Raad is echter niet gebleken dat het oordeel berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De inhoud van de tenlastelegging waar de Raad op doelt – die tevens is opgenomen in het vonnis – was voorafgaand aan de rechtszitting bekend en beschikbaar voor verzoeker. In het oordeel van de Raad wordt overigens tevens overwogen dat ten tijde van de publicatie de rechter nog geen uitspraak had gedaan.
 
Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat de officier van justitie zou hebben bevestigd dat de aanwezigheid van kinderpornografie op de laptop van de vriendin van klager ter zitting zou zijn besproken. In dit kader is het dan ook evenmin aannemelijk dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
Ten slotte blijkt uit hetgeen verzoeker verder naar voren heeft gebracht dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad met betrekking tot de overwegingen betreffende de term ‘huiszoeking’ en het verzuim van het melden van de uitspraak. Dit is echter onvoldoende grond om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
Naar het oordeel van de Raad heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing. (vgl. RvdJ 2011/64)
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 november 2011 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, A. Mellink MPA en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.