2011/76 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (SBS6 en Endemol Nederland BV)
 
Bij brief van 25 mei 2011 heeft mr. F.P. Holthuis, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (hierna: verweerder). Hierop heeft Peter R. de Vries geantwoord in een brief van 1 september 2011 met 11 bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 september 2011. Namens klager was voornoemde mr. Holthuis aanwezig. Verweerder is verschenen, vergezeld door K. van der Spek, verslaggever.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad opnamen bekeken van de gewraakte uitzendingen van 10 en 17 april 2011 alsmede van een uitzending van 25 november 2007.
 
DE FEITEN
 
Op 10 april 2011 heeft SBS6 een aflevering van het televisieprogramma ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ uitgezonden. In de uitzending wordt aandacht besteed aan de situatie dat veroordeelden uit Suriname een nieuw bestaan in Nederland kunnen opbouwen en strafvervolging en/of strafexecutie ontlopen. Het programma opent met:
“Als er een TBS’er die zijn straf er bijna op heeft zitten niet terugkeert van een weekendje verlof, is Nederland vaak te klein en kan de minister Kamervragen, spoeddebatten en moties van afkeuring tegemoet zien. Wat gebeurt er nu als negen ontsnapte voortvluchtige criminelen uit Suriname, die bijna nog geen dag van hun straf hebben uitgezeten, en waaronder tot twintig jaar cel veroordeelde moordenaars hier onder hun eigen naam gewoon een nieuw leven opbouwen? Wel: dan gebeurt er helemaal niks.”
Over klager is onder meer bericht:
“Misschien wel het meest stuitende voorbeeld van dubbele moraal onder de Nederlandse pers en politiek is [X]. Want terwijl Nederland aan de ene kant op de achterste benen staat als een bijna afgestrafte TBS’er niet terugkeert naar de kliniek tijdens een weekeind verlof, laat men deze ontsnapte moordenaar willens en wetens gewoon lopen. Willens en wetens, want van zijn verblijf hier zijn alle autoriteiten al heel erg lang op de hoogte. 3,5 jaar geleden spoorden wij hem al op in Den Haag. De Hagenees [X] had begin jaren negentig zijn vader doodgeschoten tijdens een familiebezoek in Suriname. Hij had hem bovendien ook nog eens een flinke som geld afhandig gemaakt; een keiharde roofmoord dus. [X] werd in Paramaribo onherroepelijk tot 18 jaar cel veroordeeld, maar wist binnen een jaar uit de gevangenis te ontsnappen en nam de benen naar Nederland. In 1997 werd hij echter al door zijn ex-vriendin, die hij in het verleden zwaar had mishandeld, herkend in een club in Den Haag. De vrouw had via-via gehoord dat haar ex een moord had gepleegd in Suriname en ze zocht de publiciteit. Het werd een kwestie die leidde tot Kamervragen.”
en
“En wat blijkt, in plaats van zich heel erg koest te houden na de mishandeling van zijn vriendin, de moord op zijn vader en de twee ontmaskeringen, blijkt hij nu weer verwikkeld in een heuse oplichtingzaak. [X] heeft nota bene zijn eigen advocaat Gerard Spong beduveld.”
en
“Dus even resumerend. De overheid laat in 1997 een gezochte moordenaar lopen en biedt hem een baan aan. [X] werkte immers in 2007 voor Rijkswaterstaat. Als er dan nogmaals op de zaak wordt gewezen volgt opnieuw geen arrestatie, maar schiet de overheid de veroordeelde moordenaar weer te hulp. Deze keer in de vorm van een uitkering.”
In de uitzending worden diverse familieleden van klager aan het woord gelaten. Klager is onherkenbaar in beeld gebracht, zijn volledige naam is herhaaldelijk vermeld.
 
In de vervolguitzending van 17 april 2011 is kort gerefereerd aan de uitzending van 10 april. De uitzending heeft voornamelijk betrekking op een andere zaak.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in de gewraakte uitzendingen sprake is van onjuiste c.q. onvolledige berichtgeving, waarbij zijn privacy verder is aangetast dan in het kader van de berichtgeving noodzakelijk was.
Ter toelichting brengt klager naar voren dat hij in 1993 in Suriname is aangehouden op verdenking van moord c.q. doodslag op zijn vader en vervolgens in verzekerde bewaring is genomen. In 1994 is hij bij een bezoek aan een ziekenhuis gevlucht en enige tijd later naar Nederland vertrokken. Datzelfde jaar is hij wegens gekwalificeerde doodslag door de kantonrechter in Suriname bij verstek veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf. De rechter in Nederland heeft niet kunnen vaststellen of dit vonnis is betekend aan klager, zodat het vonnis nooit onherroepelijk is geworden.
Volgens klager heeft hij zich bij aankomst in Nederland direct gemeld bij de politie. Tot twee maal toe is hij formeel aangehouden zodat de politie een en ander kon verifiëren. Dit heeft niet geleid tot verdere actie en hij is in vrijheid gesteld. In 1997 heeft de minister van Justitie zijn ambtgenoot in Suriname erover geïnformeerd dat klager zich in Nederland bevond. Verder is door de Nederlandse autoriteiten verzocht om aanvullende stukken, die echter nooit zijn ontvangen. Het ingezette proces tot overname van de strafvervolging is daarmee spaak gelopen, aldus klager.
Na een televisie-uitzending van verweerder in 2007 is door Suriname aan Nederland verzocht om strafvervolging in te stellen. In mei 2008 is klager aangehouden en in bewaring gesteld. Vervolgens is de vordering tot gevangenhouding, wegens gebrek aan wettelijke gronden, afgewezen. Klager bleef wel verdachte en het strafrechtelijke onderzoek is de voltooiing genaderd met de inhoudelijke behandeling van de zaak in augustus 2011. Omdat een deel van het strafdossier tijdens een brand in Suriname verloren is gegaan, is de strafrechtelijke procedure helemaal opnieuw gedaan. Dit brengt mee dat klager thans in eerste aanleg wordt vervolgd. Klager wijst erop dat medewerkers van verweerder ten minste één zitting hebben bijgewoond en volledig op de hoogte zijn van de stand van zaken in het onderzoek.
Klager stelt dat hij goede redenen had om Suriname te ontvluchten wegens de innige banden van zijn vader met het regime van Bouterse. Vertrouwelingen van Bouterse bekleedden hoge posities binnen het justitiële apparaat en klager kon niet vertrouwen op een eerlijk proces. Ter zitting benadrukt mr. Holthuis in dit verband dat bij de toenmalige officier van justitie eveneens sprake was van belangenverstrengeling. Klager heeft zich echter nimmer aan een procesgang willen onttrekken en heeft zich daarom na aankomst in Nederland direct bij de autoriteiten gemeld.
Verder stelt klager dat in de gewraakte uitzendingen wordt gesproken over negen ontsnapte, voortvluchtige criminelen uit Suriname, waarbij hij – net als twee anderen – wordt aangeduid als ‘voortvluchtige moordenaar’. Voorts wordt het feit waarvan hij wordt verdacht gepresenteerd als ‘keiharde roofmoord’ en wordt bericht dat hij onherroepelijk is veroordeeld tot 18 jaar cel.
Volgens klager is de kwestie, waarover is bericht, gepresenteerd als een ernstige misstand. In vergelijking met de overige zaken wordt zijn casus zeer uitvergroot. Klager meent dat hij ten onrechte wordt gepresenteerd als hét voorbeeld van de misstand, omdat hij tijdens de uitzending reeds was aangehouden en in voorlopige hechtenis had verbleven. Zijn verblijfplaats is bekend bij justitie en hij heeft volledig meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek. Hij is dus niet aan te duiden als ‘voortvluchtig crimineel’ of ‘ontsnapte moordenaar’. Klager meent dat sprake is van doelbewuste onjuiste en onvolledige berichtgeving, omdat al deze informatie bekend was bij verweerder. Ter zitting wijst mr. Holthuis erop dat in 2007 de situatie anders was, omdat toen nog geen strafrechtelijke procedure tegen klager liep. Destijds is wellicht terecht gerapporteerd over de zaak van klager. Dat maakte het toen ook lastig om een klacht bij de Raad in te dienen over de uitzending.
Verder stelt klager dat tevens is bericht over vermeende oplichting van zijn voormalige advocaat en kennelijke mishandeling van zijn ex-vriendin, hetgeen echter in geen enkele relatie staat tot het onderwerp, maar slechts wordt aangehaald om hem te demoniseren. Verder meent hij dat, voor zover de lange duur van de strafrechtelijke procedure in zijn zaak al een misstand zou zijn, hem dit niet kan worden aangerekend.
Klager betoogt dat niet waarheidsgetrouw over zijn zaak is bericht. Hij had kunnen worden aangeduid als ‘van moord verdachte persoon’; omdat hij momenteel in eerste aanleg wordt vervolgd, staat allerminst vast dat hij voor moord zal worden veroordeeld.
Voorts betoogt hij dat zijn privacy niet had mogen worden aangetast. Verweerder vestigt in de uitzendingen de aandacht op het feit dat gevaarlijke en/of veroordeelde criminelen uit Suriname vrij kunnen verblijven in Nederland en dat de autoriteiten falen op het gebied van samenwerking en een doelmatige effectuering van het strafprocesrecht. Voor zover in de zaak van klager daarvan al sprake was, dan speelde dat hoogstens in 1997 en 2007. Daarna is immers de strafvervolging ingezet. De casus van klager past daarom niet in de misstand waarop de uitzendingen betrekking hebben. De aantasting van de privacy van klager was derhalve redelijkerwijs niet noodzakelijk. Hij wijst erop dat zijn naam in de uitzending van 10 april 2011 ten minste 18 keer is vermeld. Bovendien zijn ook overige gegevens gepubliceerd – waaronder een opsporingsbericht en een document betreffende een dienstbetrekking – waardoor hij eenvoudig kan worden geïdentificeerd. Klager heeft de status van verdachte en heeft voor de openbaarmaking van zijn gegevens nooit toestemming gegeven. Het feit dat klager in 2007 geen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitzending van verweerder is niet relevant, aldus mr. Holthuis ter zitting. Klager is na die uitzending met zijn gezin verhuisd om in rust te kunnen leven, in afwachting van de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek. Als gevolg van de recente uitzendingen worden klager en zijn familie nu telkens geconfronteerd met de inhoud ervan en daarop aangesproken door personen buiten de kring waarin zij al bekend waren.
Volgens klager had tevens moeten worden afgezien van het vermelden van de naam van het slachtoffer en de namen van familieleden, omdat daarmee klager eenvoudig kan worden geïdentificeerd. Het doet niet ter zake dat die namen eerder zijn vermeld, omdat het een nieuwe situatie betreft, die opnieuw moet worden beoordeeld. Ook het gegeven dat klager inmiddels was verhuisd, had een factor van belang moeten zijn voor verweerder. Mr. Holthuis voegt hieraan ter zitting toe dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij niet is gekeken naar alle omstandigheden.
 
Verweerder stelt dat de gewraakte uitzendingen volgens journalistieke maatstaven gerechtvaardigd zijn en dat voldoende feitenonderzoek heeft plaatsgevonden. De belangen die met de uitzendingen gediend waren, zijn zorgvuldig afgewogen tegen de belangen die eventueel door de uitzendingen zijn geschaad. Verweerder benadrukt dat behalve aan de zaak van klager ook veel aandacht is besteed aan de Nederlandse en Surinaamse autoriteiten, die hebben nagelaten om adequate maatregelen te nemen om een veroordeelde, ontsnapte gedetineerde (tijdig) zijn straf te laten ondergaan. Daarbij spelen ook de gevoelens van onbegrip van nabestaanden een rol.
Verweerder betwist dat sprake is van onjuiste of onvolledige berichtgeving. Voor zover sprake is van fouten of onvolledigheden, zijn deze van ondergeschikt belang en doen deze geen afbreuk aan de strekking van de reportage. Klager wordt hierdoor niet wezenlijk in zijn belangen geschaad, aldus verweerder.
Ter toelichting brengt hij – samengevat – naar voren dat klager in Suriname is gearresteerd en veroordeeld wegens gekwalificeerde doodslag. De zaak had alle kenmerken van een roofmoord, in de procedure is gesteld dat sterk de indruk bestaat dat roof het motief was. Klager heeft zich aan de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf onttrokken door tijdens het proces te ontsnappen en naar Nederland te vluchten. Verweerder voegt hieraan ter zitting toe dat tijdens de rechtszitting in het kader van de vertraging ook verwijten zijn gemaakt over de houding van de toenmalige raadsman van de verdachte.
Belangrijk element in de reportages is dat klager ondanks zijn verleden ongestoord een nieuw leven in Nederland kon opbouwen en een betrekking bij een overheidsinstantie heeft gehad. Volgens verweerder hebben politie en justitie nooit serieuze pogingen gedaan om de opgelegde gevangenisstraf te effectueren, als gevolg waarvan het recht nog steeds zijn loop niet heeft gehad. Er is dus sprake van een ernstige misstand waardoor de rechtsorde is geschokt. Verweerder wijst erop dat de officier van justitie inmiddels negen jaar celstraf heeft geëist wegens doodslag, waarin het voorarrest is verdisconteerd.
De vraag of al dan niet eerder sprake was van een ‘onherroepelijke veroordeling’ is een detail, aldus verweerder ter zitting. Hij benadrukt in dit verband dat klager zich opzettelijk en op illegale wijze aan de rechtsgang heeft onttrokken. Klager kan zich er daarom moeilijk op beroepen dat het vonnis niet is betekend of zich erover beklagen dat anderen aandacht aan de gang van zaken besteden.
De stelling van klager dat hij zich direct heeft gemeld bij de politie is onderzocht, maar tijdens de rechtszaak is naar voren gekomen dat men niets heeft kunnen vinden dat die bewering bevestigt. Uit het antwoord op Kamervragen in 1997 blijkt dat de politie van een burger had vernomen dat klager zou zijn ontsnapt. Indertijd was bovendien de uitleverings- en rechtshulpovereenkomst met Suriname opgeschort. Feitelijk betekent dit dat Nederland geen kans zag om juridisch actie te ondernemen en men vanaf dat moment oogluikend duldde dat een veroordeelde moordenaar ongestoord in Nederland kon werken en leven.
Aanvankelijk was de misstand dat klager erin slaagde om zich aan de rechtsgang wegens moord te onttrekken en te vluchten naar Nederland. Vanaf het moment dat de Nederlandse autoriteiten kennis droegen van het feit dat klager in Nederland woonde en men feitelijk niets deed om het recht zijn loop te doen krijgen, werd de misstand ernstiger.
Na de uitzending van november 2007 hebben Nederland en Suriname alsnog pogingen gedaan om de opgelegde gevangenisstraf te effecturen. De minister heeft verder onder meer persoonlijk bericht dat de zaak voortvarend zal worden behandeld, waarmee de ernst van de zaak wordt onderstreept.
Verweerder stelt voorts dat de stelling van klager dat hij zijn redenen had om Suriname te ontvluchten, een discutabele poging is om diens ontsnapping te rechtvaardigen. Hij benadrukt in dat verband onder meer dat in 1994 geen sprake was van een ‘Bouterse-regime’.
Verder meent verweerder dat klager wel degelijk kon worden aangeduid als ‘voortvluchtig crimineel’. Hoewel het juist is dat de verblijfplaats van klager bekend is en sprake is van een strafrechtelijk onderzoek, is klager wel degelijk gevlucht naar Nederland en straffeloos gebleven. Klager had ook kunnen terugkeren naar Suriname, als hij zich niet aan een eerlijke procesgang had willen onttrekken. Het is een technische discussie of klager voortvluchtig is. Verweerder benadrukt dat klager zich opzettelijk en langdurig heeft onttrokken aan zijn straf. Daarnaast bestaan twijfels over de kwaliteit en snelheid van de vervolging van klager. De termijn van 3,5 jaar na de uitzending van 2007 is in strafrechtperspectief een onaanvaardbaar lange termijn en een misstand. Aan deze periode is bovendien een periode van vijftien jaar vooraf gegaan. Volgens verweerder is het gerechtvaardigd dat hieraan aandacht wordt besteed door de media.
De stelling van klager dat de vermeende oplichting van zijn voormalig advocaat en de kennelijke mishandeling van zijn ex-vriendin in geen enkele relatie tot het onderwerp staan, acht verweerder curieus. Verweerder mag als journalist zelf bepalen wat het onderwerp van een uitzending is, maar bovendien doet het er wel degelijk toe. Verweerder wijst er onder meer op dat zowel het doodschieten van de vader van klager als de poging tot oplichting van diens voormalige advocaat op één dagvaarding stonden en in dezelfde zitting werden behandeld en dat klager in 1992 onherroepelijk is veroordeeld wegens mishandeling van zijn ex-vriendin.
Verder benadrukt verweerder dat klager in Suriname is veroordeeld wegens ‘doodslag, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit, gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat strafbaar feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken’. Het is in de media gangbaar om in casu klager te duiden als ‘moordenaar’. Verder merkt verweerder op dat doodslag een opzet-delict betreft.
Ten aanzien van de privacy van klager stelt verweerder dat verschillende redenen bestonden voor het vermelden van de naam van klager. Allereerst zijn in dit geval dader (klager) en slachtoffer familie, en hebben zij dus dezelfde achternaam. Het is gebruikelijk dat in berichtgeving over slachtoffers van levensdelicten de volledige naam wordt gepubliceerd. In deze kwestie brengt dat met zich mee dat ook de naam van klager wordt vermeld. Verweerder wijst in dit verband op vergelijkbare zaken. Het is volgens hem hypocriet wel de achternaam van de vader, maar niet die van diens zoon te vermelden. Als klager niet zijn vader, maar iemand met een andere achternaam had doodgeschoten, had dit een reden kunnen zijn om klager met initialen aan te duiden. Verweerder benadrukt ter zitting dat hij over het algemeen de gedragsregels met betrekking tot het vermelden van namen respecteert, ondanks het feit dat er in de media een verschuiving plaatsvindt.
Voorts visualiseert een televisieprogramma, aldus verweerder. In de reportage is daarom bijvoorbeeld het graf van het slachtoffer in beeld gebracht, waarop diens achternaam is te zien.
Bovendien zijn familieleden met dezelfde achternaam geïnterviewd, die zich uitlaten over het onderzoek en het feit dat klager nooit zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Het is gebruikelijk om deze familieleden met voor- en achternaam aan te kondigen en hun (familie)relatie met het slachtoffer en de dader uit te leggen. Het zou beledigend voor de nabestaanden zijn om slechts hun initialen te vermelden, aldus verweerder ter zitting.
Hierbij komt dat de naam van klager eerder in andere – Surinaamse en Nederlandse – media is vermeld, direct na het plegen van het delict, tijdens de rechtszaak, na de ontsnapping en na de uitzending van verweerder in 2007. Een aantal artikelen is nog steeds op internet te raadplegen. Verder wijst verweerder erop dat op de officiële opsporingswebsite van de Surinaamse politie klager jarenlang met volledige naam en foto was afgebeeld, omdat hij werd gezocht. Verweerder benadrukt voorts dat hij de naam van klager in de uitzending van 2007 heeft vermeld. In die uitzending is eveneens aandacht besteed aan het verleden van klager. Klager heeft vooraf noch achteraf bezwaar gemaakt tegen de vermelding van zijn naam in die uitzending. De uitzending van 2011 is een follow-up daarvan.
Voor zover de klacht zich richt tegen het aantasten van de privacy van klager, betoogt verweerder dat de handelwijze van klager ervoor heeft gezorgd dat hij onderwerp van de pers is geworden. Verweerder is met persoonlijke gegevens van klager zeer terughoudend omgegaan.
Verweerder concludeert dat de uitzendingen terecht waren en dat voor zover de privacy van klager is aangetast, dit gezien de feiten onvermijdelijk en gerechtvaardigd was.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
1.      er is sprake van onjuiste c.q. onvolledige berichtgeving;
2.      de privacy van klager is onevenredig aangetast.
 
Ad 1.
In de gewraakte uitzendingen is aan de orde gesteld dat personen die in Suriname strafrechtelijk zijn veroordeeld hun strafvervolging c.q. strafexecutie ontlopen door een nieuw bestaan in Nederland op te bouwen.

Een groot deel van de uitzending van 10 april 2011staat in het teken van het handelen van klager en de (nalatigheid van de) autoriteiten in Nederland en Suriname. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de achtergrond van het misdrijf en het leed van de nabestaanden.
 
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de situatie dat veroordeelden mogelijk hun straf ontlopen door naar Nederland te vluchten. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Verweerder heeft naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat hij voldoende reden had om aan de zaak tegen klager aandacht te besteden. De situatie dat ondanks toezeggingen van de minister van Justitie na zoveel jaar nog altijd geen inhoudelijke behandeling van een strafzaak heeft plaatsgevonden, is maatschappelijk ongewenst.
 
Niet betwist is dat klager – hoewel hij zich mogelijk niet aan een procesgang heeft willen onttrekken – door zijn vlucht naar Nederland de tenuitvoerlegging van zijn veroordeling in Suriname onmogelijk heeft gemaakt. Hij stond hierdoor op de opsporingswebsite van de autoriteiten in Suriname vermeld.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het journalistiek toelaatbaar om klager aan te duiden als ‘voortvluchtig crimineel’ en ‘moordenaar’. Daarbij overweegt de Raad dat die aanduidingen niet als juridische kwalificaties zijn gebruikt. De omstandigheid dat inmiddels in Nederland een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen klager is opgestart, doet bovendien niet af aan het feit dat klager waarschijnlijk in strijd met geldend recht zijn straf in Suriname is ontlopen. Ook de kwalificatie ‘roofmoord’ vindt – gezien de omstandigheden van het misdrijf – voldoende steun in de feiten en is journalistiek niet ongebruikelijk of onzorgvuldig.
 
Het standpunt van klager dat in het kader van de uitzending ten onrechte is bericht over andere (vermeende) misdrijven, kan evenmin worden gevolgd. In dat verband overweegt de Raad dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Voor zover al sprake is van feitelijke onjuistheden, zijn deze naar het oordeel van de Raad niet van dien aard dat daarmee het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
 
Ad 2.
De Raad overweegt dat de journalist geen toestemming voor of instemming met een publicatie behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punt 1.3. van de Leidraad)
 
Voorts behoort de journalist de privacy van personen niet verder aan te tasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)
 
Verweerder heeft aangevoerd dat het journalistiek gebruikelijk is om in moordzaken de volledige naam van het slachtoffer te vermelden en dat het niet zinvol was de naam van klager als verdachte te anonimiseren, nu hij als familielid dezelfde achternaam heeft als het slachtoffer. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat familieleden met dezelfde achternaam zijn geïnterviewd.
 
De Raad overweegt dat in dit geval identificatie van het slachtoffer tevens leidt tot identificatie van klager als de verdachte. Niet valt in te zien welke maatschappelijke relevantie het vermelden van de volledige naam van klager en diens vader heeft. Verweerder had de berichtgeving eenvoudig kunnen anonimiseren, zonder enige afbreuk te doen aan de aard en inhoud ervan of de nabestaanden van het slachtoffer tekort te doen.
 
Verweerder heeft verder aangevoerd dat klagers naam op de officiële opsporingswebsite van de Surinaamse politie was vermeld. Naar het oordeel van de Raad was de vermelding van de naam van klager in de uitzending echter niet noodzakelijk in het kader van opsporingsberichtgeving, nu de verblijfplaats van klager bekend was bij justitie. Niet is gebleken dat klagers naam met die vermelding in Nederland zodanig bekend is geworden, dat zijn belang bij de bescherming van zijn privacy geen betekenis meer heeft.
 
Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat hij klager heeft genoemd in een uitzending van 2007 en dat diens naam in andere media is vermeld. De Raad overweegt in dit verband dat de eerdere berichtgeving over klager dateert van geruime tijd vóór de gewraakte uitzendingen. Wellicht was de naam van klager destijds een feit van algemene bekendheid, maar niet is gebleken dat dit – het lange tijdsverloop in aanmerking genomen – nog steeds het geval is. (vgl. RvdJ 2006/71 en RvdJ 2006/46)
 
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerder niet op verantwoorde wijze de belangen van klager bij de bescherming van diens privacy heeft afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend. Er is sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van klagers privéleven. Verweerder heeft op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de schending van de privacy van klager. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden bij voorkeur in een uitzending van ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 november 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken,  dr. H.J. Evers, mr. T.E. Klein en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, plaatsvervangend secretaris.