2011/73 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
H. Carvalho en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 29 juli 2011 met één bijlage heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen H. Carvalho en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerders). Hierop heeft J. Oranje, plaatsvervangend hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 24 augustus 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 september 2011. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door haar partner. Namens verweerders waren voornoemde Carvalho en Oranje aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 5 maart 2011 is in NRC Handelsblad een artikel van de hand van Carvalho verschenen onder de kop “‘Ik heb behoefte aan politieke correctheid’” met de onderkop “Cabaretier Y is vertwijfeld over gebrek aan historisch besef in de samenleving”.
Het artikel opent met:
“Cabaretier Y toont in zijn nieuwe programma Oorverdovend zijn radeloosheid over de toenemende intolerantie. ‘Op de radio deed een man een oproep tot burgeroorlog in Nederland!’”
De berichtgeving bevat verder onder meer de volgende passages:
“Halverwege de voorstelling verandert het perspectief. Van de maatschappij vol „domme mensen die niet zien hoezeer we andere landen uitbuiten, en hoe we ons misdragen tegenover immigranten”, schakelt Y over op zijn persoonlijke situatie. De situatie waarin hij, als vader van een dochter van zes, in staat van oorlog leeft met zijn ex-vriendin, en zijn kind niet mag zien.
Het kindermeubilair, links op het podium, neemt hij mee op tournee, want thuis blijft het toch maar onbenut.
Niet zijn persoonlijke gemis krijgt hier de overhand. Y verplaatst zich in het kind, dat moet ‘kiezen’ tussen haar vader en moeder. Hij leeft zich uit in grappig-pijnlijke scenes over de ruzies met zijn ex: „Schilderij aan flarden, laptop het raam uit, stoelen kapot. Vijftienduizend euro schade! Gelukkig waren we bij de buren.” Meteen erna is hij weer serieus over de emotioneel schade die hij vreest voor zijn dochter.
Een dag na zijn optreden vertelt hij, thuis in Amsterdam, over de parallel die hij ziet tussen de maatschappij en de situatie met zijn kind. Hij is niet minder geëmotioneerd dan op het podium: hij fulmineert, ijsbeert en bonkt zijn hoofd tegen de muur als hij het heeft over de kleingeestigheid die hij om zich heen ziet. „Ik schrik van de haat jegens intellectuelen, en jegens de kunstsector”, zegt Y.”
en
Het is voor het eerst dat u het in een voorstelling over uw dochter hebt.
„In eerdere programma's durfde ik niet over haar of over mijn ex te praten. Ik was bang voor de invloed die het zou hebben op mijn omgangsregeling met mijn dochter. Nu mag ik haar al een tijdje niet zien, maar ik laat me niet meer bang maken. Ik vind het een belangrijk onderwerp. Want waarom bestaat er zoiets als de Dwaze Vaders? Zijn al die vaders gek? Natuurlijk niet. Ook vrouwen zijn soms daders. Maar dat is een taboe. Ik voel het aan het publiek als ik over mijn dochter begin, en over haar kamer, die daar achter op het toneel staat. En over de situatie met mijn ex. De zaal schrikt, dit is geen onderwerp waar ze graag over nadenken.”
Hoe is het om over uw dochter te praten?
„Het is moeilijk, want het is nog altijd onopgelost. Ik zie haar nog steeds niet. Dus ik moet praten met afstand, terwijl ik er eigenlijk geen afstand toe heb.”
U trekt een parallel: tussen de burger die een keuze moet maken tussen twee partijen, en een kind dat tussen haar vader en moeder moet kiezen.
„Ik probeer duidelijk te maken dat een keuze niet per se tot uitsluiting van de andere partij hoeft te leiden. Je kunt alsnog begrip voor die partij hebben. Bijvoorbeeld: ik ben voor Israël, maar ik heb ook begrip voor en mededogen met de Palestijnen. Ik ben links, maar ik snap rechts ook. Mijn dochter voelt zich misschien ellendig dat ze voor haar moeder kiest, maar ik snap dat ze voor haar kiest. En het zou niet hoeven betekenen dat ze tégen mij is. Ik wil mijn dochter het schuldgevoel besparen.””
 
Bij het artikel is een kader geplaatst, waarin de achtergrond van Y wordt geschetst. Daarin is onder meer vermeld:
“Y, die naar eigen zeggen verslaafd is aan alcohol, won in 2007 de Neerlands Hoop-prijs voor Delirium, zijn vierde avondvullende programma. Een jaar geleden kwam hij in het nieuws door een tumultueus optreden in Gent, dat uiteindelijk resulteerde in de afgelasting van de voorstelling en zijn opname in een afkickkliniek.”
 
Klaagster is voormalig partner van Y.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij in de gewraakte berichtgeving wordt neergezet als een haatdragende vrouw die haar dochter weghoudt bij haar vader. Zij wijst in dit verband op een scriptie van een student, waaruit blijkt dat Carvalho geen commentaar wil geven op het stuk en dat Carvalho volgens journalist Frenk van der Linden tekort is geschoten. Volgens een citaat uit die scriptie heeft van Van der Linden in een interview Y tot de orde geroepen en moet niet worden vergeten dat Y een alcoholist is en zich niet alles goed herinnert. Verder zegt Van der Linden in het citaat dat Y mogelijk slecht is geïnterviewd en dat het bij zulke emotionele uitspattingen verstandig is om bij de beschuldigde partij – dus klaagster – navraag te doen.
Klaagster brengt naar voren dat wanneer verweerders haar verhaal en de mening van de Raad voor de Kinderbescherming hadden gehoord, zij een genuanceerder beeld hadden geschetst. Zij meent dat verweerders nu meewerken aan de negatieve beeldvorming rond haar persoon, die schadelijk is voor haar en haar dochter.
Ter zitting weerspreekt klaagster het standpunt van verweerders dat zij in het interview slechts de voorstelling van Y en de context van de show beschrijven. Klaagster meent dat het interview (mede) betrekking heeft op haar situatie en dat in de berichtgeving uitspraken worden gedaan die haar diskwalificeren. Verder betwist klaagster dat verweerders aan alle journalistieke voorwaarden hebben voldaan door delen van het vraaggesprek niet te publiceren. Hoewel verweerders mogelijk heftige uitlatingen van Y hebben weggelaten, is het geschetste beeld over klaagster nog altijd negatief. De gewraakte uitlatingen worden volgens haar ten onrechte als feiten gepresenteerd. De gemiddelde lezer kan slechts concluderen dat zij als moeder haar dochter tekort doet, aldus klaagster.
Verder stelt klaagster ter zitting dat haar naam weliswaar niet is vermeld, maar dat in haar omgeving bekend is dat zij samen met Y een dochter heeft. Klaagster vertelt niet aan al haar kennissen wat zich afspeelt in haar leven. Door de berichtgeving kennen veel mensen alleen de visie van Y. Klaagster mist kritische vragen over de reden waarom Y zijn dochter niet mag zien en een weerwoord. Volgens haar heeft Y van verweerders een carte blanche gekregen om zijn visie te presenteren. Klaagster stelt dat de reden dat Y zijn dochter niet mag zien, is gelegen in zijn eigen gedrag. Zij benadrukt haar dochter nooit pijn te doen door kwaad te spreken over haar vader of door haar dochter te verplichten te kiezen tussen haar ouders. Volgens klaagster dienen media voorzichtig om te gaan met dergelijke gevoelige kwesties.
Dat klaagster haar klacht pas geruime tijd na de publicatie heeft ingediend, acht zij voor de beoordeling ervan niet relevant. Zij heeft besloten om geen ingezonden brief te sturen, omdat zij met extra media-aandacht de belangen van haar dochter schaadt. Klaagster benadrukt in dit verband ten slotte dat zowel het interview van verweerders met Y als dat van Van der Linden met Y zijn afgenomen in dezelfde periode en dezelfde show betreffen.
 
Verweerders stellen dat Y is geïnterviewd naar aanleiding van zijn nieuwe programma. Die show heeft niet alleen betrekking op de stand van zaken in Nederland, maar ook op de situatie van Y met betrekking tot de scheiding van zijn partner en het feit dat hij zijn dochter niet meer mag zien. Y heeft beide werelden aan elkaar geknoopt. Verweerders behandelen in het interview dit thema zonder daar een waardeoordeel aan te verbinden. Volgens verweerders beschrijven zij de voorstelling en context, stellen zij daar vragen over en laten zij Y aan het woord. Dat de situatie met zijn voormalig partner en dochter in het interview aan de orde komt, is logisch en journalistiek verklaarbaar omdat dit een wezenlijke rol speelt in de voorstelling. Ter zitting benadrukken verweerders in dit verband dat de vraagstelling in het kader van de voorstelling relevant is.
Verweerders betwisten het standpunt van klaagster dat zij in het stuk wordt ‘weggezet’ als ‘een haatdragende vrouw die haar dochter weghoudt van haar vader’. Zij benadrukken dat in het interview niet beledigend over klaagster wordt gesproken, dat haar naam niet is vermeld en dat geen beschuldigingen aan haar adres worden geuit. Y vertelt slechts beperkt en in algemene termen, waarom hij voorheen niet over zijn persoonlijke situatie durfde te praten en nu wel. Hij geeft met persoonlijke toonzetting zijn mening op relevante vragen van Carvalho. Het is de eigen keuze van Y dat daarbij een pijnlijk beeld wordt geschetst, voor hemzelf, zijn ex-vriendin en wellicht ook voor zijn dochter.
Verweerders menen dat het geschetste beeld niet bijdraagt aan een schadelijke negatieve beeldvorming voor klaagster of haar dochter. Uit de berichtgeving blijkt slechts dat Y en klaagster een conflict hebben over de omgang met hun dochter en dat hij het daar moeilijk mee heeft. Y wijst nergens met een beschuldigende vinger naar klaagster. Zij wordt niet gediskwalificeerd middels ondeugdelijke of kwetsende kwalificaties. Iedere lezer zal zich realiseren dat dit het verhaal van één zijde is, aldus verweerders.
Verder stellen verweerders dat het toepassen van wederhoor in een interview geen automatisme is. Interviews gaan doorgaans over één persoon en de informatie is per definitie afkomstig uit één bron, hetgeen voor de lezer ook duidelijk moet zijn. Bijvoorbeeld bij grove beschuldigingen kan wederhoor noodzakelijk zijn en kan het nodig zijn om een genuanceerder beeld over een kwestie te schetsen. De journalist heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid, vooral in de manier waarop hij het interview uiteindelijk op papier zet; de journalist functioneert als ‘filter’ en bewaakt de grens waar mensen onnodig grievend worden bejegend. Behalve dat wederhoor kan worden toegepast, kunnen ook tegenvragen worden gesteld, kan een toelichtend kader worden geplaatst of kunnen delen van het vraaggesprek niet worden gepubliceerd. In dit geval heeft Carvalho aan alle journalistieke voorwaarden voldaan en haar rol als ‘filter’ gespeeld. Het artikel betreft een gestileerde weergave van het werkelijke gesprek. Carvalho was zich bewust van de gevoelige situatie en heeft daarom slechts een klein gedeelte van het interview geserreerd gepubliceerd. Van een carte blanche aan Y om zijn visie te etaleren, zoals klaagster stelt, is geen sprake.
Volgens verweerders was toepassing van wederhoor onnodig, omdat klaagster niet wordt beschadigd of beschuldigd. Indien daarvan wel sprake was, dan verbaast het verweerders dat klaagster pas vijf maanden na de publicatie de klacht aanhangig maakt. Klaagster heeft verweerders voorts niet benaderd met een verzoek om rectificatie, plaatsing van een ingezonden brief of een gesprek. Carvalho heeft na kennisneming van de klacht contact gehad met klaagster. Zij heeft getracht uit te leggen hoe de publicatie tot stand is gekomen en vergeefs geprobeerd duidelijk te maken dat geen sprake is van een beschadiging van klaagster. Voorts heeft zij geprobeerd duidelijk te maken dat het interview niet gaat over het conflict tussen klaagster en Y, maar over de voorstelling van Y en zijn persoonlijke verhaal in een kunstzinnige uiting. Ter zitting voegen verweerders hieraan nog toe dat de zaak door wederhoor mogelijk pijnlijker was geworden. Overigens zou dan sprake zijn van een esthetische stijlbreuk.
Ten slotte hebben verweerders met verbazing kennis genomen van de scriptie, die als ondersteuning van de klacht is bijgevoegd. Redenering en conclusies uit die scriptie zijn weinig onderbouwd en discutabel, aldus verweerders. De opmerkingen van Van der Linden gaan over een eigen interview dat hij met Y afnam, waardoor de overeenkomst met het gewraakte interview hen ontgaat. Niet duidelijk is of Van der Linden in zijn uitspraken een verband legt tussen zijn interview en de gewraakte publicatie. Of de conclusie dat verweerders tekort zijn geschoten afkomstig is van Van der Linden of van de auteur van de scriptie is niet helder. Van der Linden heeft over deze zaak geen contact heeft gehad met verweerders. Het is een raadsel op basis waarvan Van der Linden kan concluderen dat Y ‘gewoon slecht geïnterviewd is’, evenals de typering ‘heks’, omdat dit woord niet in het interview voorkomt.  

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat klaagster door de berichtgeving wordt gediskwalificeerd en dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Een journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Verder dient een journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
Het beginsel van wederhoor geldt echter niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten en voor berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare bijeenkomsten. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
 
Gezien de opzet van de publicatie – een interview met vraag en antwoord – en de toon ervan, zijn de bedoeling en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de lezer voldoende duidelijk: de publicatie behelst met name de persoonlijke visie van Y en feitelijke verslaglegging staat niet voorop.
Het stond verweerders vrij om Y vragen te stellen over (de omgangsregeling met) zijn dochter. Dit geldt te meer, omdat verweerders aannemelijk hebben gemaakt dat die vragen relevant waren, aangezien Y in zijn voorstelling aandacht besteedt aan zijn persoonlijke situatie.
 
De Raad heeft er begrip voor dat klaagster de publicatie als grievend heeft ervaren en overweegt in dat verband dat het citaat “Ook vrouwen zijn soms daders.”, gelet op de context, ongelukkig is gekozen. In de publicatie wordt echter – objectief bezien – niet de indruk gewekt dat klaagster ‘een haatdragende vrouw is, die haar dochter weghoudt bij haar vader’. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders na afweging van alle belangen bij klaagster wederhoor hadden moeten toepassen.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. RvdJ 2007/25)  

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 november 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, dr. H.J. Evers, mr. T.E. Klein en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, plaatsvervangend secretaris.