2011/75 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Cirkel Bewindvoeringen B.V. en mr. R.H.M.Ch. Libotte
 
tegen
 
H. Brinkman, P. van Gageldonk, T. Sniekers en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
 
Bij brief van 5 augustus 2011 met tien bijlagen heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte mede namens Cirkel Bewindvoeringen B.V. te Maastricht (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen H. Brinkman, P. van Gageldonk, T. Sniekers en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft H. Brinkman, adjunct-hoofdredacteur, namens verweerders geantwoord in een brief van 2 september 2011 met vier bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 september 2011. Namens klagers zijn voornoemde mr. Libotte en mw. P.M.A.C. Wetzels verschenen. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde Brinkman en Sniekers, verslaggever, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 5 augustus 2011 is in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel van de hand van Van Gageldonk en Sniekers verschenen onder de kop “Onderzoek benadeling schuldenaars” met het chapeau “Rechter – Mogelijk actie tegen bewindvoerder”. Het artikel opent met:
“De rechtbank Maastricht licht momenteel alle 135 dossiers van het bewindvoerderskantoor Cirkel Bewindvoeringen van advocaat R.L. door. Dat onderzoek moet uitwijzen of hij zijn cliënten heeft benadeeld.”
Verder luidt het artikel:
“De uitkomst is mede bepalend voor de vraag of de rechtbank L. als bewindvoerder gaat ontslaan of andere maatregelen treft.
Dat verklaart persrechter Esmee Heuts.
De rechtbank koestert al bijna twee jaar grote twijfels over de manier waarop L. omgaat met de onder zijn bewind gestelde personen met schulden.
De rechtbank eiste eind 2009 opheldering over een aantal zaken. Zo was de schuldenlast van ‘een relatief groot aantal’ van L.’s cliënten niet afgenomen maar juist met meer dan 20.000 euro per persoon gestegen. Omdat L. begin 2010 beterschap beloofde en voldeed aan een aantal van de gestelde eisen, greep de rechtbank volgens persrechter Heuts destijds niet in.
Nu hekelt de rechtbank het feit dat L. zijn veelal armlastige klanten ten onrechte automatiseringkosten in rekening brengt: een tientje per maand. De bewindvoerder zou zo minimaal 50.000 euro te veel van zijn cliënten hebben geïnd. In dat bedrag zitten ook door zijn eigen advocatenkantoor berekende kosten die L. van de rechtbank terug moet betalen aan zijn klanten. Hij moest vóór 15 juni een bankgarantie afgeven.
L. weigerde dat. Hij verloor op 24 juni een daarover door hem aangespannen spoedgeding bij de rechtbank in Den Haag. De bewindvoerder procedeert door omdat hij vindt dat hij in zijn gelijk staat.
Volgens L. zijn alle verwijten onjuist. Hij ontkent dat hij kosten doorberekent aan cliënten. ,,Mijn dossiers zijn volstrekt in orde. Ik laat een strafrechtadvocaat onderzoeken of aangifte wegens smaad en laster tegen de rechtbank mogelijk is.””
Een bericht met vergelijkbare inhoud is verschenen op de website van verweerders.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat verweerders een artikel hebben geplaatst met daarin feitelijke en juridische onjuistheden. Volgens hen is sprake van onjuiste, tendentieuze en beschadigende berichtgeving. Klagers menen dat de plaatsing van de gewraakte berichtgeving geen doel dient.
Klagers lichten toe dat Libotte voorafgaand aan de publicatie een twee uur durend gesprek heeft gehad met Van Gageldonk en Sniekers, waarbij tevens mevrouw Wetzels (medewerkster van Libotte) aanwezig was.
In dat gesprek heeft Libotte gemeld dat hem niet bekend is dat de Rechtbank Maastricht onderzoek doet naar 135 dossiers van hem. Verder heeft hij kenbaar gemaakt dat op twee punten meningsverschil bestaat tussen hem en de rechtbank betreffende de uitvoering van bewind. Libotte heeft in het gesprek bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn standpunt correct is. Momenteel vindt ter zake een onderzoek plaats door bevoegde instanties, aldus klagers.
Verder heeft Libotte in het gesprek benadrukt dat de schuldenlast van één cliënt met meer dan 20.000 euro is gestegen, omdat deze cliënt is veroordeeld wegens fraude. Daarnaast heeft Libotte kenbaar gemaakt dat het kantoor is overgestapt naar een nieuw administratiesysteem, waardoor alle schulden van cliënten opnieuw zijn ingevoerd en de schuldeisers zijn aangeschreven voor een herinventarisatie. Door deze extra controle ontstond een verschil tussen de geschatte en daadwerkelijke schuldenlast. De cliënten van klagers zijn vooraf over deze inventarisatie op de hoogte gebracht. Voorts heeft Libotte gemeld dat aan een aantal cliënten geen ‘schone lei’ is toegekend, waardoor de wettelijke schuldsanering voortijdig is beëindigd en de schuldenlast in deze dossiers oploopt. Dit is in 2010 uitgelegd aan de rechtbank en volledig afgewikkeld, hetgeen Libotte eveneens aan Van Gageldonk en Sniekers heeft gemeld.
Libotte heeft de journalisten tevens geïnformeerd over de automatiseringskosten en het feit dat de rekeningen van cliënten worden beheerd via internetbankieren. De cliënten van klagers kunnen hun rekening inzien via een door klagers aangeschafte software-applicatie. Wanneer een cliënt van deze mogelijkheid gebruik maakt, berekent de softwareleverancier de kosten daarvoor rechtstreeks aan die cliënt, aldus klagers. Zij benadrukken dat zij zelf nimmer kosten hiervoor in rekening hebben gebracht en dat dus geen sprake is van doorberekening van kosten; de cliënt heeft een overeenkomst met de softwareleverancier. Klagers stellen dat hun cliënten enthousiast zijn over dit systeem.
Het bedrag van 50.000 euro dat zij zouden moeten terugbetalen aan cliënten berust op een schatting van de rechtbank, aldus klagers. Zij stellen dat de rechtbank in een brief heeft gemeld dat de onderliggende dossiers niet zijn bestudeerd en dat de rechtbank nog niet tot een conclusie is gekomen. Verder waren de voorwaarden die de rechtbank aan een bankgarantie heeft gesteld onhoudbaar en onmogelijk. Verweerders hebben geweigerd kennis te nemen van de brief van de rechtbank, aldus klagers.
Zij wijzen verder op een vonnis van de voorzieningenrechter in Den Haag, inzake de procedure waarin klagers hebben aangevoerd dat de rechtbank Maastricht jegens hen onrechtmatig dreigt te handelen. Uit het vonnis blijkt dat zij de procedure niet hebben verloren, maar niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de rechtbank nog niet heeft gehandeld. Tijdens het gesprek met verweerders is dit vonnis uitgebreid inhoudelijk behandeld. Ter zitting wijzen klagers erop dat het vonnis op 9 september 2011 in cassatie is vernietigd en dat de Hoge Raad de zaak heeft terugverwezen naar het hof Arnhem.
Klagers betwisten verder dat Libotte zich tijdens het gesprek negatief heeft uitgelaten over de rechtbank. Volgens klagers hebben de journalisten hiertoe wel druk uitgeoefend omdat zij kennelijk een spannend verhaal zochten en niet deden aan waarheidsvinding. Uit de houding van de journalisten bleek dat een zakelijke weergave van feiten in een juridisch geschil niet interessant genoeg was, aldus klagers. Zij menen dat de uitspraken van Libotte onjuist en onvolledig zijn weergegeven c.q. uit de context gehaald. In het gesprek heeft Libotte juist gemeld dat de rechtbank correct heeft gehandeld door de cliënten ervan op de hoogte te stellen dat de rechtbank een andere zienswijze heeft. Libotte heeft de journalisten het schrijven van de rechtbank overhandigd, waaruit blijkt dat op een zakelijke en correcte wijze onderzoek kan plaatsvinden en sprake is van goede bedoelingen. Daarbij heeft hij wel opgemerkt dat de formulering van de brief anders had gekund.
Ter zitting benadrukken klagers dat het in verband met hun geheimhoudingsplicht lastig is om derden alle gegevens te verstrekken. Zij menen dat verweerders ook de branchevereniging om een onafhankelijk oordeel hadden kunnen vragen. Een audit van de branchevereniging op de bedrijfsvoering van klagers heeft overigens geen bijzonderheden opgeleverd.
Klagers menen dat verweerders er uitsluitend op uit zijn om niet onderbouwde beschuldigingen te publiceren en daarmee ernstige schade aan te richten. Volgens klagers leggen verweerders alle feitelijke informatie naast zich neer om hen in een kwaad daglicht te stellen. De gewraakte berichtgeving dient geen redelijk belang en is evident onrechtmatig, aldus klagers.
Zij stellen verder dat de berichtgeving deels is gebaseerd op (beweerdelijk) verkregen informatie van de persrechter, maar dat die informatie hen nimmer heeft bereikt. Tijdens gesprekken tussen klagers en de rechtbank is juist de intentie uitgesproken om in samenwerking nader tot elkaar te komen.
De correspondentie tussen klagers en de rechtbank, waarnaar verweerders verwijzen, dateert van 1,5 jaar geleden en heeft geen hoge actualiteitswaarde. Gezien de wijze waarop verweerders tot publicatie zijn overgegaan, rijst bij klagers twijfel of verweerders over de deskundigheid beschikken om de informatie in een juist daglicht te plaatsen en adequaat te interpreteren.
Naar aanleiding van het gesprek met Libotte hebben verweerders hem een concepttekst toegestuurd, waarna hij direct in een e-mail kenbaar heeft gemaakt dat het artikel bezijden de waarheid is. Vervolgens heeft Libotte telefonisch overleg gehad met Brinkman, waarin hij heeft verzocht het artikel niet te plaatsen of in ieder geval in een zakelijk en juist perspectief te plaatsen. Niettemin hebben verweerders een artikel gepubliceerd met daarin nog steeds feitelijke en juridische onjuistheden, aldus klagers.
Zij benadrukken ter zitting dat in het artikel uitgebreid het standpunt van de rechtbank is verwoord, maar dat hun visie over het geschil onvolledig is weergegeven.
 
Verweerders stellen voorop dat klagers klagen over twee artikelen, terwijl slechts één daarvan – het nieuwsverhaal – is gepubliceerd. Zij hebben besloten het achtergrondverhaal niet te plaatsen, omdat dit artikel voor een groot deel was gebaseerd op reacties van klagers en klagers de uitlatingen in dit bericht betwistten.
Volgens verweerders is het geplaatste nieuwsartikel voldoende onderbouwd en voorzien van wederhoor. Zo is de mededeling dat de rechtbank Maastricht 135 dossiers van klagers onderzoekt afkomstig van de persrechter. Dat klagers dit onderzoek mogelijk niet kennen, betekent niet dat het niet bestaat en doet dus niet af aan de juistheid van het gegeven. Gezien de brief van de rechtbank van 3 augustus 2011 aan klagers, hadden zij wel degelijk kunnen bevroeden dat de rechtbank twijfels had over hun werkwijze.
Verder stellen verweerders dat de rechtbank de geuite kritiek op klagers nooit heeft teruggenomen. Zij wijzen er in dat verband op dat de rechtbank Maastricht in de kort geding procedure opnieuw de brief van 22 december 2009 aan klagers heeft ingebracht, waarin de kritiek op de opgelopen schulden is vermeld. De persrechter heeft gemeld dat Libotte niet als bewindvoerder is ontslagen, omdat hij beterschap beloofde en aan een aantal eisen voldeed, en dus niet omdat de kritiek niet zou kloppen.
Verweerders stellen verder dat diverse rechters hebben geoordeeld dat de cliënten van klagers ten onrechte automatiseringskosten moeten betalen, omdat het systeem voornamelijk is bedoeld voor de administratie van klagers. Zij betwisten dat klagers hen hebben aangeboden een schrijven van de rechtbank in te zien. Uit het vonnis van de Haagse voorzieningenrechter blijkt dat klagers een bedrag dienen terug te betalen dat wordt geschat op ten minste 50.000 euro. In dat verband wijzen verweerders erop dat de persrechter het nieuwsverhaal voor publicatie heeft gelezen en met de feitelijke inhoud van het artikel heeft ingestemd. Klagers hebben geen andere bewijsstukken overgelegd, waaruit zou blijken dat hun standpunten juist zijn en die van de rechtbank niet.
Voorts menen verweerders dat klagers het geding wel degelijk hebben verloren. Klagers zijn als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de proceskosten.
Verweerders stellen dat Libotte zich in twee telefoongesprekken en in het gesprek met Van Gageldonk en Sniekers wel degelijk negatief heeft uitgelaten over de rechtbank. Daarbij heeft Libotte gesproken over ‘disfunctioneren’ van de rechtbank, hetgeen na de e-mailreactie van klagers is geschrapt uit de berichtgeving. Overigens is het schrappen van deze passage onnodig gebleken, omdat klagers het verwijt hebben herhaald in een persverklaring, aldus verweerders. Verder heeft Libotte meegedeeld dat hij een advocaat had ingeschakeld om te onderzoeken of een klacht wegens smaad en laster tegen de rechtbank mogelijk was. Hij heeft de journalisten zelfs het telefoonnummer van de advocaat gegeven.
Ten slotte stellen verweerders dat met de publicatie over het onderzoek van de rechtbank een maatschappelijk belang is gediend, omdat het gaat om een groep zeer kwetsbare personen die door het handelen van klagers mogelijk financieel geschaad worden. Het is hun taak om over dergelijke zaken te berichten, aldus verweerders. Zij hebben dit de afgelopen jaren ook met grote regelmaat gedaan bij kwesties waarbij andere bewindvoerders in opspraak zijn gekomen. Dat het onderzoek naar de dossiers van klagers nog niet is afgerond, doet niet ter zake. De media berichten voortdurend over lopende procedures en onderzoeken voordat deze tot een eind zijn gekomen. Juist door het onderzoek en de cassatieprocedure bij de Hoge Raad is de kwestie hoogst actueel. In dat kader wijzen verweerders erop dat zij een nieuw artikel over de klagers hebben gepubliceerd op 31 augustus 2011.
Verweerders betogen dat de gewraakte berichtgeving op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Klagers hebben op geen enkele wijze de onjuistheid van de publicatie kunnen aantonen. Door hun eigen reactie – het plotseling intrekken van eerder gedane uitlatingen – hebben klagers er zelf voor gezorgd dat hun weerwoord niet in volle omvang gepubliceerd kon worden.
Ter zitting benadrukken verweerders dat het artikel aantoonbaar van feitelijke aard is. Dat het vonnis inmiddels in cassatie is vernietigd, was hen nog niet bekend. Over de verdere procedure zullen zij waarschijnlijk ook berichten.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van onjuiste en tendentieuze berichtgeving.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
De publicatie heeft betrekking op een geschil tussen klagers en de rechtbank Maastricht, onder meer inzake (het in rekening brengen van) kosten aan cliënten van klagers betreffende een softwaresysteem, dat het de cliënten mogelijk maakt informatie over hun financiële situatie te raadplegen.
 
Gelet op hetgeen verweerders hebben aangevoerd, acht de Raad het aannemelijk dat voor hen voldoende aanleiding bestond om over de kwestie te berichten zoals zij hebben gedaan. Niet valt in te zien dat verweerders niet over de kwestie hadden mogen berichten nu inzake het conflict tussen klagers en de rechtbank nog geen definitieve uitspraak is gedaan.
 
Verder overweegt de Raad dat de journalist bij het publiceren van beschuldigingen behoort te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Bijzondere zorgvuldigheid is geboden in het geval van publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
 
Nu de rechtbank Maastricht in dezen geen onafhankelijk rechtsprekend orgaan is, maar partij in het geschil met klagers, terwijl het standpunt van de rechtbank voor de gemiddelde lezer waarschijnlijk voor ‘waar’ zal worden gehouden, hadden verweerders wellicht een betere balans in de berichtgeving kunnen aanbrengen.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders echter geen meningen als feiten gepresenteerd en zakelijk over de kwestie bericht. Bovendien is het artikel gebaseerd op betrouwbaar te achten bronnen en is de reactie van klagers opgenomen, waaruit duidelijk blijkt dat zij het niet eens zijn met de standpunten van de rechtbank.

In dat verband overweegt de Raad dat volgens zijn vaste oordeel het toelaatbaar is dat in het kader van verslaggeving over rechtszaken standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2010/27)
 
Klagers hebben verder nog gemotiveerd aangevoerd dat zij de procedure niet hebben verloren, maar niet-ontvankelijk zijn verklaard. Deze omissie is niet van zodanige aard dat verweerders daarmee journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Ook overigens is niet gebleken dat de berichtgeving relevante onjuistheden bevat.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 november 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, dr. H.J. Evers, mr. T.E. Klein en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, plaatsvervangend secretaris.