2011/71 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
drs. M. Kat, K. Ferwerda, E. Donk en W. Dankbaar
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 23 juni 2011 (RvdJ 2011/42) betreffende hun klacht tegen
 
J. de Boer en de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant, Dagblad van het Noorden, De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad
 
Bij brief van 15 juli 2011 met zes bijlagen heeft de heer A. Vergeer namens drs. M. Kat, K. Ferwerda, E. Donk en W. Dankbaar (hierna: verzoekers) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 23 juni 2011 inzake hun klacht tegen J. de Boer en de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant, Dagblad van het Noorden, De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad (hierna: verweerders).
In een brief van 21 juli 2011 heeft G. ten Dam, hoofdredacteur dagbladen HDC Media – tot welke groep De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad behoren – meegedeeld dat de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant ook namens HDC Media op het verzoek zal reageren.
Bij brief van 9 augustus 2011 heeft H. Snijder, hoofdredacteur Leeuwarder Courant, namens alle verweerders op het herzieningsverzoek gereageerd en meegedeeld dat een inhoudelijke reactie neerkomt op een herhaling van het eerder ingediende verweerschrift.
In een e-mailbericht van 12 augustus 2011 heeft Vergeer namens verzoekers verzocht om te worden gehoord. Bij e-mail van 23 augustus 2011 heeft de adjunct-secretaris van de Raad aan verzoekers meegedeeld dat conform artikel 10a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad een herzieningskamer in beginsel zonder dat partijen ter zitting worden gehoord oordeelt over een herzieningsverzoek en dat indien de herzieningskamer dit nodig acht, partijen zullen worden uitgenodigd voor het geven van een mondelinge toelichting. Hierop hebben verzoekers nog gereageerd in een e-mailbericht van 25 augustus 2011 met bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 september 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief, door de Raad ontvangen op 10 februari 2011, met drie bijlagen heeft Kat een klacht ingediend tegen J. de Boer en de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden. Hierop heeft Snijder bij brief van 4 maart 2011 medegedeeld dat hij niet inhoudelijk op de klacht zal ingaan en ook niet ter zitting van de Raad zal verschijnen, omdat hij door Kat over hetzelfde onderwerp in rechte is betrokken.
 
De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2011. Namens Kat is daar Vergeer verschenen.
 
Hierna heeft Vergeer bij e-mail van 23 maart 2011 de Raad erop geattendeerd dat het gewraakte artikel ook is gepubliceerd door De Gooi- en Eemlander en dat raadslid Mathot – lid van de kamer van de Raad op de zitting van 18 maart 20011 – chef redactie is van diezelfde krant. Hierop heeft de secretaris van de Raad gereageerd in een brief van 24 maart 2011.

Aangezien Vergeer in zijn e-mail de objectiviteit van raadslid Mathot ter discussie heeft gesteld en twijfels over de onpartijdigheid van de Raad dienen te worden vermeden, is de klacht vervolgens in overleg met klager geagendeerd voor een nieuwe mondelinge behandeling.
 
Bij brief van 28 maart 2011 met acht bijlagen heeft Vergeer namens Kat de klacht nader aangevuld en uitgebreid tegen alle dagbladen, die in navolging van de Leeuwarder Courant en Dagblad van het Noorden, het gewraakte artikel van de hand van De Boer hebben geplaatst. Verder heeft Vergeer bij een e-mailbericht van 29 maart 2011 nog een bijlage overgelegd.
In e-mailberichten van 31 maart en 1 april 2011 hebben Ferwerda, Dankbaar en Donk zich als klagers in de zaak gevoegd.
 
Vervolgens heeft Vergeer de klacht op verzoek van de secretaris van de Raadnader toegelicht bij schrijven van 3 april 2011 met acht bijlagen, waaronder kopieën van publicaties in De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad.
Bij brief van 12 april 2011 heeft Ten Dam meegedeeld dat de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant ook namens HDC Media verweer zal voeren. Ten overvloede heeft Ten Dam opgemerkt dat raadslid Mathot er niet van op de hoogte was dat het gewraakte artikel in de De Gooi- en Eemlander was gepubliceerd.
 
Bij brief van 21 april 2011 heeft Snijder namens alle verweerders inhoudelijk op de klacht gereageerd. Vergeer heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 27 april 2011. Ten slotte heeft Dankbaar nog op het verweer gereageerd bij e-mailbericht van 28 april 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 april 2011. Aan de zijde van klagers zijn daar Vergeer en Donk verschenen. Het aan de zitting voorafgegane verzoek van verzoekers tot het maken van opnamen tijdens de zitting is niet gehonoreerd. Toen Vergeer en Donk desondanks met draaiende camera’s de zittingszaal betraden is hen verzocht de apparatuur uit te zetten. De voorzitter van de Raad heeft vervolgens nader toegelicht, waarom het verzoek tot het maken van opnamen niet werd gehonoreerd. Aangezien klagers hun klacht alleen mondeling wilden toelichten als zij ook opnamen mochten maken, is hen verzocht de zaal te verlaten, hetgeen zij hebben gedaan. De zaak is vervolgens buiten aanwezigheid van partijen door de Raad behandeld.
Bij uitspraak van 23 juni 2011 (RvdJ 2011/42) heeft de Raad:
-          de klacht gegrond verklaard voor zover deze betrekking heeft op het onvoldoende toepassen van wederhoor ten aanzien van de beweringen dat klagers ‘mensen lastigvallen’ en ‘complottheorieën verzinnen’. (onderdeel 5.)
-          de klacht ongegrond verklaard voor zover deze betrekking heeft op:
·         de bewering betreffende de aangifte van Stephanie (onderdeel 1.);
·         de bewering dat Stephanie niets met de moordzaak te maken heeft (onderdeel 4.);
·         de bewering dat Stephanie Feik kende via een vriendin die gecharmeerd van hem was (onderdeel 7.);
·         het gebruik van de term ‘hetze’ (onderdeel 8.);
·         de bewering dat ‘samenzweringstheorieën niks met de werkelijkheid van doen hebben’ (onderdeel 9.);
·         een samenspanning tussen verweerders en het Openbaar Ministerie in een rechtstreekse poging tot demonisering en persoonsbeschadiging van klagers en het in standhouden van de aperte leugens. (aanvulling sub b)
-          zich voor het overige onthouden van een oordeel. (onderdelen 2., 3., 6. en aanvulling sub a)

HET STANDPUNT VAN VERZOEKERS
 
Kort samengevat stellen verzoekers het navolgende.
Zij maken allereerst bezwaar tegen de wijze waarop hun klacht is behandeld. Zij menen dat het verzoek om opnamen te mogen maken tijdens de zitting ten onrechte niet is gehonoreerd en dat de Raad zijn weigering ter zake onvoldoende heeft gemotiveerd. Verder wijzen verzoekers op uitspraken die de voorzitter van de Raad in de Leeuwarder Courant heeft gedaan. Zij betogen dat sprake is van vooringenomenheid van de Raad.
Verzoekers zijn het voorts niet eens met de diverse oordelen van de Raad, zoals weergegeven in de uitspraak van 23 juni 2011. Volgens hen heeft de Raad zich op een aantal klachtonderdelen ten onrechte van een oordeel onthouden c.q. onderdelen van de klacht ten onrechte ongegrond verklaard. Verzoekers menen dat zij op alle onderdelen van de klacht kunnen aantonen dat de Leeuwarder Courant telkens heeft gekozen voor het meest negatieve en beschadigende scenario voor verzoekers, zonder zich ook maar één ogenblik om het waarheidsgehalte daarvan te bekommeren of verzoekers vóór de publicatie daarvan op de hoogte te stellen en/of nadien rectificatie toe te staan. In dat verband lichten verzoekers onder meer toe dat in de uitspraak van de Raad ten onrechte niet aan bod is gekomen dat sprake is van een samenspanning tussen de media, autoriteiten en Stephanie alsmede dat verzoekers worden gedemoniseerd. Verder voeren verzoekers op diverse onderdelen aan dat zij in overeenstemming met de Leidraad van de Raad hebben gehandeld, maar verweerders niet. Verzoekers blijven onverkort bij hun klachten over de selectieve en suggestieve verslaggeving, waarbij zij opzettelijk zijn beschadigd, en bij hun verzoek tot rectificatie.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a, lid 1, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijke worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
Verder is in lid 6 van artikel 10a van het Reglement bepaald:
“De herzieningskamer oordeelt over het herzieningsverzoek in beginsel zonder dat partijen nog ter zitting worden gehoord. Indien de herzieningskamer dat nodig oordeelt kan de kamer evenwel, alvorens tot een beslissing te komen, de verzoeker en de andere partij nog gelegenheid geven voor een schriftelijke repliek en dupliek, voor het overleggen van (nadere) bewijsstukken, dan wel voor het geven van een toelichting ter zitting.”
 
De herzieningskamer ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd noch anderszins aanleiding om in dit geval verzoekers de gelegenheid te geven hun standpunten ter zitting toe te lichten. Dat verzoekers op de zitting van de Raad van 29 april 2011 ervoor hebben gekozen om geen toelichting op hun klacht te geven – omdat hen niet werd toegestaan opnamen te maken – doet daaraan niet af, aangezien dat voor hun rekening dient te komen.
 
Verder overweegt de herzieningskamer dat, gezien hetgeen daarover in artikel 10a lid 1 van het Reglement is bepaald, herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is.  

Verzoekers hebben allereerst bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop hun klacht is behandeld. Hetgeen zij ter zake hebben aangevoerd, brengt echter – voor zover al juist – niet mee dat de inhoudelijke beoordeling van hun klacht berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
Uit hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd blijkt dat zij zich niet kunnen vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoekers hebben in dit verband toegelicht dat een aantal door hen aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Naar het oordeel van de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoekers voldoende uit de uitspraak.
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers met hetgeen zij in hun verzoekschrift hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 23 juni 2011 (RvdJ 2011/42) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 28 oktober 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.